Zelfs die ene zekerheid, namelijk die van de dood, wordt in het christendom aangevochten

Stephan Sanders beschreef in deze krant hoe hij gelovig is geworden. Aan de hand van het Apostolicum – de christelijke geloofsbelijdenis uit de tweede eeuw die nog overal ter wereld wordt gebruikt – vertelt hij nu wát hij gelooft. Vandaag de vijfde regel uit die belijdenis (zie onderaan artikel), over Jezus’ opstanding uit de dood.

De overbekende zin van Friedrich Nietzsche ‘Gott ist tot’ die sinds het einde van de negentiende eeuw opgang doet, is een constatering die van veel eerder dateert. Hij komt uit het evangelie. De dood van God, het wordt nog weleens vergeten, maakt deel uit van de christelijke leer.

Want op de dag die bekend is geworden onder de verwarrende naam ‘Goede Vrijdag’, de dag dus dat Christus terecht werd gesteld en aan het kruis werd gespijkerd, stierf de mensenzoon ook daadwerkelijk. Het is geen grap of goochel­act, zoals bij het meisje in de grote kist, dat met zwaarden wordt doorboord, en aan het einde van de voorstelling vrolijk uit haar kist springt, onder luid applaus.

Godverlatenheid

Op Golgota, zo leert het evangelie ons, gebeurde er iets radicaal anders. De zoon van God liet daar letterlijk het leven. Er was geen God die hem lachend van het kruis liet springen, om zijn almacht te bewijzen. Het ‘Eli, eli, lama sabachtani’ (‘mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten’) was geen theatrale uitroep, niet de clou waarop de Grote Regisseur wachtte om in te grijpen: het was daadwerkelijk een noodkreet. Christus stierf aan het kruis. Hij was dood, en daarmee ook God. Friedrich Nietzsche was zo’n 2000 jaar te laat.

Pas sinds mijn volwassen wending tot het geloof ervaar ik pas hoe pijnlijk die dagen voorafgaand aan Pasen zijn. Witte Donderdag, Goede Vrijdag – de dag van Christus’ terechtstelling, de dag ook dat ‘het voorhangsel van de tempel scheurde’ – en Stille Zaterdag. Het zijn doodse dagen, of om het in de woorden van dr. A.A. van Ruler te zeggen: ‘De nederdaling ter helle is het ondergaan van de radicale Godverlatenheid van Christus, met name aan het kruis’.

Het boek ‘Ik geloof’ van deze Van Ruler, een hervormde predikant en theoloog, werd me een maand geleden toegestuurd door een veel jongere predikant, ook hervormd: hij was als geen ander bekend met het werk Van Ruler, en ik had als niet-theoloog en als – lang – niet-gelovige nooit van hem gehoord.

Maar ook in dit bevindelijk protestantse boek wordt over de drie doodse dagen gesproken als over de afwezige God, ‘de Godverlatenheid van Christus’, en dus ook van alle mensen die in hem willen geloven. Zo is de paasperiode dieptepunt en hoogtepunt van het christelijk geloof geworden.

Dramatische toenadering

Goede Vrijdag is niet ‘goed’ omdat Christus stierf, maar omdat de afstand tussen de mensen en God verkleind werd: Christus bracht het ultieme offer ‘voor onze zonden’, waarna het voorhangsel in de tempel scheurde. Zo werd het heilige der heiligen ineens zichtbaar, niet alleen voor de hogepriester die het domein eenmaal per jaar betrad, maar voor iedereen die in God en Christus geloofde.

De dood van Christus tekent hier een dramatische toenadering van God tot de mensen. Om het filosofisch te zeggen: hier wordt het universalisme geboren, God is er voor alle mensen, besneden, niet-besneden, hogepriester of leek, van het oude en het nieuwe geloof.

Christus gaat dood, is ook echt dood, tot op de derde dag. Het is allemaal zo onlogisch, zo verwarrend, en het wordt alleen maar nog verwarrender op die derde dag, wanneer Christus verrijst uit de doden. Dat kan niet, daar kan je met je verstand niet bij: dat moet je dus geloven.

Als puber met een ouwelijke muzieksmaak luisterde ik steevast naar Händels Messiah, en dan vooral naar de tekst ‘O death, where is thy sting/ O grave, where is thy victory’. Via Händel kwam ik zo toch met de Bijbel in aanraking, want de tekst komt uit 1 Korintiërs 15; dat wist ik toen niet, want ik las geen Bijbel en hield dat zo’n veertig jaar vol. Maar dat overwinningslied op de dood, dat Händel opvoert, hakte er bij mij al heel vroeg in.

Gezongen teksten zetten zich niet alleen vast in je geheugen maar ook in je lichaam. Händel gaf mij muzikaal het voorgevoel van Pasen, ook toen ik Pasen nog niet zo voelde.

Zelfs die ene zekerheid die de mens kent, namelijk die van de dood, wordt in het christendom aangevochten. Want Christus verschijnt weer, niet als hocus pocus, maar als levend bewijs van zijn eigen, overwonnen dood.

De Apostolische geloofsbelijdenis

Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.
En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,
die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; die nedergedaald is ter helle; 
de derde dag verrezen uit de doden;
die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest;
de heilige katholieke kerk; de gemeenschap van de heiligen;
de vergeving van de zonden;
de verrijzenis van het lichaam;
en het eeuwig leven.
Amen.

Aan de hand van de eeuwenoude apostolische geloofsbelijdenis vertelt Stephan Sanders over zijn geloof

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden