Essay

Wat je vindt is niet wie je bent

Beeld Getty Images

Goed voornemen: eerlijk zijn over jezelf. Maar is dat wel zo’n goed idee?

In mijn laatste jaar op de lagere school had de meester op een vrijdagmiddag eens het plan opgevat om in plaats van psalmen te zingen de klas te leren discussiëren. Ik had die dagen veel zelfvertrouwen. Zeker als je het vergeleek met de onzekerheid die me de jaren ervoor had geteisterd.

Ik stond inmiddels zelfs graag in de aandacht, hield van grappen, stuntte met mijn skateboard, was het vriendje van misschien wel het leukste meisje uit de klas en kon ook aardig leren. Maar al zat ik dan goed in mijn vel, het stellen of beantwoorden van een vraag voor een verder stille klas was nog altijd niet gemakkelijk. Dus toen de vraag kwam wie er met twee anderen de stelling wilde verdedigen tegen kernwapens, wilde ik wel maar durfde niet.

Mijn beste vriend, Martin Zevenhuizen, deed het wel en probeerde mij over te halen. Ik schudde m’n hoofd. Toen Martin zich met zijn groepje op de gang ging voorbereiden, kreeg ik nog een kans. Wie wilde de stelling vóór kernwapens verdedigen? Toen er maar twee hun vinger opstaken, trok ik de stoute schoenen aan en voegde mij bij het groepje met daarin ook de slimste jongen uit de klas.

Het liep uit op een teleurstelling. Bij ons strategisch overleg kwam ik nog goed uit mijn woorden, maar voor de zwijgende klas ging elke poging tot een zin met mijn woorden aan de haal. Ik schoof steeds verder naar achteren en liet ten slotte de eloquente bolleboos alle kastanjes uit het vuur halen.

Dat mijn beste vriend zeker twee weken niet meer met mij sprak, omdat ik blijkbaar retoriek verkoos boven wereldvrede, zat mij minder dwars dan het stomme feit dat ik mijn gedachten niet op een rijtje had kunnen krijgen onder druk van de omstandigheden.

Jezelf blijven

Kun je goed jezelf blijven in gezelschap? Het is zo’n vraag die op het eerste gezicht over ontmaskerende kwaliteiten beschikt. Want terwijl je nadenkt over een antwoord stel je je ontegenzeggelijk een situatie voor waarbij je niet helemaal durfde te zeggen wat je dacht. Waar of niet? Een ‘sturende’ vraag. Maar welke vraag is dat niet - deze toch ook? En dus, zolang niemand een pistool op je slaap zet, moeten we ons misschien maar niet al te veel aantrekken van het sturende karakter van een vraag. 

Je kunt immers met je antwoord nog vrijwel alle kanten op, bijvoorbeeld door de tegenvraag te stellen: wanneer anders dan in gezelschap zou je jezelf moeten blijven? Je vraagt toch ook niet of ik mezelf kan blijven als ik alleen ben? En wie kan er eigenlijk wel zichzelf blijven in gezelschap? Bovendien, waarom moet ik mezelf blijven in gezelschap? Is het gezelschap erbij gebaat als ik de hele tijd maar mezelf blijf? Ben ík erbij gebaat? En, afgezaagd maar volkomen terecht: wat bedoel je met ‘jezelf blijven’?

Omslag ‘Vragen van Proust’

Om daar maar mee te beginnen: wat is ‘jezelf blijven’? Vraag 14 in de vragenlijst van Proust stelt deze kwestie onbedoeld aan de orde: ‘Wie zou je willen zijn als je niet jezelf was?’ Het is natuurlijk de bedoeling van deze vraag dat het antwoord iets over jezelf zegt, over je rechtschapenheid (Mandela!), je afgunst (Messi!) of je ijdelheid (m’n vriendin!), maar waar het mij nu om gaat, is dat de vraag iets blootlegt wat voor alle mensen geldt: we zijn nooit helemaal onszelf.

Jezelf zien als iemand die iemand anders zou kunnen zijn, is al iemand zien die iemand anders ís. Want om naar jezelf te kijken, moet je ten minste een beetje afstand doen van jezelf. De mens is, zoals Nietzsche het zo raak formuleerde, het nog niet vastgestelde dier. Dat klinkt niet erg standvastig, maar dat maakt ons van alle dieren wel meteen tot het sociaalste dier. Kortom: de mens is het meest zichzelf als hij zich sociaal gewenst gedraagt. Het is dan ook te hopen dat niemand zichzelf blijft in gezelschap, maar zich aanpast aan zijn gezelschap.

Zoiets bedoelen we natuurlijk niet met ‘jezelf blijven’. Maar wat we er zeker niet mee bedoelen, is altijd ‘dezelfde te blijven’. En laten we daarom de gedachte dat we nooit helemaal onszelf zijn in het achterhoofd houden als we elkaar bevragen met het doel om waarheden van welke aard dan ook op het spoor te komen. Iets wat mensen doen, de hele dag door.

Verlangen

Wat willen we eigenlijk als we iets vragen? Als we het antwoord daarop al zouden hebben, zou het geen vraag meer zijn. Als ik precies weet wat ik wil weten, heeft het geen zin om er nog naar te vragen. Wat we wel weten, is dat we iets willen wat we niet hebben. Vragen is verlangen. Wie vraagt, mist iets, vaak zonder te weten wat.

We weten nog iets zeker als we iets vragen: een vraag spreekt niet alleen het verlangen uit om iets te krijgen (aandacht, een oplossing, de boter), ze is ook altijd een verlangen naar iemand die het antwoord kan geven. In iedere vraag ligt zodoende het verlangen naar de ander besloten - dat kan ook de ander in jezelf zijn die we ook wel zouden willen zijn.

Volgens de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) zijn alle taaluitingen op een of andere manier modificaties van de wisselwerking tussen vraag en antwoord. En als dat waar is - en waarom zou dat niet waar zijn?! - kunnen we concluderen dat het verlangen aan het begin staat van alle taal. “In de taal raken verwachting en vervulling elkaar”, schreef Ludwig Wittgenstein hierover.

Dat klinkt allemaal heel mooi, maar het verklaart vooral veel van ons sociaal ongemak. Het is niet alleen zo dat woorden nooit helemaal de lading dekken, de gebruiker van de taal is ipso facto een vrager, en wil dus iets wat hij niet heeft en heeft altijd een ander nodig.

Deze afhankelijkheid is in onze tijd hachelijker dan ooit, omdat voor het eerst in de geschiedenis de afspraak bestaat dat ieders mening er evenveel toe doet. De mijne niet meer dan de jouwe, al zou je dat misschien niet zeggen nu je dit zo secuur zit te lezen, maar goed. Sinds Immanuel Kant de mens in 1784 heeft aangemoedigd zelf te denken (Sapere aude!) en zich los te maken ‘uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft’, mogen we niet alleen alles zelf bedenken maar móéten we het allemaal ook zelf doen. Dan is autoriteit een lastig ding geworden. En vragen stellen al helemaal. Elke vraag, benadrukt Gadamer, “is een bekentenis van onwetendheid en voor zover deze aan een ander is gesteld ook de erkenning van andermans eventuele superieure kennis”.

Toen de macht over kennis nog duidelijk verdeeld was over klasse, standen, instituten en kerken, wisten we wat we wel en niet konden vragen en wel en niet konden weten. Onze meningen hoefden we niet zelf te bedenken, want ze kwamen tegelijk met de gebruiken die hoorden bij onze afkomst. Nu we zelf overal een antwoord op mogen geven, worden we geacht autonoom te zijn, baas over onze eigen gedachten. Deze autonomie lijkt op gespannen voet te staan met de onwetendheid en afhankelijkheid die het stellen van vragen veronderstelt. En het liefst verschuilen we ons daarom weer achter nieuwe machten, nieuwe meesters. Uit onderzoek blijkt, zeggen we dan, en we noemen onszelf ‘leken’ (waarmee oorspronkelijk de niet-geestelijke gelovige werd aangeduid).

Filosoferen

Ik bezoek weleens een basisschool om daar met kinderen te filosoferen over de vraag hoe lang oneindigheid duurt of over de vraag of er ook niets zou kunnen zijn. De meesters en juffen staan zonder uitzondering versteld over vragen die hun kinderen stellen en de coherente gedachten die ze weten te formuleren. Ook de anders zo stille kinderen. “Ik durf dat niet aan”, zei een juf een keer tegen mij, “ik weet te weinig van filosofie om overal een goed antwoord op te kunnen geven.”

Je hoeft maar heel weinig van filosofie te weten om te weten dat je niets hoeft te weten om te kunnen filosoferen. Omdat je helemaal geen antwoorden hoeft te geven, maar telkens weer een nieuwe vraag moet stellen.

Van Plato wordt beweerd dat het allemaal pure retoriek is, de vragen die zijn leermeester en personage Socrates stelt. Dat de dialoog feitelijk een monoloog is, waarin hij ons vertelt hoe de wereld in elkaar zit. Maar dan lezen we Plato niet aandachtig genoeg volgens Gadamer, want “zelfs waar Socrates alle fundamentele elementen van een probleem opsomt, krijgt dit niet het karakter van een instructie, een poging de ander te domineren, alsof Socrates alles zou weten”. 

Het vragen van Socrates is er juist op gericht “het voor de ander mogelijk te maken dat zijn eigen innerlijke activiteit wordt gewekt”. Zoals bijvoorbeeld de vraag doet die Socrates aan Phaedrus stelt over het zelf. “Denk jij dat je het wezenlijke van een ziel behoorlijk kunt begrijpen zonder het wezenlijke van héél de ziel te begrijpen?” Wie zich deze vraagt stelt, weet dat het eenvoudige antwoord ‘nee’ is, maar snapt ook meteen meer van de paradox van zelfkennis. We proberen ons ‘zelf’ te begrijpen alsof het een orgaan is dat te bestuderen is als onderdeel van een lichaam, maar omdat we dat ‘lichaam’ nooit in zijn geheel krijgen te zien, houden we noodzakelijk een blinde vlek in ons zelfbeeld.

Dit is wat we feitelijk doen als we elkaar vragen stellen. Het gaat ons niet om de antwoorden. We zoomen in op de onherroepelijke blinde vlekken in onze kennis, om zo wat we wel weten beter te snappen. En tussen al dat gevraag door lopen we onverwacht toch tegen een harde waarheid aan, namelijk dat we nooit helemaal baas over onze eigen gedachten zullen zijn. Jezelf blijven in het onophoudelijke spel van vraag en antwoord dat onze taal is, is niet hetzelfde als jezelf onder controle hebben of weten wie je bent.

Liegen, bedriegen en bedenken

“Vraag waarom men links, rechts, liberaal, humanist, christelijk of kunstliefhebber is en je krijgt een baaierd van antwoorden die allemaal hetzelfde zeggen: mijn gevoel zegt me dat ik zo moet zijn”, aldus Marcel Möring in zijn nawoord bij de ‘Lastige vragen’ van de Zwitserse schrijver Max Frisch - een andere beroemde vragenlijst. “Bijna niemand bouwt zijn persoonlijke filosofie op door zichzelf de vraag te stellen hoe de wereld beschouwd moet worden en welk houding daaruit dient te volgen. Mensen hebben overtuigingen zoals ze hobby’s hebben: om onduidelijke redenen, omdat hun ouders zo (of juist niet zo) waren, omdat ze comfortabel zijn.”

En zo is het. We liegen, bedriegen en bedenken van alles bij elkaar, maar de waarheid over de mens valt niet toe te dekken. De vragen van Frisch en van Proust hoeven niet eerlijk te worden ingevuld om zo toch ware antwoorden op te leveren. ‘Hebt u gevoel voor humor als u alleen bent?’, vraagt Frisch bijvoorbeeld. Het maakt niet uit of ik eerlijk ben, de vraag dwingt me sowieso om me te buigen over de waarheid van humor en de onwaarheid van het autonome zelf.

Filosoof Coen Simon Beeld Patrick Post

Iedereen weet diep vanbinnen dat hij nooit helemaal zichzelf is en ook nooit helemaal eerlijk is. Waar of niet? Beweer gerust iets anders. Om desondanks toch jezelf te kunnen blijven onder alle andere sociale dieren, moet je niet denken dat wat je vindt, ook is wie je bent. Je identiteit verraadt zich toch wel, zoals een handschrift vaak meer over iemand zegt dan het geschrevene. Eerlijkheid is niet hetzelfde als de waarheid.

‘Wat is je huidige gemoedstoestand?’, luidt vraag 32 van Proust. Mijn tegenvraag is: Kun je hierop antwoord geven zonder rekening te houden met degene aan wie je antwoordt? Eerlijk zeggen.

Coen Simon (1972) is filosoof. Voor Trouw schreef hij de rubriek ‘Filosoferen is makkelijker als je denkt’. Dit essay is de inleiding op ‘Vragen van Proust. Meer zelfinzicht met de beroemde vragenlijst’ dat deze week verschijnt bij Atlas Contact.

Lees ook:

Aan de hand van Proust een plattegrond van je eigen geest tekenen, het kan nu

Jezelf de juiste vragen stellen helpt om beter te weten hoe je in elkaar steekt. Dat wist de Franse schrijver en denker Marcel Proust als geen ander toen hij een vragenlijst bedacht, die nog steeds actueel is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden