Het Goede Naomi Ellemers

We maken met z'n allen uit wat goed is

Beeld Daniël Roozendaal

Mensen zijn groepsdieren, ook in hun morele afwegingen, zegt psycholoog Naomi Ellemers. ‘De meeste mensen willen het goede, daar mogen we wat vaker op vertrouwen.’

Vraag Naomi Ellemers iets over het gedrag van de mens, of over diens innerlijke roerselen, en ze zal antwoorden door te verwijzen naar onderzoeken, studies of theorieën, alles zolang het maar binnen de kaders van de wetenschap blijft. Ze is als sociale- en organisatiepsycholoog gespecialiseerd in het functioneren van groepen, en ze heeft geconstateerd dat de moraal daarin een grote motiverende rol speelt. “De meeste mensen staan ’s ochtend op met de bedoeling het goede te doen, en ergens in de loop van de dag blijkt dat dan niet helemaal te lukken.”

Psychologisch is het fascinerend, zegt Ellemers, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, hoe mensen omgaan met de spanning die dit oplevert. “Wij zien in onderzoek dat mensen er veel tijd en energie insteken om het plaatje toch weer kloppend te maken. Niet alleen voor de buitenwereld, ook voor zichzelf.

“We maken in dat onderzoek onder meer gebruik van neurofysiologische metingen, bijvoorbeeld via de bekende ‘badmuts’, een elektroden-cap, waarmee we heel precies kunnen bepalen hoe actief het brein is, op welk moment. En dat combineren we dan weer met wat mensen ons vertellen. Waarbij het vooral interessant is wanneer ze zelf A zeggen, terwijl hun lijf B zegt.”

Is dat wat ons mens maakt, de discrepantie tussen wie we zijn en wie we willen zijn? In de veronderstelling dat andere levende wezen dat niet kennen?

“In elk geval kunnen we het hen niet vragen. Ik denk wel dat het uniek is voor de mens dat wij in taal en in de symboliek van woorden betekenis geven aan gedragingen.

“Mijn collega Frans de Waal doet veel onderzoek met dieren – vooral primaten, dus apen, bonobo’s – om te zien of hun gedragingen ook die van de mens kunnen verklaren, vanuit evolutionair perspectief. Dat verschaft wel een bepaalde onderlaag van overeenkomsten. Maar er is ook nog een bovenlaag, die van de symboliek.“

Wat is dan die symboliek?

“Een voorbeeld dat ik vaak noem: meestal heb je het met je kinderen toch het beste voor, en ben je empathisch: als zij verdriet hebben, heb jij ook verdriet. En toch kunnen er ook situaties zijn waarin je even streng moet zijn. Dat doet mij net zoveel pijn als jou, maar ik doe dat omdat ik het beste met jou voorheb. Mijn gedrag oogt onaardig en weinig empathisch, maar zelf weet ik: dat dient een hogere morele waarde.

“Tegelijkertijd zien we dat mensen dat vaak niet goed van elkaar kunnen inschatten. Laten we mensen in een experiment onderhandelingen voeren over morele waarden die zij belangrijk vinden, dan blijkt dat ze tevoren denken: wij komen daar gemakkelijk uit. Het is duidelijk dat mijn waarden de beste zijn, ik ga dat jou even uitleggen, en dan zijn we klaar. Ze zijn dan volstrekt verrast als de ander, met een tegenovergesteld idee, er precies op dezelfde manier ingaat.”

Zie je dat niet heel sterk in de politiek, waar idealen botsen? Het lijkt alsof het besef dat de ander ook het goede wil, helemaal weg is.

“Dat weet ik niet, in de politiek weet je nooit hoe echt dat gemeend is, soms is het puur strategisch. Maar wat ik interessant vind, is dat mensen bang zijn om te zeggen dat A of B hen nu eenmaal goed uitkomt, of hun eigenbelang dient, en dat ze dan verwijzen naar een ideaal. Ze motiveren hun voorkeur vanuit hun geloof of een hoger doel. Maar daarmee maak je het gesprek met die ander juist moeilijk. Het beperkt de onderhandelingsruimte enorm. Terwijl je er in de politiek wel met z’n tweeën uit moet zien te komen.”

Maar een standpunt kan toch wel degelijk voortvloeien uit een hoger ideaal?

“Het gaat om verschillende niveaus, abstract versus concreet. Bijna alle religies zeggen: heb uw naaste lief. En wat doen ze om dat ideaal te bereiken? Elkaar de hersens inslaan, bij wijze van spreken. Wat je ziet is dat mensen dat concrete gedrag gaan gelijkstellen met het ideaal. De enige manier om daaruit te komen is niet te onderhandelen over het hogere doel, maar over de weg er naartoe. Houd het concreet.”

Heeft ieder mens een ideaalbeeld van zichzelf?

“Afgezien van pathologische gevallen, ja. En we weten uit alle onderzoek dat iedereen dat ideaalbeeld probeert te verwezenlijken, en vaak ook heel goed kan verklaren waarom dat nou vandaag net niet gelukt is. Van onszelf weten we duidelijk dat we het goed bedoelen. Maar van de ander vinden we al snel dat zijn fouten betekenen dat hij een slecht mens is.”

We houden onszelf voor de gek.

“We leven allemaal een beetje op een roze wolk, misschien is dat wel de enige manier, anders raken we aan de anti-depressiva. Je moet een soort onrealistisch beeld hebben van jezelf om door te kunnen gaan.”

Is het dan de taak van de psychologie om ons een beetje onrealisme bij te brengen?

“Niet om dat bij te brengen, maar om te begrijpen hoe het werkt. Het is een functioneel overlevingsmechanisme. En je hebt zo’n ideaalbeeld ook nodig bij wijze van inspiratie. Vragen wij mensen stil te staan bij hun fouten en hoe dat allemaal is misgegaan, dan zien we in een patroon van bedreiging waardoor mensen alleen maar gaan ontkennen of verdedigen wat ze gedaan hebben. Soms kun je beter kijken hoe je dat kunt ombuigen naar wat ik de verbeterstand noem.

“Kijk nou eens naar de toekomst; we weten dat niet altijd alles goed gaat, maar het is toch goed een ideaal te hebben en te proberen daar zo dicht mogelijk bij te komen. Dan zien we dat het lijf dat ervaart als een positieve uitdaging. Dat werkt veel beter dan het slechte steeds maar te benadrukken.”

Wie is Naomi Ellemers?

Naomi Ellemers (Amsterdam, 1963) is sociale- en organisatiepsycholoog en Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Utrecht. Ze studeerde in Groningen, waar ze ook promoveerde, en was eerder hoogleraar in Leiden. In 2010 kreeg ze de prestigieuze Spinozaprijs. Ellemers is lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en van de Raad van Commissarissen van PwC Nederland. Ze publiceerde onder meer het boek ‘Morality and the Regulation of Social Behavior’.

We appeleren te veel aan het negatieve?

“Ja, als het gaat om beïnvloeding van mensen denken we toch vooral in termen van wetten, controles, sancties, boetes. Daar zit een impliciet psychologisch model achter, wat volgens mij niet helemaal klopt met de actuele stand van zaken in de wetenschap.

“Als je dat zegt, vindt men je te slap, maar ik weet uit alle studies niet anders dan dat mijn schoonmoeder gelijk heeft: je kunt beter vliegen vangen met stroop dan met azijn. Wat zou er verkeerd aan zijn om mensen te stimuleren het goede te doen?”

Hoe weten we wat het goede is?

“De evolutionaire verklaring zegt: mensen zijn groepsdieren, ze hebben elkaar nodig, dus zijn er bepaalde principes nodig om het gemeenschapsleven in stand te houden. En die principes gaan heel vaak boven jezelf uit.”

En het geweten?

“Ook dan kan ik alleen verwijzen naar mijn eigen vakgebied, naar het onderzoek dat wordt gedaan, en dan zien we dat er een belangrijk sociaal stelsel is, een sociaal normenstelsel. Mensen internaliseren dat, zonder zich altijd te realiseren waar het vandaan komt. Het is gebaseerd op universele principes, in die zin dat overal waar leefgemeenschappen zijn, er soortgelijke leefregels gelden, maar hoe we die vormgeven verschilt zeer naar gelang van tijd, plaats en cultuur.”

Toch zijn er ook eigenwijze types, dissidenten, die zich keren tegen wat binnen hun gemeenschap als norm geldt.

“Maar ze verhouden zich wel tot de groep, ook als ze proberen de hele meute een stukje de goede kant op te laten bewegen. Het blijven sociale dieren. Ze houden ons een spiegel voor, het zijn de do-gooders die zeggen: oh, eten jullie nog vlees, ik alleen maar vegetarisch. Mensen die iets beter kunnen dan wij worden vaak als voorbeeld gezien, maar in het morele domein vinden we mensen die het beter doen eerder bedreigend: ze confronteren ons met ons eigen tekortschieten.”

Als de moraal ons door de groep wordt aangeleerd, hebben we dan nog wel een persoonlijke verantwoordelijkheid?

“In onze individualistische cultuur ben je wel verantwoordelijk voor je daden, ook al komen ze voort uit een sociale norm of was het de buurvrouw die zei dat je het moest doen. Maar het is wel ingewikkeld. Neem bijvoorbeeld de zaak tegen de ING, wegens witwassen.

“Ons hele rechtssysteem is erop gebouwd zaken te herleiden tot individuen, die dan aansprakelijk kunnen worden gesteld, maar hier was dat onmogelijk: het was eigenlijk het hele systeem. Juridisch is dat lastig, maar psychologisch is het helder: het is evident dat mensen beïnvloed worden door hun omgeving. Dat betekent niet dat ze minder verantwoordelijk zijn, maar wel dat de omgeving medeverantwoordelijk of medeplichtig is. In het bedrijfsleven wordt de schuld vaak naar één persoon geschoven, die heeft het gedaan en de rest heeft er niets mee te maken. Dat vind ik jammer, want dan krijg je dus geen leerproces en wordt de vraag niet gesteld of er iets zit in de manier van zakendoen waardoor het zover heeft kunnen komen.”

Hoe groter de organisatie, hoe minder mensen zich verantwoordelijk voelen. Of mogen zijn.

“Maar wanneer raken mensen extra gemotiveerd of bevlogen? Juist als ze zich wél verantwoordelijk voelen voor het grotere geheel. Wat je ziet is een tegenstrijdige beweging: enerzijds willen we dat mensen zeer betrokken zijn, anderzijds vertrouwen we er niet op dat dat gebeurt, en wordt alles strak gereguleerd en gecontroleerd.

“Als je wilt dat mensen boven zichzelf uitstijgen, dan moet je ze die grotere verantwoordelijkheid en vrijheid geven en voor lief nemen dat ze af en toe iets bedenken dat eigenlijk niet de bedoeling was. Controle wordt gevoed vanuit een negatief mensbeeld, terwijl uit alle onderzoeken en alle literatuur die ik ken, blijkt dat het vaker andersom is. De meeste mensen willen het goede, en we zijn erbij gebaat daar wat vaker op te vertrouwen.”

Het goede

“We hebben mensen nodig die het goede zoeken, en dat is meer dan wat niet verboden is.” Met die conclusie besloot Stevo Akkerman zijn boek ‘Het klopt wel, maar het deugt niet’, gebaseerd op een reeks Trouw-interviews over de maatschappelijke moraal. Het leidde vanzelf tot de vraag: maar wat is dan goed? Stevo Akkerman laat daarover vooraanstaande denkers aan het woord.

Lees ook:

In eerdere afleveringen in deze reeks sprak Stevo Akkerman met schrijver Arnon Grunberg, filosoof Eva Meijer, theoloog Rowan Williams, politiek filosoof Sybe Schaap en psycholoog Jindirch Kabát.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden