Filosofisch Efltal Burn-outs

Waarom is de burn-out zo’n groot probleem geworden?

Burn-out is een groot fenomeen geworden, hoe komt dat eigenlijk? We zijn de collectiviteit kwijtgeraakt en op onszelf teruggeworpen, zegt het filosofisch elftal.

Het fenomeen burn-out heeft zich de laatste jaren stevig gemanifesteerd als beroepsziekte. Vlak voor de jaarwisseling stuurde staatssecretaris Tamara van Ark een brief naar de Tweede Kamer over de aanpak van burn-outs. Daarin stelt ze dat de verantwoordelijkheid om werknemers hiertegen te beschermen primair bij de werkgever ligt. Bedrijfsarts Peter Ribbens stelde daarentegen eerder deze week in deze krant dat die verantwoordelijkheid primair bij de werknemers zelf ligt. Hoe komt het dat de burn-out zo’n groot fenomeen is geworden, en wat valt daartegen te doen? En hoe zit het met die verantwoordelijkheid?

“Er is steeds meer op de schouders van het werkende individu gekomen”, zegt Marli Huijer, hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit. “Meer marktwerking en het daarbij passende flexibele werken, hebben tot een enorme ondermijning van de sociale cohesie geleid. Het gevolg: mensen zijn steeds meer op zichzelf teruggeworpen om te kijken hoe hard ze werken. Vroeger verdedigde je met z’n allen de belangen, bijvoorbeeld middels vakbonden. Maar nu concurreert ieder voor zich om tijdelijke contracten. De collectiviteit valt daarmee uiteen, en jonge mensen werken zich een slag in de rondte. Het uiteenvallen van die gemeenschappelijkheid zorgt ervoor dat mensen zich alleen voelen staan. Het leidt zelfs tot existentiële onzekerheid: je weet niet of je dat volgende tijdelijke contract krijgt, of een andere postbezorger nóg meer gratis overuren draait of dat een andere freelancer net iets beter is. Iedereen staat er in zijn eentje voor. Of zoals wetenschapsfilosoof Trudy Dehue zegt: ieder mens heeft de plicht gekregen het eigen lot in de hand te nemen.”

Fleur Jongepier, docent toegepaste ethiek en onderzoeker aan de Radboud Universiteit: “Dat zie je ook terug in het idee dat de werknemer zelf meer regie moet nemen om een burn-out te voorkomen, middels een stevig gesprek met de baas of een cursusje mindfulness. In de gezondheidszorg zie je ook steeds meer een verschuiving naar zelfmanagement. Het is legitiem om je eigen situatie op deze manier te erkennen, maar we pakken op deze manier de werkelijke oorzaak niet aan: we moeten simpelweg te veel ballen hooghouden. Collectief in verzet komen tegen de hoge werkdruk, zoals WOinActie bijvoorbeeld doet, is daarom nodig. En een collectivistische zelfregie lijkt mij een beter idee. Ook directe collega’s kunnen in de gaten houden of het goed gaat met de mensen om hen heen.”

Huijer: “In die zin zijn we weer terug bij Marx: er is collectieve macht nodig om de werknemers een beter bestaan te geven. Toen ik begon met werken, had je vaste werktijden en in het weekend was je vrij. Die houvast is weg, en in ruil daarvoor is de illusie gekomen dat je bij een flexibele baan de vrijheid hebt om zelf te bepalen wanneer jij werkt. Maar de realiteit is meestal dat je te pas en te onpas bereikbaar moet zijn, waardoor je juist onvrijer bent.”

Een publicatie van onderzoeksbureau TNO over burn-outs, de aanleiding voor Van Arks brief naar de Tweede Kamer, wijst gebrek aan autonomie op de werkvloer ook aan als belangrijke burn-outoorzaak. Er wordt gesteld dat in de jaren zestig, zeventig en tachtig eveneens sprake was van dit gebrek, maar dat werknemers toen nauwelijks uitvielen. Dat zou deels komen doordat de aandoening burn-out toen minder bekend was. Denker des Vaderlands Daan Roovers wees vorig jaar in een interview in Trouw op iets soortgelijks. Ze stelde dat sommige jongeren zijn gaan geloven in de termen waarin zij spreken – burn-out, stress, druk, angst – en die termen zo een selffulfilling prophecy kunnen worden.

Jongepier: “Wat nieuw vocabulaire kan doen met je ervaring is een interessante discussie in de filosofie. Je zou kunnen zeggen: vroeger bestond de burn-out niet, nu wel en opeens heeft iedereen burn-outklachten, terwijl we daar vroeger geen last van hadden. Maar neem bijvoorbeeld de term ongewenste intimiteiten of sexual harassment. Die bestond vroeger ook niet. Vrouwenbewegingen in de jaren zestig zijn bewust op zoek gegaan naar een nieuwe term, om uitdrukking te geven aan seksueel gedrag dat noch flirten noch verkrachting was. Daardoor was er natuurlijk niet ineens sprake van meer ongewenste intimiteiten, maar wel van meer meldingen. Het nieuwe vocabulaire maakte mogelijk dat vrouwen hun ervaringen onder woorden konden brengen en beter konden monitoren. Net zoals mensen dankzij de term burn-out beter doorhebben dat ze de werkdruk en stress niet meer aankunnen, en de signalen van hun lichamen beter oppikken.”

Huijer: “Vaak wordt geprobeerd om van een burn-out een individueel probleem te maken: jij kunt de werkdruk niet aan. Terwijl de werkgever er verantwoordelijk voor is. Luc Boltanski en Eve Chiapello, twee Franse sociologen, laten in ‘De nieuwe geest van het kapitalisme’ zien dat managers zich begin jaren negentig afvroegen: hoe kan het dat de hippiegeneratie keihard is gaan werken – in macrobiotische winkeltjes en dergelijke – terwijl ze tegen de loonslaafmoraal van hun ouders waren? Het antwoord is dat ze geloofden in het ideaal en het gevoel hadden dat ze zichzelf verwerkelijkten. Toen hebben managers gezegd: dat ideaal gaan we doorvoeren in de bedrijfsstructuur. We benaderen werknemers als creatieve individuen die zelf verantwoordelijk zijn voor de organisatie van hun werk, en het draait allemaal om zelfverwerkelijking. Onder het mom van ‘ik ontwikkel mezelf’ werken mensen zich nu kapot.”

Jongepier: “Daarom begrijp ik dat de zelfregiekaart soms wordt gespeeld. En inderdaad is het belangrijk om je af te vragen: hoe belangrijk vind ik mijn werk en hoeveel ben ik bereid daarvoor op te geven? Tegelijkertijd moeten we inzien dat deze reflectieve stap gemaakt kan worden door degenen die zich dat kunnen permitteren, zoals mensen met een goedbetaalde vaste baan die niet tegen een burn-out aanzitten. Dat is precies de tragiek.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf.

Lees ook:

Niemand durft nog ‘ik’ te zeggen

Jongeren zeggen dat ze te druk voor iets zijn, niet - eerlijk - dat ze liever in bad gaan liggen. Denker des Vaderlands Daan Roovers probeert te doorgronden waarom studenten zo vaak kampen met burn-outklachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden