EssayPreken van leken

Vrijmoedig, alsof ze weer de eerste vragen stellen

null Beeld colourbox
Beeld colourbox

Wat was het een goed idee om columnisten, wetenschappers en kunstenaars te vragen om de kansel te beklimmen, schrijft Stephan Sanders. Onlangs verschenen twee bundels met preken van leken.

Een preek wil gehoord worden, en uitgesproken. Preken is performatief. Iemand kan een preek voorbereiden, uitschrijven desnoods, zoveel dominees en pastoors doen het elke week, maar de werkelijke geboorte van de preek vindt altijd plaats in de kerk. Onder het gehoor van de aanwezigen.

Jazeker, je kan preken ook lezen. Zoals een toneelstuk of een theatertekst ook zonder acteurs tot je door kan dringen. Het is bijna nooit ideaal.

Daarom ook heeft een preek een stem nodig als draagbaar. Het is een klinkende taaldaad. Gevangen in een boek blijft van een preek de gedachtegang over, het verstand zo je wilt, of anders wel de treffende anekdote, maar de geest van de preek verdrinkt al snel in drukinkt.

Gebundelde preken zijn daarom lastig om te lezen: Nico de Fijter, chef religie & ­filosofie bij deze krant en samensteller van de bundel Preek van de leek beseft dat wel ­degelijk. In zijn voorwoord haalt hij de woorden aan van de Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson: ‘Een preek is dat buitengewone moment, wanneer iemand in goed vertrouwen probeert te spreken over iets wat er toe doet, tegen mensen die in goed vertrouwen proberen te luisteren’.

Kernbegrippen: spreken, luisteren, goed vertrouwen, als in ‘de goede verstaander’ en ook de ‘goede spreker’: de laatste is ‘goed’ in twee opzichten: welbespraakt, maar vooral ook: betrouwbaar, zonder onder verdenking te staan van mauvais foi.

Een preek moet een gebeurtenis zijn

De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer vat dat ‘buitengewone moment’ van Robinson al in 1931 nog bondiger samen: ‘Een preek moet een gebeurtenis zijn’.

‘Moet ... zijn’, ideaaltypisch. Niet elke preek kan aan die hoge verwachtingen voldoen. Een preek als ‘performance act’ – let wel, die kunstvorm is rond 1960 ontstaan, terwijl de preek al eeuwen en eeuwen ‘gedaan wordt’. Want ook de analfabeet kan door de uitgesproken preek bereikt worden.

En dan zijn de preken in deze twee bundels afkomstig van leken. Niet professioneel theologische, en vaak ook niet-religieuze beschouwers. Wat een wonderbaarlijk goed idee is dat toch geweest, en wel van de predikanten Abeltje Hoogenkamp en Henk Leegte, in 2008: vanaf die tijd beklimmen columnisten, wetenschappers en kunstenaars de kansel als lekenpredikers.

Stephan Sanders

Stephan Sanders (1961) is publicist, columnist en presentator. Voor deze krant schreef hij ­onder meer over zijn geloof: wat dat voor hem inhoudt en hoe hij ertoe is gekomen.

Leken zijn mensen die al dan niet gelovig zijn, maar in ieder geval geen kerkelijk ambt bekleden: in die zin zijn ze als de eerste christenen, ze worden niet gehinderd door een teveel aan theologische kennis, niet door de geïnstitutionaliseerde kerk. Ook de niet-religieuzen en twijfelaars doen hier ­volop mee.

Ze moeten een Schriftlezing kiezen. Ze moeten zich verhouden tot die tekst, en zich die eigen maken, zoals een zanger dat doet met een partituur.

Is omkijken een slechte eigenschap?

Marjolijn van Heemstra (schrijver, theatermaker) is voorbeeldig: het hele dilemma of een preek gelezen óf gehoord moet worden, vat ze samen aan de hand van Genesis 19 vers 26: ‘De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zuil van zout’.

Van Heemstra’s leidende vraag: is ‘omkijken’ een ‘slechte eigenschap’? Ze herformuleert het zo: ‘Voor mij is ze (Lot) de belichaming van een van de grootste menselijke dilemma’s: loslaten of vasthouden. Blijven of weggaan.’

Lot kijkt om, kan het oude niet zomaar loslaten en is daarmee ongehoorzaam aan God. Vandaar de transformatie van vrouw in zoutpilaar. Heemstra’s sympathie gaat uit naar deze Lot, en ook naar haar zucht tot vasthouden en bewaren.

Die bewaarzucht, die wens tot vastleggen geldt inmiddels voor de hele wereld: via de uitvinding van het schrift tot aan de digitalisering van gegevens. Onze verzamelwoede kent geen grenzen, en waar de toekomst onzeker is, kijken we liever om; het is de ­neiging van een gebeurtenis onmiddellijk geschiedenis te willen maken. Wil tot na­vertellen, tot nalezen.

Het klopt dan ook dat deze preek van Van Heemstra in geschreven en in gepubliceerde vorm tot ons komt. Wie schrijft, die blijft en wordt bewaard.

Dan is er nog het wonderlijke drietal, dat uiteindelijk tekent voor de preek: dat is de prediker, maar toch ook zijn gehoor, dat de preek als het ware draagt en aangesproken dient te worden. En het valt niet af te dwingen, maar zo’n prediker móét op het moment suprême ook de geest krijgen. Christenen spreken dan over de genade van de Heilige Geest, maar ook voor atheïsten en agnosten geldt: zonder een zekere geestdrift blijft het behelpen.

Meer dan een hoogstpersoonlijk verslag

Een goede preek is altijd meer dan een hoogstpersoonlijk verslag. Ik kom daar op, omdat ik net heb zitten bladeren in de essays van Frans Kellendonk (1951-1990), en dit fraaie zinnetje tegenkom: ‘Een geploeter dat het me kost om mijn stem te laten spreken namens mij en namens niemand anders’. Hier is de literator aan het woord, en zijn ­opdracht is tegenovergesteld aan die van de predikant. Want de stem van een preek moet juist niet ‘namens mij en namens niemand anders’ spreken. De verhalen van de Bijbel, Gods’ woord, de vragen en dilemma’s waar die ons voor stellen, moeten erin doorklinken. De prediker is een bemiddelde spreker: hij of zij moet juist ook een medium zijn, en een deel van zijn ego opruimen, om plaats vrij te maken voor die andere stem; van God, van de Heilige Geest, van de Onverwachte Inspiratie, van het surplus van de toehoorders.

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Zelf werd ik in 2009 gevraagd zo’n lekenpreek te houden in Amsterdam. Ik was volmaakt leek, ik geloofde niet, en ik lees nu ­terug dat ik voorafgaand aan die preekopdracht liet optekenen: ‘Door de week noem ik mij een agnost, maar op zondag voor alle zekerheid een atheïst’. Met mijn seculiere geloofsbrieven zat het wel snor, in die tijd.

Dominee Henk Leegte, van de doops­gezinde kerk in Amsterdam was mijn begeleider, die me hielp met het vinden van een geschikte Schriftlezing en met de exegese. Afgesproken was dat ik niet zou bidden – Arie Boomsma nam dat voor zijn rekening, de enige gelovige die ik zo snel kon vinden in mijn toenmalige kennissenkring. Ik wilde kortom geen woord uitspreken dat enkel ‘namens mij’ was, maar misschien wel ‘namens iemand anders’.

Ik weet dat ik de kansel op ben geklommen (‘wanneer krijg je nu die kans’) en terwijl ik daar stond, was ik zenuwachtiger dan ik ooit voor een lezing ben geweest. De mensen in de kerk keken letterlijk naar me op, en ik merkte al sprekend en prekend dat ik niet met mezelf toekwam: dat ik zocht naar ‘iets’ dat mij zou overstijgen. Ik wilde geen column voorlezen. Ik wilde geen praatje houden. Ik wilde mijzelf niet centraal stellen, ik wilde meer zijn dan hoogstpersoonlijk. In gevecht met de tekst, het verhaal van Noah en de zondvloed hoorde ik sowieso al dat Genesis-vers meeklinken.

En zoals je een klein beetje verandert in een acteur, zodra je voor een volle zaal op een podium staat, zo veranderde mijn persona op die kansel: ik werd tegen wil en dank een beetje een prediker.

Close reading is kinderspel

Wat mij toen fascineerde, en wat ongetwijfeld ook voor de andere lekenprekers zal gelden, zeker voor hen die niet kunnen bogen op een grote bijbelkennis: de precieze aandacht en de hoeveelheid tijd die we vrijmaakten om een kort bijbelfragment te duiden en te interpreteren. Close reading is er kinderspel bij. En ook: de ervaring meer te zijn dan een keynote speaker. Die belevenis komt prachtig tot uitdrukking in de preek van Noraly Beyer (oud-nieuwslezeres, researcher); zij roept daarin haar ‘voorvaders’ aan, ‘andere overleden geesten, moeder aarde’, zoals gebruikelijk in de winti-religie.

Beyer spreekt, maar zij spreekt niet ­alleen of ‘namens zichzelf’, zij spreekt in commissie.

Beyer: ‘Toen ik voor de eerste keer een wintiprei meemaakte, ging mijn hart open. Ik had niet eerder meegemaakt dat een mens zo intensief contact kan krijgen met iets wat onzichtbaar is (…) Heb ik mij nu ­bekeerd tot het winti-geloof? Ben ik weer katholiek geworden? Nee. Ik wil niet kiezen tussen kruis en kalabas.’

Beyer verhaalt over de ervaring van een andere stem, een vóórstem, die al sprak voordat zij het deed.

Het doet denken aan Michel Foucault (1926-1984), de filosoof die in 1970 toetrad tot het Collège de France, en die in zijn in­augurele rede ‘de orde van het vertoog’ aangeeft niet zozeer ‘als eerste’ te spreken, maar zich te willen nestelen in de ‘kleine, ­lege gaten van een voorafgaand vertoog van een naamloze stem’.

Voor Beyer zijn het de voorouders die een woordje meespreken. Maar ook haar preek is geen monoloog; die bevat een veelheid aan stemmen.

Een preek begint eigenlijk nooit bij of met de prediker.

Leken: die heb je uiteraard in soorten en maten. Er zijn veel synoniemen voor het begrip, en in deze preken is die van ‘niet-geestelijke’ de meest voor de hand liggende. Maar zijn leken in religieuze zin ook per ­definitie ‘niet deskundig’, ‘amateur’ of zelfs ‘buitenstaanders’?

Putten uit de humuslaag

Deze preken zijn nu uitgegeven in twee bundels met dezelfde titel, maar met een andere inhoud: de door De Fijter samengestelde bundel bevat uitsluitend de in Amsterdam gehouden preken, en is zorgvuldiger uitgegeven dan de bundel, waarin preken uit het hele land zijn opgenomen. Maar ook hier: geen dominee, pastor of pastoor die het woord neemt.

Opvallend is wel de ‘humuslaag’ waaruit sprekers kunnen putten. Ook als zij niet, of niet expliciet zelf gelovig zijn, merk je een zekere vertrouwdheid met christelijke symbolen, met bijbelse taal, met een godsidee. De vraag is of zo’n lekenpreek over tien jaar nog te houden valt, als ook de meeste veer­tigers van de toekomst geen actieve herinnering hebben aan een kerkelijke of christelijk geïnspireerde jeugd. Het lijkt soms zelfs alsof elk idee over christendom hard op weg is definitief een gezonken cultuurgoed te worden.

Ik liet net al even het begrip ‘close reading’ vallen , die vorm van literaire kritiek, waarin een tekst minutieus gelezen wordt, zonder gebruik te maken van biografische gegevens en historische context. Exegese ­behelst ook uitleg, en wel van bijbelse teksten, maar de interpretatie mag ruimer zijn: alleen al de Christusfiguur en diens ­biografie spelen een duidelijke rol.

Van James Kennedy (historicus en columnist), die een preek hield in Amersfoort, weet ik dat hij een belijdend christen is, ­Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Hij is zeker niet te vangen onder de noemer ‘niet-deskundige’ of ‘buitenstaander’. En juist hij toont zich in zijn preek terughoudend als het gaat om het etaleren van zijn bijbelse kennis. Op ‘eigen terrein’ wint de schroom het van de verkondiging. Of moet ik zeggen: juist omdat hij zichzelf typeert als ‘christen-historicus’ is hij beducht zijn kennisvoorsprong te laten gelden.

De bijbelkenner gaat bij zichzelf te rade

Dat siert hem, hij wil zich als het ware niet verheffen boven de bijbelse tollenaar. Kenmerkende zin: ‘Anderen leren liefhebben is het uitoefenen van je eigen vrijheid. Dat heb ik te laat beseft en daar heb ik maar mondjesmaat naar geleefd.’ De bijbelkenner gaat bij zichzelf te rade, terwijl de minder bijbelvasten zich (misschien voor het eerst) stukbijten op een bijbelse tekst.

De lekenpreek is ook voor gelovigen en juist voor ‘kerkelijke ambtsdragers’ van belang, omdat het vrijmoedig spreken – de voor Foucault zo belangrijke ‘parrhesia’ – hier weer een kans krijgt. Die vrijmoedigheid behelst ook het onderhandelen met God, zoals zo duidelijk te zien is in de Joodse traditie (Genesis 18-19, Abraham en het lot van Sodom en Gomorra).

Die vrijmoedigheid wordt het beste ­belichaamd door religieuze leken, alsof zij weer de eerste vragen stellen.

Tegenover God – en dat zeg ik nu als christen, als katholiek – zijn wij allen leken, gelovig of niet, dominee of pastoor. Theologie is geen voorwaarde voor een godsbegrip, en ik weet niet of God ooit om theologie heeft gevraagd.

Leken die preken zijn, om het bijbels te zeggen ‘het zout der aarde’.

null Beeld
Beeld

M. A. van Wijnen (red.)
Preek van de Leek
De Kring;
256 blz. € 19,99

null Beeld
Beeld

Nico de Fijter (red.)
Preek van de leek
Walburg Pers;
128 blz. € 12,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden