Zij behield haar maagdelijke staat

Er zijn twaalf apostelen, vele vrome maagden en het aantal in de rangen der heiligen opgenomen bisschoppen is niet te tellen. Daarom worden de heiligen sinds de middeleeuwen afgebeeld met een attribuut, een voorwerp ontleend aan hun leven of legende.

Soms is het attribuut bekender dan het leven zelf. Zo zullen weinigen iets weten van Simon Zelotes, de ‘ijveraar’, maar wie hem ziet staan tussen de apostelen met zijn zaag in zijn hand, weet hoe hij aan zijn einde is gekomen. Een bijzondere categorie vormen de attributen die het gemartelde lichaamsdeel verbeelden. De hoofden van Dionysius en Johannes de Doper, de borsten van Agatha.

Agatha (= de goede) leefde in derde eeuw in Catanië op Sicilië en zou tijdens de vervolgingen onder keizer Decius (249-251) zijn omgebracht. Volgens de legende is haar aristocratische afkomst en schoonheid aanleiding voor landvoogd Quintinianus om Agatha het hof te maken. Zij heeft zich echter al (mystiek) verloofd met Christus en weerstaat de avances van de landvoogd. Quintinianus denkt dat een verblijf in een bordeel haar tot de aardse realiteit zal terugbrengen, maar Agatha slaagt erin haar maagdelijke staat te behouden. Dreigementen noch zalvende woorden van de eigenaresse van het bordeel, Aphrodisia, brengen haar geloof aan het wankelen.

Als zij opnieuw aan Quintinianus wordt voorgeleid, volgt er een hoogoplopende discussie over de waarde en betekenis van vrijheid. De landvoogd staat een materieel vrijheidsbeeld voor, die vooral in de overgave aan aardse genieten kan worden ervaren, de maagd verdedigt een spirituele vorm van vrijheid in dienstbaarheid aan Christus. De discussie eindigt met de weigering van Agatha om het christendom af te zweren en de heidense goden te vereren. Daarop wordt zij gefolterd. Volgens de Legenda Aurea neemt Agatha haar martelingen blijmoedig op. Zij daagt haar rechter uit door hem voor te werpen dat zij niet in het paradijs zal gaan tenzij hij haar lichaam laat vernietigen door zijn beulen. Quintinianus ontsteekt daarop in woede en laat haar borsten afsnijden. Daarna wordt zij in de kerker gesmeten.

Die nacht komt Petrus om haar wonden en borsten te helen. Omdat zij zich in haar lijden verbonden voelt met haar Heer, wil Agatha aanvankelijk niets van Petrus weten. Alleen als de apostel uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij door Christus is gezonden, staat zij haar genezing toe. De landvoogd slaat terug door de martelingen te intensiveren. Zij wordt op een bed gloeiende kolen, vermengd met vlijmscherpe scherven geworpen, waarna zij aan haar verwondingen bezwijkt. Bij haar begrafenis verschijnt een jonge man met een grafsteen met daarop het inschrift: “Mentem sanctam, spontaneam, honorem Deo et patriae liberationem”, vrij vertaald ‘heilig van geest, tot lijden bereid, God eerbetonend en de redding van haar land’.

Dit laatste wijst vooruit naar een uitbarsting van de Etna, een jaar na haar dood. De lavastroom, die Catania bedreigt, kan echter op miraculeuze wijze door haar grafsluier worden gekeerd. Quintinianus intussen is door zijn paard in een rivier geworpen en wordt nooit meer teruggevonden.

Agatha is in de vroegchristelijke tijd een belangrijke heilige en wordt samen met Agnes, Cecilia en Lucia gerekend tot de vier grote maagden-martelaressen van de Romeinse Kerk. Haar sterfdag werd al gememoreerd in het vijfde-eeuwse Martyrologium Hieronymianum (Martelarenboek van Hieronymus). In Rome werd circa 500 een kerk aan haar gewijd en haar beeltenis prijkt op een zesde-eeuws mozaïek in de San Apollinare Nuovo te Ravenna. Haar sluier zou zich in de Dom van Florence bevinden en Venetië, Palermo en Catania betwisten elkaar het bezit van haar ware boezem.

In haar geboortestad worden haar borsten, verborgen in een buste, in een jaarlijkse processie rondgedragen en op de bronzen deuren van de kathedraal zijn zij gekroond in reliëf weergeven. Haar bijzondere attribuut verleidde vele kunstenaars tot meer (Lorenzo Lippi) en minder sensuele (Francisco de Zurbarán) voorstellingen van de heilige, die haar borsten op een schaal in haar handen draagt. In 1994 wijdde de Britse beeldend kunstenaar Tacita Dean een film aan de borsten van Agatha, getiteld The Martyrdom of St. Agatha, waarin fictie en werkelijkheid op onlosmakelijke wijze met elkaar worden verenigd.

Behalve met haar borsten op een boek of schaal, wordt Agatha afgebeeld met de tekenen van het martelaarschap, de palmtak en de kroon, en met de tang waarmee haar borsten bruut werden afgerukt. Soms zijn de tang en borsten vervangen door een kaars en broden. In het zuiden van Duitsland werd dit brood, dat aan haar gewijd was, bij brand in het vuur geworpen.

Ook formulieren en kruisen met daarop aangebracht de ‘Agathazegen’, een bezwerende spreuk, werden in de vlammen geworpen in de hoop dat zij zouden uitdoven. Voor zover bekend, zijn dergelijke gebruiken in ons land niet doorgedrongen, zoals ook het aanroepen bij gevaar voor aardbevingen ten onzent weinig opportuun was en is. Wel werd haar bijstand gevraagd bij borstpijn, kanker en bij het weren van vuurhaarden. Om die laatste reden werd zij patrones van de klokgieters, daar klokken voorheen gebruikt werden om branden te melden.

In Noord-Brabant is haar naam verbonden aan St. Agatha, aanvankelijk niet meer dan een gehucht ten zuiden van Cuijk. De in 1315 onder haar bescherming geplaatste kapel werd in 1371 overgedragen aan de kruisheren. In Nederland is Agatha nooit uitgegroeid tot een volksheilige, maar nu is zij een van de weinige maagden van wie de feestdag nog wordt herdacht.

Wouter Prins is conservator van het Museum voor religieuze kunst in Uden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden