Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De Nederlandse angst om te verzuipen in de stenen is niet nieuw

Samenleving

Paul van der Steen

De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (afgekort: Vinex) zwoer in 1994 bij de compacte stad met zogenoemde vinexwijken. © ANP
Déjà vu

Zorgen over de teloorgang van het Nederlandse landschap zijn niet van gisteren, maar heel lang stond de overheid erbij en keek ernaar. Centrale regie ­bestond nauwelijks. 

Midden in de oorlog, in 1942, verscheen voor het eerst een officieel rapport dat de noodzaak tot ingrijpen onderstreepte. Volgens de nota ‘Bebouwing en behoud van natuurruimte’ dreigde anders “een huizenzee in West-Nederland zonder ruimte voor recreatie en landbouw”. Met andere woorden: verzuipen in de stenen was een reële mogelijkheid.

Lees verder na de advertentie

Dankzij een enquête, uitgevoerd door de Wageningen Universiteit in opdracht van Natuurmonumenten, weten we dat vandaag ruim 80 procent van de Nederlanders zich zorgen maakt over het landschap. Driekwart eeuw geleden bestond dat soort onderzoek nog niet. Ruimtelijke ordening bleef na de Tweede Oorlog wel aandacht houden van de overheid. De regerende partijen geloofden heilig in planning, niet alleen voor de wederopbouw, maar ook voor daarna.

Alleen al om ze­den­ver­wil­de­ring te voorkomen, was het goed om de bevolking en economische activiteit uit te smeren over het land

Vrees voor het dichtslibben van vooral het westen van Nederland vormde niet de enige drijfveer. Steden kampten ook met een slecht imago. Mensen leerden daar weinig goeds. Alleen al om zedenverwildering te voorkomen, was het goed om de bevolking en economische activiteit uit te smeren over het land. Spreiding paste bovendien bij het geloof in maakbaarheid. De werkelijkheid bleek echter weerbarstig. Industrie en dienstverlening lieten zich slechts beperkt dwingen. Die kozen voor de meest gunstige vestigingsplekken.

Wereldstad van Nederlandse aard

In 1958 kwam een door de overheid ingestelde commissie met het ‘Ontwikkelingsschema Westen des lands 1980’. Dat zag de magnetische aantrekkingskracht van de Randstad met zijn krachtige ‘poortfunctie’ als een gegeven. Tussen 1960 en 1980 zou de bevolking in dat gebied met een miljoen mensen groeien. Dat betekende volgens de commissie niet dat het Rijk alles maar moest laten gebeuren. Om stedelijke chaos te voorkomen, moest bij de ontwikkeling worden uitgegaan van een ring van historisch gegroeide, afzonderlijke steden rondom een centrale open ruimte, het Groene Hart. Op die manier ontstond dan “een gedecentraliseerde wereldstad van een eigen Nederlandse aard, zonder dat men hoeft te vervallen in het schrikbeeld van sommige buitenlandse metropolen”.

De in 1960 verschenen Eerste Nota Ruimtelijke Ordening borduurde grotendeels voort op het twee jaar eerder gepubliceerde ‘Ontwikkelingsschema’. Wat pogingen om economische ontwikkelingen richting het lege oosten en noorden van Nederland te leiden konden geen kwaad. Dat mocht echter niet afleiden van de focus op het westen. De grote steden daar moesten organisch kunnen groeien, met nieuwe ‘herbergzame’ woonwijken die een veilige haven vormden voor jonge gezinnen.

Slaapsteden

Deskundigen in het buitenland keken met verwondering en bewondering naar het Nederlandse model. Misschien hield dat op termijn ook wel beter de bereikbaarheid in stand dan de klassieke grote metropolen met één centrum.

De Tweede Nota Ruimtelijke Ordening (1966) stelde ondertussen de Nederlandse koers bij. De jongste prognoses voorspelden nu twintig miljoen Nederlanders in het jaar 2000. Een aaneengekoekte stedelijke brij met getto’s leek een reëel schrikbeeld. De groei van de grote steden moest worden ­beperkt. Een belangrijk deel van de oude en nieuwe inwoners diende te verhuizen naar nieuwe groeikernen zoals Purmerend, Lelystad en Zoetermeer. Als daar maar genoeg mensen naartoe trokken, zou er in die plaatsen ook vanzelf eigen economische activiteit ontstaan en waren ze niet gedoemd tot enkel een bestaan als slaapsteden.

In 1994 hield de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (afgekort: Vinex) een bijna tegengesteld pleidooi. Die zwoer bij de compacte stad. Van almaar meer mobiliteit kwam alleen maar ellende, bijvoorbeeld op milieugebied. Grote uitbreidingen aan de rand van de grote steden kregen weer groen licht. Dat werden de vinexwijken.

Paul van der Steen bekijkt wekelijks het nieuws door een historische bril.

Deel dit artikel

Alleen al om ze­den­ver­wil­de­ring te voorkomen, was het goed om de bevolking en economische activiteit uit te smeren over het land