VoorpublicatieStevo Akkerman

Wie het goede wil pakken, grijpt er altijd naast

Beeld Suzan Hijink

Waar halen we onze ideeën over goed en kwaad vandaan? Bestaat daarvoor nog een adres na ‘de dood van God’ en het failliet van alle politieke heilsleren? Stevo Akkerman bundelde zijn Trouw-interviews over het goede.

‘Geen dringender vragen dan naïeve vragen’, schreef Wisława Szymborska in haar gedicht ‘De eeuw loopt ten einde’. Met dat uitgangspunt begon ik vorig jaar in deze krant aan een reeks interviews over het goede, in de wetenschap dat mijn naïeve vragen niet alleen dringend zouden zijn, maar ook moeilijk, vooral voor degene van wie antwoorden werden verwacht.

‘En heb je het nu gevonden, dat goede?’, werd mij van allerlei kanten gevraagd toen de gesprekken achter de rug waren, en die vraag klonk meestal een beetje ironisch, net niet naïef genoeg om serieus te nemen. Het goede is niet iets dat ergens verstopt ligt en gevonden moet worden, om het vervolgens veilig op te bergen. We hebben het over een attitude, een houding, een kracht – zoiets.

Ik was niet boos op God

In 2013 publiceerde ik de autobiografische roman ‘Donderdagmiddagdochter’, waarin het gaat om de dood van een pasgeboren kind en de vragen die een mens dan kunnen bestormen, zeker een mens die is groot geworden in orthodox-protestantse kring, waar God geacht wordt de dirigent te zijn van het leven en de dood. “Ben je boos op God?”, vroeg de beeldhouwer die de steen had gemaakt voor het graf van onze dochter, en mijn antwoord was nee. Ik was niet op boos op God, want ik geloofde niet dat Hij de dader was en ook niet dat Hij zich ermee had bemoeid. En omdat Hij afstand hield, hield ik die ook maar – ik wist niet wat ik met Hem aan moest. Maar een godloze wereld riep weer nieuwe vragen op. Ik kon moeilijk geloven dat het bestaan slechts een toevallige samenloop van omstandigheden was, liefde en haat niets anders dan de uitkomst van biologische processen in onze hersenen, net als goed en kwaad.

Het mag een versleten gewoonte zijn geworden, ik deed het in Donderdagmiddagdochter toch: verwijzen naar Auschwitz. Als Oost-Europa-correspondent was ik er verschillende keren geweest, en ook in andere vernietigingskampen – plekken van onverhoorde gebeden, getuigen van Zijn afwezigheid.

Tegelijkertijd dwong Auschwitz mij toch ook weer in de richting van God, omdat de gaskamers elke relativering van goed en kwaad onmogelijk leken te maken. Eigenlijk ging het me hierom, denk ik: wat blijft er over van onze instinctieve zekerheid dat er dingen zijn die kwaad zijn, als we geen maatstaf hebben die buiten onszelf ligt?

En wat is dan datgene dat buiten onszelf ligt? Ik dacht het via Auschwitz gevonden te hebben door het besef van het absolute – in dit geval: het absolute kwaad – in verband te brengen met God, al durfde ik over die God verder niets te beweren. Maar ik wist natuurlijk dat er ook anders over gedacht kon worden, dat maakte mijn rondgang langs filosofen, theologen, wetenschappers en schrijvers zo spannend.

‘Het kwaad zit in het goede’

Arnon Grunberg was zo vriendelijk de absolute tegenstelling tussen goed en kwaad direct op losse schroeven te zetten: “Het kwaad zit in het goede, het begint al als jij denkt te weten wat het goede is. Voor mij is een grote bron van kwaad het verlangen naar zuiverheid. De zekerheid is het kwaad.”

Hij ging niet zover om ook het goede in het kwaad te zien, maar wees wel op de onvermijdelijke wreedheid die in het leven ligt. Sprekend over Hitler: “Het is essentieel om niet te doen alsof het monsterlijke niets met ons gemeen heeft.”

En God als morele maatstaf? Niet voor Grunberg. “Wat mij fascineert aan God is precies dat: hoe kun je God goed noemen? Misschien is Hij dat niet, dat is eigenlijk veel waarschijnlijker. Misschien is God niet goed voor ons. En hebben wij God nodig voor het goede? Dat denk ik niet. Je kunt je wel afvragen of het goede kan bestaan zonder betekenis. Maar ook als die er niet is, wil dat nog niet zeggen dat ik jou alles mag aandoen. Helemaal niet.”

De basis onder norm en wet is weliswaar wankel, aldus Grunberg, maar ‘dan nog ben ik niet de meester over mijn eigen leven, of over het leven van iemand anders’. “Ik moet juist met enorme behoedzaamheid – omdat er zoveel is dat ik niet kan weten – proberen te erkennen dat de mogelijkheid van heiligheid in jou zit.”

Dat vond ik dan wel weer behoorlijk religieus uitgedrukt.

Luister ook naar de podcast die naar aanleiding van het boek is geproduceerd in samenwerking met de Balie middels bovenstaande speler, waarin Stevo Akkerman in gesprek gaat met psycholoog Naomi Ellemers over het menselijk gedrag in benarde tijden. Ook is de podcast te vinden via iTunesSpotifyOmnyGoogle Podcasts.

Zijn we heilig of monsterlijk?

Zelf ben ik opgegroeid met het calvinistische adagium dat de mens geneigd is tot alle kwaad en niet in staat tot enig goeds. Dan is de mogelijkheid van heiligheid al een hele vooruitgang, zelfs als het monsterlijke ons niet vreemd is. Maar hoe zit dat, is een van die twee wie wij eigenlijk zijn? Rutger Bregman komt in zijn bestseller ‘De meeste mensen deugen’ dicht bij een antwoord op die vraag: het positievere mensbeeld is het realistische, schrijft hij. En ik moet zeggen dat zijn boek een bemoedigend bombardement is van onderzoeken en voorbeelden uit heden en verleden die erop duiden dat wij van nature niet het slechtste zoeken voor elkaar en voor de wereld, maar het beste.

Dat dat vervolgens vaak maar half lukt is een feit, maar dat wil niet zeggen dat het kwaad ons in zijn greep heeft. “Ik denk dat dat niet het meest essentiële is van wie wij zijn”, zei schrijfster Marilynne Robinson in mijn interviewreeks. “Kijk hoe wij leven, hoe belangrijk iets als vrijgevigheid is, hoe toegewijd mensen hun werk doen, hoezeer ze gedreven worden door goede intenties. Dat is wat onze beschaving instandhoudt, en het zou onze beschaving dienen om dat te erkennen.”

Maar wat is dan goed? Die vraag blijft spoken. Uit hetzelfde gedicht van Szymborska: Hoe moet ik leven – las ik in een brief van iemand aan wie ik van plan was hetzelfde te vragen.

Of zou het geen goede vraag zijn? Misschien is het de slang die hem mij influistert, een antwoord belovend dat niet bestaat. Afgelopen november hoorde ik op het Geestdrift-festival in Utrecht de Noord-Ierse publicist en filosoof Peter Rollins spreken. Zijn motto: I once was found, but now I’m lost, I once could see, but now I’m blind. Menszijn betekent te leven met de spanning tussen wie we zijn en wie we willen zijn, zei Rollins. Dat is de kloof die ons bestaan tekent. En voortdurend wordt ons voorgehouden – door religieuze en niet-religieuze profeten – dat het mogelijk is die kloof te overbruggen.

Doe dit, doe dat, en het tekort dat je voelt zal opgelost zijn en je zult heel zijn. “We verwoesten ons leven om heel te zijn”, zei Rollins, en hij noemde dit de erfzonde: het willen opheffen van ons tekort. En genade noemde hij: het besef dat je een puinhoop bent, omdat iedereen een puinhoop is, en dat dan accepteren.

Wegbereider en bewaker van het paradijs

Verwacht van je zoektocht naar heelheid de hemel en je komt in de hel – dat is wat Rollins wilde zeggen, en ik denk dat je voor ‘heelheid’ ook ‘goedheid’ mag invullen. Dat betekent niet dat de zoektocht in zichzelf fout is: integendeel, die kan zin, betekenis, voldoening en vreugde verschaffen. Als je maar niet denkt dat je het goede kunt pakken, dat je er de eigenaar van bent, want dan grijp je ernaast. Wie zich het goede toeëigent, loopt het gevaar zich te gaan zien als de wegbereider en vervolgens de bewaker van het paradijs; het ideaal wordt een utopie. En de utopie vervolgens een nachtmerrie, omdat de ‘onzuivere elementen’ uit de weg moeten worden geruimd.

Of zoals de Tsjechische psycholoog Jindrich Kabát het formuleert: “Wij hebben te vaak gehoord dat leiders de samenleving zouden gaan helen – elke keer dat je dat gelooft, eindigt het ermee dat je jezelf voor de kop slaat.”

Wie huivert dan niet wanneer hij de voorman van Forum voor Democratie hoort zeggen dat het ‘project van zijn leven’ eruit bestaat ‘de heelheid van de wereld te herstellen’? Het is een uitspraak die alle alarmbellen moet laten afgaan en die inzicht biedt in wat er onder het populisme ligt, op wat je het politiek-spirituele niveau zou kunnen noemen. Gefrustreerd door de doorgeslagen individualisering en rationalisering, zoekt ook het populisme een uitweg uit de spanning tussen wie wij zijn en wie wij willen zijn. En het claimt die te hebben gevonden in het eerherstel voor de gemeenschap.

Narcistische moraal loopt stuk op eigenwaan

Te behoren tot ons eigen volk, natie, cultuur of ras zal ons heel maken. Niet de vrije burger met zijn grondwettelijk vastgelegde rechten is de norm, maar het collectief. Daar ligt dan ook, buiten het individu, de maatstaf voor de moraal: goed is wat goed is voor de groep. En die zal bloeien als de vreemdeling de woestijn in is gestuurd, of in elk geval zijn plaats gewezen. Deze narcistische moraal, die wil dat wij ‘de erfgenamen zijn van de beste beschaving die de wereldgeschiedenis ooit gekend heeft’ (Baudet), kan niet anders dan stuklopen op zijn eigenwaan.

Maar wat is het alternatief, als het niet het neoliberale credo is van ieder voor zich en niemand voor ons allen? Verschillende van mijn gesprekspartners wezen dan juist níet naar een gedeelde groepsidentiteit die het ego van alle leden moet stutten. Maar naar iets dat werkelijk het zelf overstijgt, of liever naar iemand die dat doet: de ander.

Niet ons spiegelbeeld is onze raadgever, maar de medebewoner van onze wereld, al dan niet van menselijke kunne. Moet die ander verwijzen naar de Ander met een hoofdletter, omdat we een adres nodig hebben waar het absolute huist? In Donderdagmiddagdochter ging ik die kant op, nu zou ik het iets anders formuleren, zonder een wezenlijk andere weg in te slaan. Nog steeds lijkt het me hoogmoed het goede te zoeken binnen de omheining van het subjectieve zelf. We moeten voorbij de toevalligheden van het eigen ego, en de ander dwingt ons daartoe. Sommigen noemen die ander God, anderen niet.

Altijd goed om te eindigen met hoop, en dat bedoel ik niet ironisch. Maar ook niet lichtzinnig. Er is een prachtig fragment van Václav Havel, opgenomen in het boek ‘Verhoor op afstand’, dat een verslag is van gesprekken die hij in 1985 – dus voor de val van het communisme – voerde. Havel zegt daarin dat het bij hoop niet gaat om een investering in zaken die tot zichtbaar succes leiden, maar om ‘ons vermogen ons voor iets in te zetten omdat het goed is’. “Hoe ongunstiger de situatie waarin onze hoop overeind blijft, des te intenser is deze hoop. Hoop is niet hetzelfde als optimisme. Het is niet de overtuiging dat iets goed afloopt, maar de zekerheid dat iets zin heeft, ongeacht hoe het afloopt, en de enige echte bron van de grootsheid van de menselijke geest en van het menselijke streven.”

Dit is een bewerkte versie van het slothoofdstuk van het boek ‘Wat is dan goed?’, dat is verschenen bij uitgeverij Lemniscaat (€ 12,50). 

Lees ook:

Lees hier alle interviews - met, onder anderen Arnon Grunberg, Rowan Williams, Jan Verplaetse, Naomi Ellemers - uit uit de reeks over Het Goede terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden