Socioloog Kees Vuyk: ‘Succes leidt vaak tot een tunnelvisie, ook bij intelligente mensen: ze erkennen de nadelen niet meer’.

Interview Socioloog Kees Vuyk

We zijn helemaal niet gelijk en dat is niet erg

Socioloog Kees Vuyk: ‘Succes leidt vaak tot een tunnelvisie, ook bij intelligente mensen: ze erkennen de nadelen niet meer’. Beeld Maartje Geels

Gelijke kansen, wie gelooft er niet in? Maar volgens socioloog Kees Vuyk bevordert het gelijkheidsethos een kille samenleving. ‘Limburger- of moeder-zijn is niet meer genoeg’.

Midden in de lichte, witgeschilderde bovenetage waar Kees Vuyk woont, staat een vleugel. Of de socioloog zelf piano speelt? “Ja, hij staat er niet voor de sier.” Maar niet heel goed hoor, geeft hij toe, gewoon verdienstelijk. In zijn ouderlijk huis stond ook een piano, vertelt Vuyk. Voor zijn moeder, geboren in 1913. Zo’n meisje dat te horen krijgt dat ze zou moeten doorleren. Maar dat vond haar vader onzin. Op pianoles, dat mocht wel.

Inmiddels zijn we ruim honderd jaar verder en is de verheffingsgedachte uitgewerkt. Althans, dat betoogt Kees Vuyk (1953) in het boek waarmee hij vorig jaar de Socrates Wisselbeker won, ‘Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal’. Middenstandskinderen als hijzelf (Vuyk stamt uit een familie van boomkwekers) hébben de kans gekregen door te leren. Maar het bijbehorende gelijkheidsideaal heeft ook zijn schaduwkanten. Want wat doen die slimme kinderen? Die trekken weg uit hun klasse, hun omgeving, zoals Vuyk zelf deed. Het gevolg is een braindrain: je krijgt gebieden waar alle talent is weggetrokken en gebieden waar alle slimme mensen bij elkaar klitten. Links heeft daarop geen antwoord, want het zijn niet inkomensverschillen die de achterblijvers steken, maar hun gevoel dat de slimmeriken niets van hen willen weten.

Kees Vuyk speelt dus vleugel, en de muren hangen vol met moderne kunst. Maar een elitaire indruk maakt hij niet, met zijn weinig modieuze spijkerbroek en oude sloffen.  Het stoort hem ook echt, dat iedereen het vwo ingejaagd wordt. Als hij praat over de diploma­-democratie, de druk op kinderen, schieten zijn ogen vuur. Waarom verdoezelen we verschillen in intelligentie? Waarom accepteren we niet dat niet iedereen even goed kan leren? Die vraag houdt hem bezig en vroeg om een opvolger van zijn vorige boek. “Daar zaten nog wat losse eindjes.”

Zoals de kritiek dat intelligentie niet zo makkelijk te definiëren is misschien? Want het ligt er toch aan hoe je dat meet? In zo’n test zitten meestal al vooronderstellingen over wat intelligentie is.

“Eerlijk gezegd ben ik niet zo onder de indruk van die kritiek. Een psychologische test meet leervermogen en dat voorspelt onderwijsprestaties. Dat is vrij betrouwbaar, dacht ik. Wat wel belangrijk is: mensen zullen op een IQ-test niet snel boven hun niveau presteren, maar heel makkelijk eronder. Dus kan veel intelligentie verborgen blijven, bijvoorbeeld als de test niet goed is, of als mensen moe zijn. Maar hoge prestaties zijn wel betrouwbaar.”

Als die kritiek geen doel treft, wat ontbrak er dan aan uw vorige boek?

“Intelligentie is niet alles. Er zijn intelligente mensen die hele domme dingen doen. Denk maar aan die slimme bankiers, die de kredietcrisis niet zagen aankomen. Zelf vind ik plastic een goed voorbeeld. Plastic is een geweldig succesvolle uitvinding: licht, goedkoop, je kunt dingen langer bewaren. Maar het afval krijg je niet meer weg en dat merken we nu pas. Succes leidt vaak tot een tunnelvisie, ook bij intelligente mensen: ze erkennen de nadelen niet meer. Die tunnelvisie zie je ook bij het idee van gelijke kansen voor iedereen. Het leek de oplossing voor alles, maar wat gebeurt er als mensen die kansen niet kunnen waarmaken? Dan kijkt niemand naar ze om.”

U wilde weten hoe diep dat gelijkheidsdenken zit. Toen kwam u uit bij het christendom.

“Een belangrijke bron is inderdaad het christendom. Er zijn een heleboel filosofen die daarop wijzen, ook overtuigde atheïsten zoals Alain Badiou en Slavoj Zizek. Als christen ben je niet in de eerste plaats lid van de gemeenschap, dus knecht-van, of dochter-van, je hebt allereerst een band met God. Die relatie doorkruist sociale verhoudingen, die vaak juist hiërarchisch geordend zijn. In de antieke wereld moet dat heel bevrijdend zijn geweest, want je kon destijds niet zomaar doorgroeien op grond van individueel talent. Dat God jou zag áls individu, dat was een vrij revolutionaire boodschap. Je werd niet langer gedefinieerd door je positie.”

Het heeft anders wel even geduurd voordat het gelijkheidsethos in de praktijk werd gebracht.

“Dat gaat inderdaad met héle kleine stapjes. Maar het idee is best opmerkelijk. Een Japanse filosoof heeft me wel­eens uitgelegd dat in zijn taal geen woord bestaat voor ‘ik’. Er bestaat alleen maar ik-als-dochter of ik-als-baas. Een ‘ik’ zonder sociale verbanden is dan moeilijk denkbaar. Terwijl dat precies is zoals wij het individu zijn gaan zien. Dat is natuurlijk heel belangrijk geweest, maar het is ook een eenzijdig mensbeeld. Want terwijl we dénken los te staan, zijn we intussen enorm bezig met de vraag ‘bij wie hoor ik?’ en ‘wat vinden anderen van mij?’. Je ziet dat ook aan het overheidsbeleid, dat met gemeenschapsverbanden geen rekening houdt.”

Hoezo? Hebt u een voorbeeld?

“Als je nog bij je moeder woont en voor haar zorgt, heb je geen recht op een bijstandsuitkering. Dat heeft natuurlijk best zijn redenen. Maar het stimuleert ons om op eilandjes te gaan leven, want als je alleen gaat wonen krijg je die bijstand wel. Het is best raar dat je dat samenleven verborgen moet houden.”

Voor vrouwen is dit wel een lastig verhaal. Dan hebben ze eindelijk geleerd voor zichzelf op te komen, en dan wordt hun weer verteld trouw aan de gemeenschap te blijven.

“Natuurlijk is emancipatie van het individu heel belangrijk geweest, maar het nadeel is wel dat je alleen nog maar bent wat je zelf van het leven maakt: Limburger- of moeder-zijn is niet genoeg. Je moet je kansen pakken. Als er een conflict is zeggen we tegenwoordig: ga voor jezelf, ga voor je eigen succes. Met andere woorden: laat je niet te veel ophouden door mensen die minder kunnen. Dat is de algehele lijn. Dat zie je in het onderwijs, met al die gymna­siasten. Maar je ziet het ook in relaties. Als mensen scheiden, denken ze dan ook aan de kinderen? We denken niet meer in gemeenschappen en dat roept onvrede op. Dat zie je terug in al die stemmen voor Forum voor Democratie.”

Maar die geloven dan weer in homogene gemeenschappen. Terwijl u ervoor pleit de polarisatie te doorbreken met een nieuw gemeenschapsethos. Daarbij vindt u ook inspiratie in de christelijke traditie, namelijk bij de kerkelijke gemeente.

“De protestante parochie als een niet-hiërarchische gemeenschap die zichzelf bestuurt: dat is echt een vondst geweest. Zo’n gemeente doorbrak de sociale hiërarchie. Want de ouderlingen kwamen uit alle lagen van de bevolking, die konden in de kerk hun talent ontplooien.

“En als het ging om geestelijke zaken, luisterde de fabrieksdirecteur naar de ouderlingen. Als er iemand ziek was, dan regelde je dat met elkaar. Ik denk dat dat best een voorbeeld zou kunnen zijn. Je ziet dat al een beetje bij Buurtzorg. Gewoon: welke mensen hebben we en wie gaat wat doen?”

Een andere inspiratiebron zijn christelijke feesten. Die zou je niet moeten afschaffen, maar verbreden, schrijft u. Met Pasen praten we dan collectief over offers brengen en met Pinksteren over gemeenschap.

“Die christelijke feestdagen, herinneren ons aan onze kwetsbaarheid en feilbaarheid, daarom vind ik ze zo belangrijk. Door Bachs Matthäus Passion denken we na over lijden en offer, daar hoef je niet gelovig voor te zijn. Dat is misschien ook de antropoloog in mij. Dat je weet: we kunnen veel, maar er kan ook veel misgaan. Filosofen beginnen vaak met denken over volwassen individuen, met hun verstand op orde. Maar ik heb kinderpsychologie gestudeerd. We beginnen ons leven als uiterst afhankelijk wezens. Je begint niet als een los individu, integendeel, je klampt je vast aan volwassenen, die heb je ontzettend hard nodig. En dat houdt nooit echt op. Heel veel culturele gewoonten zet je gewoon voort. Dat probeer ik in dit boek te beschrijven, dat de mondige mens een ideaaltype is. Als je iedereen zo ziet, als slim en weerbaar en mondig, breng je mensen toch weer in de problemen.”

Kees Vuyk: De feilbare mens. Waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is. Uitgeverij Ten Have; 224 blz. € 22,99

Lees ook: 

Alicja Gescinska: ‘Hoe weten zij wat ík weet van het volk?’

De Pools-Vlaamse filosofe groeide op in armoede. Maar toen ze zich verkiesbaar stelde voor de EU kreeg ze het verwijt elitair te zijn. “Ik weet hoe moeilijk het is om omhoog te komen, daarom heb ik me kandidaat gesteld.”

Ingrid Robeyns vindt dat rijkdom een moreel probleem is geworden

Rijk word je echt niet alleen omdat je iets verdienstelijks doet, schrijft Robeyn. De juiste talenten, een goede gezondheid, en de juiste opleiding dragen allemaal bij aan wat puur eigen verdienste lijkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden