Woordkunst

Voor theoloog Willem Barnard was dichten een levensnoodzaak

Willem Barnard. Beeld Renata Barnard
Willem Barnard.Beeld Renata Barnard

Honderd jaar geleden werd Willem Barnard geboren, de man die een groot stempel drukte op de Nederlandse kerkliedcultuur. Hij was theoloog, maar bleef boven alles dichter.

Regelmatig vindt ­Renata Barnard (69) nog een verdwaald kladblaadje met daarop een paar dichtregels van haar vader Willem. “Hij zette overal krabbels bij, ook bij de krant. Dat ging dan bij het oud papier, maar zo kon hij toch even zijn boosheid over het wereldgebeuren uiten. Schrijven en dichten, dat was voor hem een levensnoodzaak.”

Willem Barnard, ook bekend onder zijn dichtersnaam Guillaume van der Graft, werd zaterdag precies honderd jaar geleden geboren. Hij had een grote liefde voor taal, hij omschreef zich als een ‘taalslaaf’. Hij schreef ontelbare gedichten over het leven, de liefde en de dood. Als theoloog, kerklieddichter en psalmvertaler drukte hij bovendien een groot stempel op de christelijke ­liturgie in Nederland. Wie was deze woordkunstenaar? Was hij in de eerste plaats dichter, of toch meer theoloog?

Over die laatste vraag kan de Utrechtse dichter Ingmar Heytze (50) kort zijn. “Het antwoord is: meer dichter. Als je dichter bent, ben je dat altijd meer dan iets anders, ook al zijn er nog veel andere dingen die ook belangrijk voor je zijn.”

‘Ik dacht dat u dood was?’

Heytze was goed bevriend met Barnard in de laatste jaren van diens leven. Regelmatig gingen Heytze en Barnard gebroederlijk een hapje eten in hun stamrestaurant in Utrecht, ondanks vijftig jaar leeftijdsverschil. “Dat waren altijd genoeglijke avonden. Bij de koffie namen we altijd de gok: nemen we één drambuie of nemen we er twee?”

Heytze kent het werk van Barnard goed. Het tweetal ontmoette elkaar op nogal knullige wijze tijdens de Nacht van de Poëzie in 1998, waar Barnard zojuist had voorgedragen. “‘Ik dacht u dood was!’, zei ik ­tegen hem. Hij keek hij om zich heen en zei: ‘Dat schijnen wel meer mensen hier te ­denken’.”

De anekdote is veelzeggend, omdat het werk van Guillaume van der Graft in de ­poëziewereld niet altijd op waarde werd geschat. Van der Graft wordt soms tot de Vijftigers gerekend, de groep schrijvers en dichters waar ook Gerrit Kouwenaar en Lucebert toe behoren: mannen die in de naoorlogse periode met taal experimenteerden.

Willem Barnard aan het werk. Beeld Renata Barnard
Willem Barnard aan het werk.Beeld Renata Barnard

Bij de Vijftigers speelden lichamelijke beelden een grote rol, hun poëzie ging meer over de zintuigen en de ervaring dan om het verstand. Dat is ook in de gedichten van Van der Graft het geval. Toch hoorde hij nooit helemaal bij de Vijftigers, want Barnard, dat was toch de dominee?

“In die tijd heerste in de literaire wereld de gedachte dat ze de kerk niet meer nodig hadden, dat was iets van het verleden”, zegt dochter Renata. “Dat kon voor Willem ­natuurlijk niet, want hij was met hart en ziel met de kerk verbonden.”

Letterenstudie opzijgezet

Willem Barnard begon zijn carrière als Nederlands-hervormd predikant. Nog tijdens de oorlog, waarin hij als dwangarbeider naar Duitsland moest, besloot hij zijn letterenstudie opzij te zetten en ging hij theologie studeren. In 1946 werd hij hulppredikant en later predikant in Hardenberg, en in datzelfde jaar verscheen ook zijn eerste dichtbundel.

In de drie decennia daarna was Barnard dichter, theoloog en predikant tegelijk, hij woonde in Nijmegen, Amsterdam en het Gelderse Rozendaal. Hij maakte nieuwe psalmberijmingen en hij schreef vele gezangen, waarvan een groot deel in 1973 in het Liedboek voor de Kerken werd opgenomen.

Tegelijkertijd dacht hij na over liturgische vernieuwing. Tijdens een bezoek aan Engeland in de jaren vijftig raakte Barnard onder de indruk van de anglicaanse kerk, waar veel meer aandacht was voor het samenspel tussen theater, poëzie en liturgie.

“In Nederland was dat allemaal gescheiden”, zegt Eward Postma, predikant en docent praktische theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit. “Je was van het theater, of de literatuur, of van de kerk, maar dat ging niet samen. In Engeland kon dat wel. Dat was een nieuwe ervaring.”

De rituelen, de liedcultuur, de wierook, het was allemaal veel zintuiglijker dan het ingekeerde, rationele calvinisme dat in veel protestantse kringen in Nederland de boventoon voerde. Over het belang van de ­liturgie zei Barnard zelf in een televisie-interview: “Alleen in de liturgie kan dat geloof van mij ontkiemen en zijn schuchtere kopje opsteken. Liturgie is een spel van beeldspraak, rituelen, dat zegt: we kunnen er niet rechtstreeks over praten, we moeten het via een omweg doen.”

Gezongen kyrie en gloria

Met zijn ideeën greep hij terug op oude tradities, zoals een dienst met een gezongen kyrie, en gloria, vaste onderdelen van de ­katholieke eredienst. Dat was voor sommige protestanten veel te rooms. De teksten die Barnard schreef voor het liedboek van 1973 moesten eerst langs gezangencommissies, waar ze soms werden afgewezen omdat de inhoud niet helemaal zuiver op de graat zou zijn.

Zo schreef Barnard in het lied ‘Uit Oer is hij getogen’ dat de stad aan het einde der ­tijden voor iedereen gebouwd is. Een paar commissieleden vonden dat niet kunnen. Het nieuwe Jeruzalem voor iedereen? Dat was onmogelijk.

Dochter Renata vindt net als Heytze dat haar vader in de eerste plaats dichter was, en daarna pas theoloog. “Maar de scheidslijn tussen dichterschap en geloof bestond voor hem niet”, zegt ze erbij. “Dat waren niet twee verschillende werelden. Ook de Bijbel was literatuur en poëzie, daar hadden grote dichters aan gewerkt.”

Denk mijn naam wanneer ik dood ben,
denk mijn naam maar roep mij niet,
ik ben vergeten hoe ik heet.

En denk aan mij hoe dwars ik was,
hoe tuk op taal en hoe onzeker
en dat ik van je hield met huid en ziel

Maar roep mij niet, lief, roep mij niet,
ik ben vergeten hoe ik heet.

Guillaume van der Graft

Kunst en religie hoorden volgens Barnard bij elkaar, zegt Gerda van de Haar, neerlandica en Barnard-kenner. “In kunst krijgt religie vorm, zonder kunst vaart het niet. Als je die binding losmaakt, wat in sommige reformatorische kringen heel ­gebruikelijk is, dan is het ten dode opgeschreven. Dat was een van zijn belangrijkste stellingen.”

Een vrome man was Willem Barnard niet, zegt zijn dochter, hij was een aarzelaar, een twijfelaar. Dat maakte zijn geloof er niet minder om, het stond er juist aan de ­basis van. Daar zei Barnard zelf over: “Als je een wereldbeschouwing hebt waarin alles op zijn plaats staat en je zegt: dat is mijn geloof, naar mijn diepste overtuiging zit je dan helemaal verkeerd. Pas als je zegt: ‘Ik weet het nu bij God niet meer’, dan heb je kans dat je iets van het geheim begint te vermoeden.”

Comeback

In 1975 ging Barnard met emeritaat, en in de jaren tachtig sloot hij zich aan bij een nieuwe geloofsgemeenschap: de oud-katholieke kerk, die in veel opzichten lijkt op de anglicaanse kerk. Hij dichtte voort, maar in de poëziewereld raakte hij enigszins uit beeld. In 1995 overleed zijn vrouw Katinka, die hem zijn hele leven tot steun was geweest en aan wie hij zoveel gedichten had gewijd.

Eind jaren negentig, hij was inmiddels ver in de zeventig, maakte Barnard zijn comeback in de poëzie. Hij imponeerde jonge dichters als Ingmar Heytze, en zijn verzen leverden hem een nieuwe schare bewonderaars op.

Nieuwe vriendschappen bloeiden op, vaak met jonge mensen als Heytze. “Ook toen was er nog wel een bepaalde onverschilligheid in de literaire wereld”, zegt de Utrechtse dichter. “Sommige mensen zeiden: ‘Oh ja, Willem Barnard, wie is dat ook alweer?’. Maar anderen vonden dat die de P.C. Hooftprijs moest krijgen. Ik sta in het laatste kamp, ik vind dat hij chronisch ­onderschat is geweest.”

Aansluiting bij oude traditie

In de kerkelijke wereld is zijn invloed meer zichtbaar, alleen al door het grote aantal psalmvertalingen en liederen dat zijn weg heeft gevonden naar de liedboeken. Maar het gaat verder dan dat, zegt Gerda van de Haar. “Met de reformatie is er iets verloren gegaan, iets van de levendigheid van de oude kerk. Barnard heeft ervoor gezorgd dat protestanten weer aansluiting vinden bij die oude traditie. Op een wekelijks avondmaal moeten we geloof ik nog even wachten, maar het lezen van bijbelgedeelten volgens klassiek rooster, beantwoord met een psalm en een lied, is op veel plaatsen een belangrijk moment geworden. De schriftlezing is niet langer een opmaat naar de preek, nee, in de lezing gebeurt het al. Dat is de verdienste van Willem Barnard.”

Tot aan zijn dood in 2010 bleef Barnard dichten, hij kon niet stoppen. “Het gekke was dat het vlak voor zijn dood helemaal niet aan de orde was dat hij binnenkort zou sterven”, zegt Heytze. “Hij schreef door, hij bleef altijd de schriftgeleerde.”

Vandaag, honderd jaar later, is een goede dag om Heytze’s favoriete gedicht van Guillaume van der Graft nog eens te lezen, ‘Denk mijn naam wanneer ik dood ben’ (zie kader). De Utrechtse dichter gaat zaterdag even langs de slijterij, voor een flesje drambuie. “Ik schenk twee glaasjes in, ik denk dat ik die van Willem maar voor hem opdrink.”

Nieuwe bundel met verzamelde kerkliederen

Ter ere van de honderdste geboortedag van Willem Barnard verschijnt in 2021 bij uitgeverij Skandalon de bundel ‘In wind en vuur’, waarin alle 350 kerkliederen van de dichter en theoloog zijn verzameld. Elk lied wordt uitgebreid toegelicht op poëtische, bijbelse, ­liturgische en muzikale aspecten. In de bundel staat ook de aangepaste versie van het lied ‘Jeruzalem mijn vaderstad’, waarvan een couplet onder vuur kwam te liggen vanwege de woorden ‘De negers met hun loftrompet, de joden met hun ster’. Ingmar Heytze heeft een nieuwe versie van dat couplet gemaakt, de inhoud wordt nog bekendgemaakt.

Barnard-liefhebbers kunnen dit project steunen door een lied te adopteren of door te doneren. Meer info via www.skandalon.nl of barnard@skandalon.nl

Lees ook:

Haal ‘neger’ uit het Liedboek, zeggen kinderen Willem Barnard. ‘Maar mijn vader was geen racist’

Er ligt een nieuwe tekst voor het lied van Willem Barnard over negers en joden. Zijn zoon Benno vindt de kwestie pijnlijk en wil excuses.

Een man met een stem

Voor de theoloog Willem Barnard, die als dichter meestal zijn nom de plume Guillaume van der Graft voerde, was het geloof essentieel, ook in zijn gedichten. Voluit en naïef geloven ging hem slecht af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden