EssayJames Martin

Waar is God in deze pandemie?

Beeld AP

Wat God met de coronacrisis te maken heeft? Het eerlijke antwoord volgens priester James Martin: dat weten we niet. 

 Afgelopen zomer moest ik worden bestraald. Elke keer dat ik in het ziekenhuis in New York naar de afdeling ‘radiologie oncologie’ liep, leek het alsof mijn hart oversloeg. Ik zelf liep weinig gevaar (het was een goedaardige tumor, en ja, soms is daar toch bestraling voor nodig), maar ik ontmoette dagelijks mensen die dichtbij de dood waren.

Zes weken lang hield ik elke werkdag een taxi staande. “Naar de hoek van de 68ste straat en York Avenue, alstublieft.” Daar aangekomen stapte ik altijd eerst even een nabijgelegen kerk binnen om te bidden. Als ik vervolgens door het ziekenhuis liep, passeerde ik kankerpatiënten die hun haar waren verloren, vermoeide ouderen in rolstoelen, voortgeduwd door hun verzorgers, of patiënten die net een zware operatie achter de rug hadden. En er liepen ook bedrijvige artsen, vriendelijke verpleegkundigen, en vele anderen, allemaal in ogenschijnlijk perfecte gezondheid.

Op een van die dagen realiseerde ik me: we zijn allemaal onderweg naar de hoek van de 68ste straat en York Avenue, alleen hebben we onze afspraak allemaal op een ander tijdstip.

Wie is James Martin?

James Martin is een Amerikaanse jezuïet en priester. Hij werkt bij het katholieke tijdschrift America. Ook is hij adviseur van het Vaticaanse Secretariaat voor Communicatie en treedt hij regelmatig op in Amerikaanse televisieprogramma’s om ontwikkelingen in de katholieke kerk te duiden. Hij schreef meer dan tien boeken waarvan er een paar bestsellers werden in Amerika. In Nederland verscheen in 2018 zijn boek ‘Een brug bouwen’, waarin hij een betere positie van lhbt’ers in de rooms-katholieke kerk bepleit.

In een horrorfilm

In de afgelopen paar weken heeft bij miljoenen mensen de vrees post gevat dat ze ineens in een angstaanjagend tempo op hun afspraak afstevenen, met dank aan het coronavirus. De pure horror van dit zich voortrazende virus gaat gepaard met de bijna fysieke schok van het plotselinge begin ervan. Als priester ben ik intussen geconfronteerd met een lawine aan emoties: paniek, angst, woede, verdriet, verwarring en wanhoop. Ik heb het gevoel dat ik in een horrorfilm ben beland, maar dan van het soort dat je instinctief wil uitzetten, omdat het té heftig is. Zelfs de meest religieuze mensen vragen me: waarom gebeurt dit? En: waar is God in dit alles?

Dat is feitelijk dezelfde vraag die mensen stellen als een orkaan honderden levens eist, of als een kind sterft aan kanker. Het is de vraag naar ‘het probleem van het lijden’, ‘het mysterie van het kwaad’, of de ‘theodicee’. En het is een vraag waar gelovigen en theologen al millennia mee worstelen.

De vraag naar het ‘natuurlijke’ lijden, zoals ziekten en natuurrampen, verschilt van die naar het ‘morele kwaad’, waarbij lijden voortvloeit uit het handelen van individuen – denk aan Hitler en Stalin. Maar los van dat soort theologische onderscheid: miljoenen gelovigen worstelen op dit moment met almaar stijgende sterftecijfers, met verhalen van artsen die keuzes moeten maken tussen welke patiënten behandeld kunnen worden en welke niet, met beelden van lange rijen met doodskisten. Waarom?

De eeuwen door zijn er vele antwoorden geformuleerd op de vraag naar het natuurlijke lijden, elk met hun eigen gebrek. Het meest gehoorde antwoord is dat lijden een test is. Lijden test ons geloof en maakt het sterker. In de brief van Jacobus, in het Nieuwe Testament, staat: ‘Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat. Want u weet: wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid.’

De lege metrohal in het financiële disctrict van New York.Beeld AP

Geen monsterlijke god

Lijden als test – dat volstaat misschien als het om kleinere problemen gaat (geduld dat op de proef wordt gesteld door het irritante gedrag van een ander, bijvoorbeeld), maar die verklaring schiet tekort als het om de echt moeilijke zaken gaat die mensen kunnen meemaken. Stuurt God kanker om een kind op de proef te stellen? Ja, de ouders van dat kind kunnen misschien iets leren over volharding of geloof, maar voor het overige maakt deze benadering van het lijden God tot een monster.

Hetzelfde geldt voor de redenering dat lijden een straf voor de zonde is, een overtuiging die onder sommige gelovigen nog steeds gangbaar is (die gelovigen zeggen dan doorgaans dat God mensen of groepen straft die gedrag vertonen dat ze zelf afkeuren). Jezus zelf verwerpt deze manier van denken.

Het Johannes-evangelie beschrijft zijn ontmoeting met een blinde man. Jezus krijgt de vraag: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ Jezus antwoordt: ‘Hij niet en zijn ouders ook niet.’ Zeer resoluut verwerpt Jezus daarmee het beeld van de monsterlijke God. In het evangelie van Lucas doet hij iets vergelijkbaars. Onder verwijzing naar een stenen toren die was ingestort en waarbij achttien mensen omkwamen, zegt hij: ‘Denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg ik jullie.’

De verwarring voor gelovigen zit vervat in wat wel het ‘inconsistente drietal’ wordt genoemd. Dat laat zich als volgt samenvatten: God is almachtig, en daardoor kan God lijden voorkomen. Maar God voorkomt het lijden niet. Daarom is God óf niet almachtig óf niet liefdevol.

Uiteindelijk is het eerlijkste antwoord op de vraag waarom het Covid-19-virus duizenden mensen doodt, waarom besmettelijke ziekten de mensheid teisteren, en waarom er überhaupt lijden is: we weten het niet. Voor mij is dat het eerlijkste en het nauwkeurigste antwoord.

Je zou nog kunnen zeggen dat virussen nou eenmaal deel uitmaken van de natuurlijke wereld en in zekere zin bijdragen aan het leven, maar deze benadering schiet volstrekt tekort als je in gesprek gaat met iemand die net een vriend of geliefde verloren heeft. Een belangrijke vraag voor de gelovige in deze tijden van lijden is deze: kun je geloven in een God die je niet begrijpt?

Als het mysterie van het lijden onoplosbaar is, waar kun je je als gelovige in tijden als deze dan nog tot wenden? Voor christenen en wellicht ook voor anderen is het antwoord op die vraag: tot Jezus.

Christenen geloven dat Jezus volledig goddelijk en volledig menselijk is. Maar soms zien we dat tweede over het hoofd. Jezus van Nazareth werd geboren in een zieke wereld. In haar boek ‘Stone and Dung, Oild and Spit’, over het dagelijks leven in het Galilea uit de eerste eeuw, noemt Jodi Magness, kenner van het vroege jodendom, de tijd waarin Jezus leefde ‘smerig, stinkend en ongezond’. John Dominic Crossan en Jonathan L. Reed – beiden gespecialiseerd in de historische achtergrond van het leven van Jezus – vatten in hun boek ‘Excavating Jesus’ die omstandigheden samen in een ontnuchterende zin: ‘Een geval van griep, een zware verkoudheid of een ontstoken kies kon al dodelijk zijn.’ Dat was Jezus’ leefwereld.

Theoloog en filosoof Gerko Tempelman (u zou hem kunnen kennen van dit boek, dat werd genomineerd als beste theologische boek van 2019) maakte een serie korte fimpjes over God in tijden van corona - zie de introductie hierboven. Daarin gaat hij in op vragen als: Waarom zou God corona laten gebeuren? Kan religie hoop bieden in tijden van corona? En wat kan geloven als leren over de omgang met lijden? 

Bidden tot iemand die ze begrijpt

Bovendien zocht Jezus tijdens zijn publieke leven voortdurend de zieken op. De meeste van de wonderen die hij verrichtte waren genezingen van ziekten en handicaps: slopende huidaandoeningen (in de categorie ‘melaatsheid’), epilepsie, een vrouw die bloed vloeide, een verdorde hand, waterzucht, blindheid, doofheid, verlamming. In deze beangstigende tijden zou het christenen kunnen troosten dat als ze tot Jezus bidden, ze dan bidden tot iemand die hen begrijpt. Niet alleen omdat hij goddelijk en alwetend is, maar ook omdat hij menselijk is en al deze ellende heeft meegemaakt.

Maar ook wie geen christen is, zou Jezus kunnen zien als een voorbeeld voor hoe we met zieken moeten omgaan. Het spreekt voor zich dat als je zorgt voor iemand met het coronavirus je de juiste voorzorgsmaatregelen moet treffen, zodat het virus niet verder wordt verspreid. Maar voor Jezus was de zieke en de stervende niet de ‘ander’, niet iemand die ergens schuldig aan was. De zieke is onze broeder en zuster. Als Jezus iemand in nood zag – zo vertellen de evangeliën – was zijn hart ’bewogen door medelijden’. Jezus is een voorbeeld voor hoe we in deze crisis voor de ander moeten zorgen: bewogen door medelijden.

Telkens wanneer ik ging bidden in die kerk op de hoek van de 68ste straat en York Avenue, stond ik even stil bij een beeld van Jezus. Zijn armen gespreid, zijn hart opengesteld. Het was gewoon een gipsen beeld, bepaald geen grote kunst, maar het betekende veel voor me. Ik begrijp niet waarom er mensen sterven, maar ik kan wel degene volgen die me laat zien hoe ik kan leven.

Lees ook:

Het RIVM heeft de plaats van God ingenomen

In vroeger tijden wendde de mens in tijden van ziekte zich tot God en kerk. Kan het geloof ook nu - in corona-tijden - een uitweg bieden, vroeg ons theologisch elftal zich af.

Lees ook:

Hoe leer je de katholieke kerk van homo’s te houden? Priester James Martin legt het uit

De Amerikaanse priester James Martin schreef een controversieel boek waarin hij de katholieke kerk en de homogemeenschap oproept om de dialoog met elkaar aan te gaan. Lees hier het interview dat Stijn Fens met Martin had. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden