Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

‘Ik ben een weggeefkind.’ Over de gevolgen van een adoptie

Samenleving

Eke Mannink

Zus en broer Mannink, begin jaren zeventig. © Privearchief Eke Mannink

Vorig jaar zomer publiceerde schrijver en dichter Eke Mannink haar debuutroman ‘Zo stroom ik van je over’, over de gevolgen van een adoptie. Die van haarzelf, welteverstaan. De bedoeling was een punt te zetten achter een lang verhaal, het werd een nieuw begin. 

Eerst kwam ik – uit een kindertehuis in Nij­megen. Een klein jaar later arriveerde mijn broertje Robert – uit het rooms-katholieke doorgangshuis Moederheil in Breda. Niet mijn biologische broertje dus. Samen groeiden we op bij de ouders die ons adopteerden, aan de rand van een dorp op de Veluwe.

Lees verder na de advertentie

Nieuw verhaal

Over mijn adoptie schreef ik een roman. Nooit had ik me gerealiseerd hoeveel gevolgen dat zou hebben, tot nu, nu ik in de trein zit en op weg ben naar de biologische moeder van mijn broertje. Als ik mijn boek niet had geschreven, zou ik deze reis nooit maken. Dan zou ik niet eens hebben geweten dat mijn broer vader was geworden en zijn echte moeder had leren kennen. Ik zou zelfs niet hebben geweten dat hij inmiddels niet meer leeft. Ik had gedacht: met dit boek zet ik een punt. Maar het bleek juist het begin van een nieuw verhaal.

Ruim zes jaar geleden nam ik het besluit om die roman te schrijven. Een egodocument – ik vond het idee weerzinwekkend. Ik had tot 2013 bijna twintig jaar onafgebroken voor de radio gewerkt. Als redacteur, documentairemaker en verslaggever. Geluisterd had ik naar honderden verhalen over de levens van anderen. Ik had ze gemonteerd, er muziek of achtergrondgeluiden onder gezet. Er lag een manuscript over een Eritrese vluchtelinge in mijn bureaula. Een opzet voor een rijmend kinderboek. Een schets over een hartstochtelijke liefde. Maar die projecten bleven haken. Er moest iets eerst. Ik zou mijn eigen leven beschrijven in een roman. Het leek me een hachelijke onderneming. Maar – het drong zich op.

Je wilt zó graag weten wie de ander is, degene uit wie je voortkwam of aan wie je het leven gaf

Ik koos voor de romanvorm omdat ik houd van literatuur, omdat ik tijdsverloop en karakters wilde verdichten én omdat ik mijn naasten niet wilde kwetsen. ‘Zo stroom ik van je over’ volgt hoofdpersoon Evelien van Lunteren tijdens het bureaucratische traject om haar voornaam te veranderen. Ze wil heten zoals haar natuurlijke moeder haar bij haar geboorte heeft genoemd: Eva. In gedachten herbeleeft Eva de zoektochten naar haar biologische ouders.

Mijn biologische moeder stond me meteen na mijn geboorte in 1968 af, onder dwang van haar vader. Ze was toen eenentwintig. Haar moeder vond het ook geen goed idee dat ze een kind zou opvoeden, maar haar vader was faliekant tegen. Het was een schande voor de familie, hun dochter mocht onder geen beding ongehuwd moeder worden. De verwekker, een Engelsman met wie ze twee jaar een relatie had gehad, was na een ruzie vertrokken en werd niet op de hoogte gesteld. Haar ouders dirigeerden haar zo geruisloos mogelijk naar Nijmegen, waar ze kon bevallen en het kind kon afstaan. Haar broers werd niets verteld.

Het boek was nog maar net gepubliceerd of de mails stroomden binnen. Grotendeels van mensen die zich in het adoptieverhaal herkenden en mij als lotgenoot zagen. Ik had nooit eerder contact gezocht met mede-geadopteerden, alleen over ze gelezen in artikelen, in ­boeken. En naar ze gekeken op tv, in het programma ‘Spoorloos’, maar daar stopt het ­verhaal altijd na de eerste en innige omhelzing. Het lezen van de persoonlijke verhalen, de ontwikkelingen ná die omhelzingen, bleek helend. Dat verraste me. Alsof een diep gevoel van ­herkenning een vorm van erkenning is. Ook bij een roman.

‘Je ziet eruit als de rest, maar je voelt je niet als iedereen’

‘Mijn verhaal lijkt op het jouwe. Ik ben iets ouder, 52, en ook uit Nederlandse ouders geboren en door Nederlandse ouders geadopteerd in de jaren zestig in de Achterhoek’, schreef Anne Nales. ‘Fijn om te lezen, vooral de zin: je ziet eruit als de rest, maar je voelt je niet als iedereen. Geadopteerd zijn is onderdeel van mijn identiteit. Het is er altijd, maar niet altijd op de voorgrond.’

Na publicatie van een interview met mij in NRC Handelsblad, afgelopen september, ­kwamen er behalve reacties van geadopteerden ook mails en handgeschreven brieven van zogenoemde afstandsmoeders, die hun kinderen onder dwang van hun ouders of om andere redenen ter adoptie hadden afgestaan. Het trof me hoe ze zich spiegelden aan mijn verhaal en overeenkomsten zagen.

‘Gisteren je boek in één ruk uitgelezen’, schreef Renée de Bode-Grollee uit Bleiswijk. ‘Zo herkenbaar, ook al sta ik haaks op jouw verhaal. Het verbaasde mij dat er zo veel raakvlakken zijn. Ik ben een geboortemoeder en sta dus lijnrecht tegenover je. Ik heb mijn zoon in 1967 af moeten staan. Het er niet meer over mogen en kunnen praten… die eenzaamheid. En het eeuwige dagdromen over de ontmoeting. Toen de ontmoeting na zesendertig jaar kwam, was hij anders dan ik had verwacht. Een mokerslag.’

© Getty

Misschien is het niet meer dan logisch dat weggeefkinderen en afstandsmoeders ongeveer dezelfde gevoelens ontwikkelen. Je wilt zó graag weten wie de ander is, degene uit wie je voortkwam of aan wie je het leven gaf. Het gaat veel verder dan nieuwsgierigheid, het is een verlangen niet alleen naar (h)erkenning. Maar ook naar vanzelfsprekendheid en onvoorwaardelijkheid. De Eva in het boek kreeg na één ontmoeting te horen dat vaker samen zijn er niet meer in zat; haar moeder vond het te moeilijk.

Mokerslag

Ik heb zelf ongeveer een jaar contact gehad met mijn biologische moeder. Werkelijk contact, met mooie en moeilijke momenten. En van de ene op de andere dag, na een vakantie in Ierland met het héle gezin – inclusief halfzussen en halfbroer – zei die moeder: ‘Ik kan het niet. Het is te moeilijk. Dit deel van mijn ­verleden is te heftig. Ik kan het niet verenigen met het nu.’ En ze verbrak het contact.

Dat was mijn mokerslag.

Bij de reacties op mijn boek zaten verzoeken om live te praten, verhalen uit te wisselen. Maar, hoe interessant en fascinerend ook, ik hield me aan het voornemen om alle mails en brieven te beantwoorden, maar geen koffie te drinken met onbekende lezers. Het boek en vooral het thema hadden genoeg tijd gekost. Ik was klaar met dit onderwerp. Nu wilde ik dóórpakken, verder schrijven over andere zaken. Tot op 8 oktober een mail uit Marokko in mijn postvak belandde. Van ene Marcia Mannink. Opvallend, want bijna niemand heet zo; mijn adoptieouders wijzigden eind jaren zestig officieel hun oorspronkelijke achternaam in Mannink. Marcia bleek de vrouw van mijn adoptiebroer Robert te zijn. Hij en ik hadden elkaar al ruim vijfentwintig jaar niet meer gezien. Robert was op zijn negentiende het ouderlijk huis uitgegaan om nooit meer terug te komen. We zagen elkaar nog drie keer. Daarna verloren we het contact.

Ik heb nooit geweten dat ook hij ons ouderlijk huis als beklemmend had ervaren.

Onlangs draaide ‘Shoplifters’ in de Nederlandse filmhuizen. Van de Japanse filmmaker Hirokazu Kore-Eda. Ik vind het een fenomenale film die je geen recht doet door het plot na te vertellen, want hij gaat over veel méér. De hele film door zijn onderstromen voelbaar, niets is wat het lijkt. En zelfs dat niet. Ik sleepte mijn kinderen – dochter (14) en zoon (12) – mee om hem te zien en vroeg me achteraf af wát me nou zo raakte. De personen die je als kijker volgt, vormen een gezin. Denk je, gedurende het verhaal. De constellatie valt door omstandigheden uit elkaar. Uiteindelijk blijkt dat het gezin geen gezin was in de zin van ouders en kinderen die bloedverwanten zijn. Wat maakt mensen verwant aan elkaar? Is het de bloedband? De gemeenschappelijke omstandigheden waarin ze verkeren? Die eeuwige nurture/nature-discussie zal ons altijd bezig blijven houden.

Doe maar gewoon

Feit was dat wij, zowel Robert als ik, ons ­‘anders’ voelden dan onze ouders. Het klopte niet, het paste niet. Het is niet zo dat onze ­ouders tirannen waren. Integendeel. Ze waren lief, wilden het goed doen. Maar ze waren zo anders dan ik, dan wij, blijkbaar. En praten over onze adoptie deden we niet. Juist het gewone, ouderwetse, goedbedoelde ‘doe maar gewoon’ en ‘dat is nou eenmaal zo’ dat zij zo sterk op ons overdroegen, leidde tot een gevoel van waardeloosheid. Dat versterkt werd door de wetenschap na onze geboorte te zijn ‘weg­gedaan’. 

Eind jaren zestig, toen Eke Mannink werd geadopteerd, werden in Nederland rond de 1000 kinderen per jaar afgestaan ter adoptie

Marcia, de vrouw van mijn broer, schreef dat ze een paar weken daarvoor op internet had ­gezien dat ik een boek had geschreven over adoptie. ‘Ik was zo overdonderd dat ik Robert wakker maakte… Het was nacht, hij was ziek, maar ik wekte hem, omdat Robert erg bezig was zijn pijn los te laten over zijn kindertijd. Hij heeft nooit gezien dat jij ook zoveel pijn had. Ik heb het boek besteld, kon het vandaag ophalen en lezen. Te laat voor Robert. Hij is vier dagen geleden overleden.’

Ze schreef dat ze veel herkende uit mijn boek in wat Robert vertelde. Ze had nooit ­begrepen waarom hij en ik al die jaren geen contact meer hadden. ‘Het enige wat ik me zo voor kan stellen is dat het te confronterend is. Maar als jij zo’n boek schrijft, als je zo jezelf zoekt, hoe kun je dat deel dan buitensluiten?’

Het is een goede vraag. Het antwoord is ­gecompliceerd. In de basis komt het erop neer dat we elkaar met de beklemming van vroeger vereenzelvigden, vermoed ik.

Mijn broertje was dood

Het bericht van Roberts overlijden kwam hard aan. Het was een zachte nazomermiddag. Uit het hofje achter ons huis weerkaatste gelach tegen de muren. Mussen kwetterden in de struik onder de perzikboom. Mijn broertje was dood. Ik had hem een kwart eeuw niet gezien. Ik vond het heel erg. En ik schreef terug hoe overdonderd ik was, en dat ik niet wist waarom het nooit meer gelukt is tussen Robert en mij.

Misschien inderdaad omdat herinneringen ­ophalen te pijnlijk zou zijn? We hebben daar nooit over gepraat. Mijn broertje wilde vroeger geen contact met zijn natuurlijke familie. Ik wel.

Bij mij is het mislukt – behalve met mijn halfbroer, de zoon van mijn biologische moeder, die zie ik gelukkig nog. Robert werd opgespoord door zijn halfzus en heeft, naar ik van Marcia begreep, zijn moeder stukje bij beetje toe kunnen laten in zijn leven.

Ik schreef Marcia dat ik haar graag wilde ­ontmoeten, ik had zo veel vragen. En zo ­geschiedde. Marcia was intussen van Marokko naar Zuid-Frankrijk verhuisd. In de kerst­vakantie kwam ze bij ons langs met haar zoon en dochter, ongeveer zo oud als de mijne. Ik had mijn kinderen van tevoren gevraagd of het ze wat leek als de vrouw van mijn broertje kwam logeren, met hun kinderen. Ze hadden Robert nooit gekend, alleen vaag over hem ­gehoord. Ze waren toch ook nieuwsgierig.

Ons korte samenzijn was intens, mooi en – voor Marcia en mij – ook pijnlijk. Robert bleek veel over zijn jeugd te hebben verteld. Hij had veel totaal anders beleefd dan ik en er fantasierijke verhalen bij verzonnen. Bijvoorbeeld dat we in Amsterdam en pas daarna op de Veluwe ­hadden gewoond – zozeer verdrong hij de werkelijkheid. Misschien was dat een deel van de reden dat hij geen contact meer wilde. Dat het confronterend was: twee verschillende versies van onze jeugd.

Wat me troostte, was dat hij uiteindelijk de liefde van zijn leven heeft gevonden. Dat er ­iemand diep van hem gehouden heeft.

De speelgoedbus van Robert Mannink. © Privearchief Eke Mannink

Inmiddels is mijn trein in de buurt van Breda, de woonplaats van Marga Herrewijn, Roberts biologische moeder. Ik denk aan de speelgoedbus waar mijn broertje vroeger veel mee speelde, we gaven hem afgelopen Kerst mee aan zijn vrouw en kinderen. Hij staat nu in een Zuid-Franse huiskamer. ‘Op een heel centrale plek’, appte Marcia.

Uit de luidspreker schalt de stem van de conducteur. “We naderen station Breda. Denkt u aan uw bagage bij het verlaten van de trein.” Ach ja, mijn bagage. Ik moet niet te symbolisch gaan denken en gewoon mijn tas meesjouwen. Terwijl ik in de richting van de coupédeuren loop, word ik overvallen door een gevoel van blijdschap. Met mijn biologische moeder is het niet gelukt om een relatie te hebben. Nu ik ouder en iets wijzer ben, is de band met mijn adoptiemoeder sterk verbeterd. Wie weet lukt het ook iets moois op te bouwen met de moeder van mijn broertje. We zijn een eind op weg. 

‘Zo stroom ik van je over’ van Eke Mannink verscheen in 2018 bij uitgeverij Elikser, € 18,95. We verloten drie exemplaren van het boek onder Trouw-lezers. Zie trouw.nl/exclusief.

Onderzoek naar gedwongen adopties

De regering heeft onlangs opdracht gegeven voor onderzoek naar binnenlandse adopties tussen 1956 en 1984. Duidelijk moet worden hoe adopties in die tijd verliepen, wat er misging en wat de rol was van ouders, hulpverleners en de sociale omgeving. Ook zal de nadruk liggen op de invloed die afstand en adoptie op de betrokkenen hebben gehad. Uit verkennend ­onderzoek uit 2017 van de Radboud Universiteit bleek dat in die periode Nederlandse vrouwen soms onvrijwillig hun kind ­afstonden. Dit gebeurde onder druk of dwang van hun ­omgeving en hulpverleners, bijvoorbeeld nadat een ongehuwde vrouw zwanger was geraakt.

Hoe verloopt een Binnenlandse adoptie?

Hoe is de procedure anno 2019 als een moeder in Nederland haar kind wil afstaan na de geboorte? De ­moeder, en de vader als hij in beeld is, krijgen drie maanden bedenktijd – de baby gaat dan naar een tijdelijk pleeggezin. Als de moeder inderdaad besluit tot ‘afstand ter adoptie’ wordt de baby bij aspirant-adoptieouders geplaatst. Deze ouders kunnen als ze een jaar voor het kind gezorgd ­hebben de adoptie aanvragen. Pas als de adoptie is uitgesproken, is de ‘afstand ter adoptie’ wettig. Tot die tijd kan de moeder er nog op ­terugkomen. Als ze dat doet zal de Raad voor de Kinderbescherming de situatie onderzoeken. De rechter ­beslist, waarbij het belang van het kind centraal staat.

De cijfers

Eind jaren zestig, toen Eke Mannink werd geadopteerd, werden in Nederland rond de 1000 kinderen per jaar afgestaan ter adoptie. Een groot verschil met de jongste cijfers over binnenlandse adoptie. In 2017 ­hadden 62 moeders zich bij de betrokken instanties gemeld hun baby te willen afstaan. Hun gemiddelde leeftijd was 26,7 jaar – de jongste was 14, de oudste 45. Uiteindelijk stonden 19 van hen ook daadwerkelijk hun kind af. Drie van hen hadden een moslimachtergrond, één was christelijk, één was hindoe, en bij de rest speelde geloof geen rol.

Bij 16 voornemens tot adoptie speelde geheimhouding een rol. De reden verschilde per situatie. Soms dreigde gevaar en mocht absoluut niet bekend worden dat de vrouw een kind had gekregen. Dit had te maken met de kans op verstoting of eerwraak, of met de kans op geweld vanuit de verwekker. Soms was het de schaamte bij de zwangere vrouw en een enkele keer speelde de angst om onder druk gezet te worden door de omgeving. De cijfers van 2018, die nog niet bekend zijn, zullen niet veel verschillen van twee jaar geleden, zo is de verwachting. (Bron Fiom.nl)

Heeft u ook ervaring met binnenlandse adoptie? Uw reacties zien we graag tegemoet in onze nieuwe mailbox: tijdreacties@trouw.nl in maximaal 120 woorden onder vermelding van uw naam en woonplaats.

Lees ook: 

Waren Nederlandse ambtenaren betrokken bij illegale adopties?

Nederlandse ambtenaren zouden betrokken zijn geweest bij illegale adopties. ‘Dit klinkt als mensenhandel.’

Deel dit artikel

Je wilt zó graag weten wie de ander is, degene uit wie je voortkwam of aan wie je het leven gaf

Eind jaren zestig, toen Eke Mannink werd geadopteerd, werden in Nederland rond de 1000 kinderen per jaar afgestaan ter adoptie