null Beeld Gemma Pauwels
Beeld Gemma Pauwels

InterviewDenkers van de Lage Landen

‘Westerse filosofen wilden tonen dat hun vak echt wel wat voorstelde’

Wat hebben de Lage Landen aan wijsgeren voortgebracht? Filosoof Erno Eskens verzamelt de denkers in een overzichtswerk. Vandaag de laatste aflevering: de onttroning van de academische filosofie en de opkomst van praktische en publieksfilosofie.

Lodewijk Dros

Vanaf de jaren zestig stromen de kerken al sneller leeg. De Groningse hoogleraar Lolle Nauta constateert dat filosofen de rol van de theologen overnemen, met hun ‘theologie zonder God’. In Mandarijnen op zwavelzuur (1967) noemt Willem Frederik Hermans hun ‘theorieën zonder feiten geouwehoer’. Gevaarlijk geouwehoer zelfs: “Het marxisme komt voort uit Hegel; het nationaalsocialisme uit Nietzsche. Ik kan u uitspraken uit Nietzsche voorlezen dat u denkt: die komen uit een redevoering van Hitler.”

Volgens politicoloog en filosoof Erno Eskens verwoordde Hermans een bredere scepsis. “Dat beeld van filosofen als collaborateurs van foute regimes en als mislukte wetenschappers werkte door, het zwavelzuur van de scepsis tastte de status van de wijsbegeerte op de universiteiten ernstig aan. In 1961 hadden alle universiteiten een ‘centrale interfaculteit’ gekregen, van waaruit filosofen alle studenten onderwezen in ethiek en wijsbegeerte. In de jaren tachtig hieven ze één voor één die interfaculteit op. Ten slotte werd ook de gewone filosofiefaculteit opgedoekt. Aan vrijwel alle universiteiten hebben de filosofen zich laten opslokken door de geesteswetenschappen.”

Waarom is dat erg?

“De afschaffing van de ‘centrale interfaculteit’ betekende de onttroning van de filosofie. De filosofen hadden zich niet meer met de andere wetenschappen te bemoeien. Dat is erg, ja, want alle wetenschappen berusten uiteindelijk op filosofie. Alle wetenschappers hebben een filosofie die bepaalt hoe ze te werk gaan, wat hun uitgangspunten zijn, wat ze belangrijk vinden. Daar mag best wat op gereflecteerd worden. Omgekeerd raakten de filosofen het vanzelfsprekende contact met het empirisch onderzoek kwijt. Dat is ook niet goed.”

Vorsten sputteren tegen als ze onttroond worden. Hoe zat dat bij filosofen?

“Die hoorde je nauwelijks. Ze waren in de ban van het ‘postmodernisme’. De term was bedacht door de Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998). Na de val van de Muur, schreef hij, zijn er geen ‘grote verhalen’, geen leidende ideologieën of alles dragende ideeën meer. Lyotard had een punt, maar de Amerikaanse postmodernisten interpreteerden het als ‘anything goes’. Relativisme dus. Dat relativisme haalde het heilige vuur uit de filosofie. Eeuwenlang waren filosofen de trotse dragers geweest van de toorts der rede. Nu stonden die arme drommels met een walmende toorts in hun hand. Ze wisten niet meer welke kant ze op moesten.”

Er waren toch wel tegengeluiden?

“De Laaglandse filosofie zat in een impasse door het relativisme. Het idee was: ieder heeft zo zijn vertoog, we leven in talloze normen- en waardenstelsels; kennis, idealen en doelstellingen zijn toevalligheden. Dat zag je bij hoogleraar Kees Kwant. Dat was een augustijner pater die rijdend in z’n auto plotseling besefte dat God een projectie is. Hij hing zijn pij aan de wilgen en noemde zichzelf vervolgens een ‘probleemloos atheïst’. Hij heeft het vervolgens over de groeiende ‘afschrijfbaarheid van de waarheid’ – de éne waarheid is afgeschreven. Geen God en geen wetenschap kan die waarheid nog schragen.”

Eskens vertelt dat een hele generatie denkers haar ankers had verloren. Ook Samuel IJsseling, een leerling van Kwant, was een gesjeesde augustijn. IJsseling doceerde in Leuven en gold als de grote promotor van het Franse postmodernisme in de Lage Landen. “Anders dan Kwant bleef IJsseling ten diepste religieus. Hij koos alleen voor een beter geloof. Hij werd polytheïst, omdat het veelgodendom goed bij het leven in meervoud paste. Iedere god bood in IJsselings ogen een eigen visie op de werkelijkheid. Je kunt, met de vele goden als voorbeeld, proberen om meerdere perspectieven in te nemen. Zo kom je tot een afgewogen, open visie.”

Eskens leest een passage voor uit Filosofie Magazine, waarin IJsseling schreef: “Kenmerkend voor de zogenaamde postmoderne conditie is misschien wel het naast elkaar bestaan, de pure nevenschikking, de tolerantie van het pluralisme en het multiculturele, de eindeloze en onbepaalde veelheid van het en, en, en,...”

Dat is, zegt Eskens, een formulering die zo lijkt weggelopen uit het werk van Jacques Derrida, de andere grootheid van het Franse postmodernisme – en een vriend van IJsseling. “Ze probeerden allebei een stem te geven aan mensen die door ideologieën en dogma’s waren gemarginaliseerd.”

Dat vindt Eskens de ‘winst van het postmodernisme’. “Het bevrijdde ons uit het ‘heersende vertoog’ en stimuleerde dat we om ons heen keken. We gingen luisteren naar de ander. Dat leidde tot de opkomst van de interculturele filosofie. Denkers als Patricia de Martelaere en Otto Duintjer verdiepten zich in de oosterse filosofie en wilden er ook naar leven. Tijdens zijn colleges mediteerde Duintjer met studenten. Hij wilde ze ‘de kosmische ruimte’ en het ‘alomvattend Bewustzijn of Gewaar-zijn’ laten ervaren.”

Dat was toch niet zo nieuw?

“De belangstelling voor oosterse filosofie is al ouder, maar die was eerder wat afstandelijk, denk ik. De eerste die deze afstandelijkheid laat varen en echt open wil staan voor het perspectief van de ander, is Placide Frans Tempels (1906-1977), een Belgische missionaris in Congo. Hij publiceerde in 1945 een intercultureel filosofieboek, Bantoe-filosofie. Af en toe is zijn beschrijving van de Bantoebevolking tenenkrommend, maar hij nam intussen wel als eerste hun denken serieus. Dat is een postmodern motief. Zelf was Tempels nog niet helemaal postmodern. Hij wilde als ‘beschaafde’ denker met zijn ‘gedisciplineerd intellect’, het rommelige, primitieve denken namelijk nog ordenen. Tempels zag dat trouwens als de sleutel tot het ‘inlandse denken’ – waarbij hij er kennelijk van uitging dat heel Afrika één filosofisch stelsel had dat uitging van een oerkracht, met dingen, dieren, planten en geesten. Het zat dicht tegen het animisme aan.”

Terwijl het postmodernisme gemeengoed werd en de wijsgerige blik tot in verre gewesten ging reiken, zagen we op eigen bodem iets eigenaardigs: de opkomst van de publieksfilosofie.

“Ja, na de onttroning van de westerse filosofie wilden filosofen laten zien dat hun vak toch echt wel wat voorstelde. Dat je er iets aan hebt. Daar zijn de praktische en de publieksfilosofie uit ontstaan.”

Wat is het verschil?

“Publieksfilosofen zijn denkers die zich in het publieke debat storten. Praktische filosofen gaan zich in de jaren tachtig als zelfstandigen vestigen en adviseren bedrijven en privépersonen over hoe je over ethiek en waarden kunt praten. Socrates moet de markt op, wordt de strijdkreet. Er kwamen ook opleidingen kinderfilosofie voor wie met jeugdigen aan de slag wilde, en je kon je ook laten trainen tot wijsgerig consulent. Zo’n consulent voert gesprekken met mensen die zijn vastgelopen in hun leven of werk, of die gewoon hun geest eens willen verzetten. Vaak hebben de klanten plezier in het denken, maar zeker zo vaak willen ze dat er aan hun gedachten wordt gesleuteld.”

Mag dat wel, sleutelen?

“Ai. Gevoelig punt. We zijn hier in Nederland, dus een richtingenstrijd ligt altijd op de loer. De vraag is hoe therapeutisch je mag zijn. En waar de grenzen liggen van zo’n gesprek: mag je als filosofisch consulent alleen maar vragen stellen, of ook hier en daar een inzicht uit de wijsgerige geschiedenis aandragen? Die eerste groep gingen zich de ‘filosofisch practici’ noemen, de tweede groep bleef ‘filosofisch consulent’. In 2010 leidde dit conflict tot een soort filosofische kerkscheuring. Je zou die laatste groep de rekkelijken kunnen noemen, en de eerste groep de preciezen.”

De bekendste publieke filosoof, oud-Denker des Vaderlands René Gude, leek me een lid van de rekkelijke kerk.

“Zeker. Hij was nooit te beroerd om je te wijzen op iets wat hij had opgediept uit ‘de goudmijn van de filosofie’. Hij vond dat we – ik werkte intensief met hem samen – filosofie als levenshouding moesten uitdragen. Een levenshouding is meer dan alleen vragen stellen. Het is ook antwoorden geven, tijdelijke antwoorden, maar toch.”

Wat maakte Gude zo’n aanstekelijke publieksfilosoof?

“Hij was wars van het heersende cynisme. Doe gewoon je best om iets goeds te bedenken en stel je open voor kritiek. Zo benaderde hij de hele samenleving. Erken dat iedereen om je heen zijn of haar best doet. Begin dus met een basaal vertrouwen in je medemens, in de wetenschap en in de politiek, dan kun je daarna je kritiek spuien. ‘Eerst instemmen, dan stemming maken om de samenleving een betere bestemming te geven.’”

Eigenlijk was René Gude het vleesgeworden tegendeel van de postmodernisten en hun verlammende manier van denken, zegt Eskens. “Hij verweet de postmodernen dat ze zich niet met anderen, met wetenschap en politiek durfden te verbinden. Ze hadden de neiging zich afzijdig te houden. René hield zich allesbehalve afzijdig. Hij benutte zelfs zijn ziekte – hij had botkanker – om filosofie bij een groot publiek te brengen. Hij zat in de laatste fase geregeld aan tafel bij De Wereld Draait Door.”

Als u terugkijkt op de laatste halve eeuw: heeft de publieksfilosofie daarin de rol van de academische filosofie overgenomen?

“Nee dat niet. Het zijn communicerende werelden. Het goede nieuws is dat er inmiddels aan de universiteiten meer filosofen actief zijn dan ooit. Daarbuiten is de zichtbaarheid van de publieksfilosofie en de praktische filosofie niet meer weg te denken. Dat stemt me als filosoof optimistisch.”

Op 15 april verschijnt van Erno Eskens ‘Denkers en dwalers, een filosofie van de Lage Landen’ bij ISVW uitgevers.

Lees ook:

René Gude 1957-2015: “Ik ben écht niet bang voor de dood”

“Misschien bof ik een beetje, maar ik ben écht niet bang voor de dood”, zei Denker des Vaderlands René Gude, terwijl hij doodziek was. In 2015 overleed hij aan de gevolgen van kanker in zijn woning in Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden