Storm in Zandvoort Beeld Wim Boevink

Klein verslag

Een sterke storm die om een goed gedicht vroeg

Goed, de storm is in vliegende vaart door het land gerold, dwars door het midden, heeft aan daken gerukt en geplukt, verzwakte bomen neergelegd en vrachtwagens als schoendozen over snelwegen gestrooid. 

Er zal schrik zijn geweest, en schrammen, en voor sommigen onpeilbaar verdriet.

De storm bleek net over de grens 'Friederike' te heten, maar hier was het gewoon een storm en zijn bulderende aankomst beleefde ik in Zandvoort, vanachter veilig glas. De lucht was vol van voorwerpen en geluiden die daar niet pasten en de enkeling die zich buiten waagde, in die kolkende luchtstroom, maakte rukachtige bewegingen met zijn torso, als in een tango met een onzichtbare partner.

Toen de storm voorbij Utrecht was gerold, stapte ik, de held, in Zandvoort achter mijn schuilmuur vandaan, en zag de gevolgen van de botsing van luchtdruk en dorp. Mensen redderden al op hun huizen, zoals de bezorgde man die ik tegen een opentrekkende hemel met blauw opwaaiend landbouwplastic zag worstelen op een dakkapel. Het strandzand stond tot diep in de Kerkstraat en daar voorbij. Bij Bruna veegden ze nog aan het eind van de middag.

Poëzie

Treinen liepen niet. Ik bestelde in een leeg Aziatisch restaurant nasi rames en staarde in een bord waarin alle ingrediënten in dezelfde kleur donkerbruin waren gehouden. En terwijl ik er aarzelend van proefde, was elders de dichter des vaderlands, Ester Naomi Perquin, al bezig de storm in poëzie te vatten. 'Schaderapport' heette het gedicht en zo luidden de eerste regels:

Er is een eendagsgod ontwaakt.
Hij kent misschien zijn eindigheid,
zijn eigen haast.
Men geeft elkaar advies
en zet zich schrap.

En meer poëzie wist de storm aan de dichters te ontlokken, zoals aan Ingmar Heytze, die op de radio was en boven zijn gedicht 'Luchtdansers' zette:

Een storm is een feest, maar alleen
voor zichzelf. De eerste vlagen
schuifelen onwennig rond,
het geluid staat niet te hard,
iedereen kan elkaar verstaan,
het ergste moet nog komen -
en dan loeit het aan.

Een feestende, luchtdansende eendagsgod, deze Duitse Friederike. Zij kwam, raasde en verdween. Zo heel anders dan in dat fameuze stormgedicht uit 1911, dat de ondergang van de wereld voorzag. 'Weltende' van de jonge Jakob von Hoddis:

Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,/ In allen Lüften hallt es wie Geschrei./ Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei/ Und an den Küsten - liest man - steigt die Flut.

Der Sturm ist da, die wilden Meere hupfen/ An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken./ Die meisten Menschen haben einen Schnupfen./ Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.

Ja, die foute burgers met hun spitse koppen, gekrijs in alle luchtlagen, dakdekkers die in stukken breken, en - zo lees je - langs de kusten stijgt de vloed. Huppelende wilde zeeën, die dikke dammen verpletteren, treinen donderen van spoorbruggen. En de mensen? De meesten zijn verkouden.

Dat is pas een storm.
1911. Alles moest anders.
En snel.
Het moest nog 1914 worden.

Meer kleine verslagen lezen? Bekijk ons dossier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden