InterviewElwin Hofman

We zijn lang niet kritisch genoeg als het gaat over het concept ‘jezelf zijn’, zegt historicus Elwin Hofman

null Beeld Maus
Beeld Maus

Eeuwenlang stonden mensen amper stil bij wie ze zelf waren, dat veranderde pas in de achttiende en negentiende eeuw. Aan de hand van rechtbankverslagen laat historicus Elwin Hofman zien hoe die verandering eruitzag.

Sofie Messeman

Jezelf zijn, jezelf verwezenlijken: de aandacht voor het zelf is overweldigend. Facebook, Twitter, zelfhulpboeken, tijdschriften: ze staan er bol van. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Tot de achttiende eeuw stonden mensen veel minder stil bij wie ze ‘zelf’ waren. Geleidelijk veranderde dat, niet alleen bij de elite, maar ook bij minder gegoede mensen. “Tussen 1750 en 1830 evolueerde het ‘zelf’ naar meer innerlijkheid”, zegt historicus Elwin Hofman. Hij bestudeerde honderden rechtbankverslagen uit die periode om na te gaan hoe mensen over zichzelf verslag uitbrachten. In die rechtbanken, constateerde hij, werden mensen steeds meer aangespoord om over hun ‘zelf’ na te denken.

“Traditioneel onderzoeken historici autobiografieën, dagboeken of traktaten om na te gaan wat geleerden over het ‘zelf’ zeggen”, zegt Hofman. “Ik ben gaan kijken naar mensen die niet over hun ‘zelf’ schreven, maar die er toch over moesten vertellen als ze voor de rechtbank kwamen.” Daarvoor nam Hofman getuigen- en verdachtenverhoren door uit de periode tussen 1750 en 1830 in de Zuidelijke Nederlanden. “Rond 1750 was er weinig aandacht voor gevoelens of motivaties. De vraag was gewoon: ‘Heb je die misdaad begaan of niet?’ Het waarom speelde geen rol. Vanaf 1780 veranderde dat. Er kwam aandacht voor de vraag hoe een daad samenhangt met iemands karakter. Dat karakter – of zelf – werd een argument. Mensen gingen zich verdedigen met beweringen als ‘dat ligt niet in mijn aard’. Ook bij gewone, ongeletterde mensen ontstonden dergelijke ideeën. Niet dat ze altijd spontaan op de proppen kwamen met hun ‘innerlijke ik’, ze werden er wel mee geconfronteerd door rechters.”

Hofman stelde vast dat vrouwen daarbij op andere manier werden benaderd dan mannen. “Het moderne zelf – de aandacht voor innerlijkheid en autonomie – is vaak gezien als een mannelijke aangelegenheid, denk maar aan Rousseau en Locke, die over het ‘zelf’ begonnen te schrijven. Maar in strafzaken stelden rechters de meest innerlijke vragen, die op het geweten inspelen, vooral aan vrouwen. Dan ging het veelal om vrouwen die werden beschuldigd van kindermoord. Soms werd het kinderlijkje aan die vrouwen getoond en werd er gevraagd: ‘Wat voel je nu?’. De innerlijkheid, de emoties en het ‘waarom’ kwamen steeds meer in beeld. Vanaf de negentiende eeuw werden emoties bij vrouwen ook afgemeten aan de mate waarin ze huilden. Bij vrouwen werd niet huilen beschouwd als onmenselijk. Trouwens, die vrouwen waren altijd in het nadeel: als ze huilden bij het zien van een kinderlijkje, werd dat beschouwd als een schuldigverklaring. Als ze niet huilden, werden ze gezien als monsters.”

Die beweging naar het innerlijk is ook te zien bij rechtszaken over prostitutie, blijkt uit uw studie.

“Het ging van het leggen van schuld bij omstandigheden naar het leggen van schuld bij het innerlijk. Als vrouwen verklaarden dat ze zich hadden geprostitueerd uit armoede, werd dat niet aanvaard. Terwijl gelijkaardige argumenten bij mannen wel aanvaard werden, denk maar aan mannen die diefstallen pleegden uit armoede. Vanaf de negentiende eeuw werden prostituees voor de rechtbank steeds meer gezien als vrouwen die lui waren. De verklaring voor hun gedrag werd dus niet in omstandigheden gezocht, maar in hun innerlijk.”

Zelfverlies in de vorm van woede, dronkenschap of beheksing werd steeds minder aanvaard als argument voor de rechtbank. Is er een verband met innerlijkheid?

“Aanvankelijk was dronkenschap een verzachtende omstandigheid, net als ‘een vlaag van woede’ en zelfs ‘beheksing’. Die dingen werden vóór 1800 beschouwd als uitwendige omstandigheden waar je weinig kon aan doen. Maar daarna werd zelfverlies steeds minder gezien als iets wat van buitenaf kwam en waardoor je jezelf niet onder controle had: dat zelfverlies werd innerlijk verklaard. Dronkenschap werd een misdaad op zich, dus een verzwarende in plaats van een verzachtende omstandigheid. Hetzelfde gold voor woede: je moest je woede onder controle kunnen houden. Al deze soorten van zelfverlies verloren aan zeggingskracht. In plaats daarvan kwam ‘krankzinnigheid’, en dat zit natuurlijk van binnen. Beheksing werd hysterie, dronkenschap werd alcoholisme, woede werd een syndroom.”

Elwin Hofman. Beeld
Elwin Hofman.

Wat is het verband tussen innerlijkheid en het idee van een ‘menselijke natuur’?

“De ‘menselijke natuur’ is een ambigu concept. In de vroegmoderne tijd tot de vroege achttiende eeuw werd de menselijke natuur vooral beschouwd als zondig: die was slecht, maar het karakter van een individu kon op basis van zijn daden positief uitvallen. In de loop van de achttiende eeuw keerde dat om, met denkers als Rousseau, die de menselijke natuur gingen beschouwen als goed. Dat zie je ook in de strafprocessen. Voor rechtbanken was het uiteraard een serieus probleem dat er ondanks de ‘goede menselijke natuur’ toch misdaden werden gepleegd. De oplossing lag er dan in om te veronderstellen dat iemands karakter slecht is. Een tweede oplossing werd gevonden in ‘monsterlijkheid’: de mens op zich is goed, maar er bestaan mensen die dat niet zijn. Dat zijn zijn monsters en die horen als het ware niet meer tot de menselijke soort. Dat gold bij uitstek voor vrouwen die van kindermoord werden beschuldigd en niet weenden bij het zien van het kinderlijkje.”

Uw boek is sterk geïnspireerd door de denkers Michel Foucault en Judith Butler, die beweren dat het ‘autonome zelf’ het product is van maatschappelijke dwang. Hedendaagse mensen zullen het niet graag horen.

“Het klinkt voor ons contra-intuïtief. Het vanzelfsprekende hoera-verhaal van ‘jezelf zijn’ wordt daardoor onderuit gehaald. Is het wel zo bevrijdend om jezelf te worden? Een belangrijk werk van Butler op dit gebied is Giving an Account of Oneself, geïnspireerd door Nietzsche, Foucault en Adorno. Zij betoogt dat het zelf pas ontstaat omdat iemand je ter verantwoording roept. Daarop is mijn werk gebaseerd: het zelf ontstaat in de rechtbank, waar je je moet verantwoorden. Butler betoogt dat mensen pas een verhaal over zichzelf gaan vertellen, dat ze pas zeggen ‘dit ben ik’, als iemand hen ter verantwoording roept.”

Moeten we sceptischer staan tegenover het discours van zelfverwerkelijking?

“We mogen best wat kritischer naar het zelf kijken als we beseffen dat de imperatief ‘je moet jezelf zijn’ teruggaat op onderwerpende instellingen als de rechtbank. Zo bekeken is autonoom zijn, een innerlijk hebben of je ware aard tot uiting laten komen geen daad van vrijheid. Aan de KU Leuven waar ik doceer, is de onderwijsvisie gebaseerd op ‘het toekomstige zelf’. Docenten moeten bedenken wat een ‘toekomstig zelf’ kan inhouden en de lessen daarop richten. Zo stellen we studenten eigenlijk bloot aan een regime dat onderwerpend werkt. Alleen al het idee dat je een bepaalde studie volgt om een bepaald type zelf te ontwikkelen, toont hoe prominent allerlei zelfconcepten in onze samenleving aanwezig zijn en hoe weinig kritisch we daar tegenover staan.”

‘Trials of the Self: Murder, Mayhem and the Remaking of the Mind, 1750-1830' door Elwin Hofman is verschenen bij Manchester University Press (248 blz., € 95).

Lees ook:
Ayahuasca liet Wiggert Meerman weer voelen: ‘We leren om niet van jezelf te houden’

Door het plantenmedicijn te nemen kwam Wiggert Meerman, voorheen werkzaam in de financiële sector, nu als coach, tot zijn ‘ware zelf’. Hij schreef er een bestseller over.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden