null Beeld

PoëzieJanita Monna

Mustafa Stitou toont het offerdier van deze tijd

Janita Monna

Opnieuw laat Mustafa Stitou zien hoe poëzie het denken kan scherpen.

Het is best macaber in Waar is het lam?, de nieuwe bundel van Mustafa Stitou. Een kind dreigt overreden te worden, in een droom weliswaar, maar toch. Een vrouw krijgt er met een stok van langs, huid wordt afgestroopt, er rollen koppen. En waarom allemaal? Om een ander, een god, een vader, gunstig te stemmen.

Negen jaar liefst duurde het voor er een opvolger was van Tempel. Het was het wachten waard. Opnieuw toont Stitou hoe poëzie, hoe zíjn poëzie, het denken kan scherpen. Zijn taal dringt door in de haarvaten van thema’s die het maatschappelijk debat bepalen.

Was het in Genesis Abraham die zijn zoon Isaak moest offeren, Stitou toont in Waar is het lam? het offerdier van deze tijd. Religie kan daarin als een gevangenis zijn, waaruit ontsnappen niet zomaar mogelijk is: ‘Als je uit het raam probeert te klimmen/ groeien er messen uit het kozijn’.

Als een plaaggeest blijven door het geloof gedicteerde leefregels achtervolgen, ook als het ouderlijk huis ­allang verlaten is.

Een tribunaal van veertienjarige vmbo-rechtertjes

Die geest bezweren, je eigen weg gaan, het klinkt eenvoudig, maar is complex. Het voelt als je afkomst verloochenen. Stitou laat het pijnlijk zien in het tragikomische Mo. Daarin mondt een schrijfworkshop uit in een tribunaal van een ‘stuk of wat veertienjarige ­vmbo-rechtertjes’ die een eindeloze reeks vragen op de dichter afvuren en hem daarmee een confronterende spiegel voorhouden: ‘Ze willen weten/ of je ze verraden hebt./ Ze willen weten/ of je je ouders verraden hebt’.

Is deze bundel daarmee een aanklacht tegen het geloof? Of tegen een religieuze opvoeding? Deze indringende poëzie is veel meer dan dat. Op zijn kalme, ietwat slepende toon, ernstig en met oog voor de lichtere kanten, laat Stitou zien dat een ontkerstende ­samenleving waarin iederéén zich een god waant, als student of als terrorist, als ruimtereiziger of als directeur van een wapenfabriek, evenmin vrolijk stemt.

Voor de dichter bood de taal een uitweg. Woorden van Remco Campert zetten ‘een grote langzame wending’ in. Kiezen tussen moeder en ‘het Nederlands’, zoals de ­vmbo-scholieren vroegen, hoeft niet, zie het aangrijpende slotgedicht. ‘In het huis waarin hij ooit (…) knikken mocht (…)/ om de stellig geformuleerde ongerijmdheden’, kijkt de zoon nu toe terwijl moeder gehoor geeft aan de oproep tot gebed: ‘Gebaard heeft ze je, ­opgevoed, een vreemde zien worden,/ maar losgelaten nooit en jij haar evenmin’.

Deze plaaggeest doemde op soms wanneer je
gedronken had en gevreeën en bijna in slaap
zou vallen, het scheelde weinig of je was al weg
wanneer hij verscheen, in een verte recht tegenover jou,
schim van een schim, gehuld in een mantel minder donker
dan de donkerte die jullie omhulde. Je hield
de adem in, zette je schrap, wachtte af.
Geen kant kon je op toen hij bokkensprongen
begon te maken en langzaam steeds sneller
jouw kant op kwam, zigzaggend, cartoonesk,
afschrikwekkend; bijna stond hij voor je
wanneer je jezelf wakker schreeuwde,
een onhoorbare kreet waarmee je hem verjoeg,
jezelf in veiligheid bracht: had je langer gewacht,
had hij je met zijn vlakke hand een klap in je
gezicht gegeven die je vernietigen zou.
Het was een patroon, jarenlang hield je het vol,
verschijning, verstarring, vlucht, je verzweeg het,
leerde ermee leven, als een terugkerende straf
die je uit moest zitten. Tot je op een zomernacht
(de veertig al gepasseerd) na een daglange
wandeling op een eiland in de Ionische Zee
weer gezondigd had, tegen haar naakte lichaam aan
wegdoezelde op een hard matras en de kracht,
de fut niet had om te schreeuwen toen hij
zijn opwachting weer maakte, gek begon te springen
in een mum zigzaggend bijna voor je stond –
nooit eerder had je hem van zo dichtbij gezien,
zijn gezicht als van je vader, als dat van jou –
hoog hief hij zijn hand om je aan diggelen te slaan,
jij dook niet weg bleef kijken, niet uit moed
maar omdat je niet anders kon – en hij explodeerde,
barstte geluidloos uit in een schitterend feest
van siervuurwerk, verblindende flitsen schoten
alle kanten uit (het zal de zonsondergang
van de voorbije avond zijn geweest) en trilden na
tot ze waren uitgedoofd, ademloos door jou aangestaard.
Daarna heb je deze plaaggeest nooit meer gezien,
maar bevrijd was je niet, want opgelucht en toch in jezelf
teleurgesteld liet je hem de gedaante aannemen
van deze terugkerende gedachte, dit hardnekkige
verwijt: pekelzondaar, bangerik, waarom hiermee
zo lang gewacht? Waarom dit schrikbeeld
al die jaren in leven gehouden?

null Beeld
Beeld

Mustafa Stitou
Waar is het lam?
Bezige Bij; 96 blz. € 22,99

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze was redacteur bij Poetry International en nam het initiatief voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden