De Oude Lutherse Kerk op het Amsterdamse Spui.

Kristalnacht

Voor het lutherse smaldeel is de PKN-schuldbelijdenis beladen, vooral de datum

De Oude Lutherse Kerk op het Amsterdamse Spui.Beeld Thomas Schlijper

De Protestantse kerk in Nederland (PKN) belijdt schuld voor wat ze naliet jegens Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het lutherse smaldeel van de PKN heeft daarbij een ‘lastige’ historie. De herdenkingsdatum is ronduit beladen. 

De PKN spreekt tijdens de herdenking van de Kristallnacht op 8 november een schuldbelijdenis uit richting de Joodse gemeenschap: de kerk is schuldig geweest aan de opkomst van het antisemitisme en is tekortgeschoten in haar protest tegen de vervolging van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Van de drie kerken die samen de PKN vormen is in de afgelopen week veel aandacht uitgegaan naar de gereformeerde en de hervormde kerken, beide van calvinistische snit. De derde kerk is luthers. Haar oorsprong ligt bij de Duitse reformator Maarten Luther (1483-1546).

De lutherse kerk is de kleinste van de drie – in Nederland dan, relativeert de lutherse kerkhistoricus Arno Fafié, “in de wereld is het het grootste protestantse kerkgenootschap”. Met een slordige 80 miljoen leden – van wie 11.000 in Nederland.

Slepende kwestie

Dat waren er tijdens de oorlog weliswaar twee keer zoveel, schat Fafié, maar ook toen vormden de lutheranen een bescheiden groepering. Of eigenlijk twee, want ze waren verdeeld tussen ‘herstelden’ en ‘evangelischen’. Die streefden al decennia naar eenwording. De slepende kwestie eiste voor de Tweede Wereldoorlog alle aandacht op, zegt Fafié. Pas in 1952 kreeg de fusie haar beslag.

De lutheranen mogen dan in de jaren dertig veel energie hebben gestoken in binnenkerkelijke kwesties, de lutherse predikant Andreas Wöhle wijst erop dat het antisemitisme hen niet ontging. “In 1933 hebben ze een voorstel tot Jodenzending afgewezen, dat vonden ze met dat toenemende antisemitisme in Duitsland ongepast.”

Fafié is niet enthousiast over de excuses die de PKN volgende maand gaat maken. “Moet je dat 75 jaar later nog doen, nu er niemand zelf meer schuld heeft? En is het wel eerlijk tegenover zoveel hartstikke goede mensen die Joodse onderduikers hebben gehad, met gevaar voor eigen leven? Die Vrij Nederland en Trouw verspreidden, zoals mijn ouders? Natuurlijk, er zaten ook boeven bij, maar toch vind ik zo’n schuldbelijdenis overdreven.”

Uitgesproken over fascisme

Dat ziet dominee Wöhle heel anders. “Door de tijd heen hebben alle drie de kerken die nu de PKN vormen, zich uitgesproken over fascisme en antisemitisme, maar geen van hen heeft als gemeenschap schuld bekend bij de Joodse gemeenschap. Dat wordt nu tijd.”

Wöhle is zelf van Duitse komaf en voorman van het lutherse smaldeel binnen de PKN. Als synodepresident bemoeit hij zich volop met de verwerking van de eeuwenlange geschiedenis van zijn kerk. Vorig jaar nog bepleitte hij oog te krijgen voor de rol die de lutherse kerk heeft gespeeld in de slavernij. Toen opperde Wöhle om daarvoor ‘in het openbaar schuld te belijden’ – precies wat de PKN nu gaat doen, maar dan voor haar rol jegens Joden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Bij het uitspreken daarvan hoort een historische verantwoording, die in november openbaar wordt gemaakt. De lutherse oorlogsgeschiedenis in Nederland is, zegt Wöhle, om verschillende redenen ‘lastig en gecompliceerd’. De eerste: de theologische opvattingen over de rol van de kerk. “Je had de lutherse tweerijkenleer. Daarin kon je wel een appèl doen op het geweten van de individuele gelovige, maar de kerk moest zich als instituut onthouden van partijpolitiek. Dat heeft een rol gespeeld in 1940, toen het Interkerkelijk overleg, de voorloper van de Raad van Kerken, zich uitsprak tegen het weren van Joden als ambtenaren. De lutheranen waren weliswaar tegen die maatregelen van de Duitsers, maar ze wilden dat niet van de kansels afkondigen.” Later, vanaf 1941, legden de lutheranen die schroom af, aldus Wöhle.

Strategisch handelen

De terughoudendheid om zich als kerk klip en klaar uit te spreken tegen de vervolging van Joden had ook een ‘strategische functie’, zegt Wöhle over zijn kerkgenoten van driekwart eeuw geleden. “Ze maakten een inschatting: als we ons als synode uitspreken, dan kan dat tot repressie van de bezetter leiden, waardoor het ondergrondse verzetswerk dat wel degelijk werd gedaan, moeilijker wordt. Ik vermoed dat de synode ook daarom geen heldere uitspraak deed. Dat is het moeilijke van strategisch handelen.”

Wat de lutherse gemeenschap parten speelde, was het gegeven dat een deel ervan uit Duitse immigranten bestond. In handelssteden, aldus historicus Fafié, hadden Duitstalige kooplieden lutherse kerken gefinancierd. In sommige plaatsen werden de diensten tot in de twintigste eeuw in het Duits gehouden, een gewoonte die tijdens de bezetting is afgezworen. Zoals in de kerk waar Wöhle ‘staat’, aan het Singel in Amsterdam: “Dat was natuurlijk al te erg, preken in de taal van de bezetter.”

Toch bleef de oriëntatie oostwaarts: predikanten waren veelal opgeleid in het Mekka van de lutherse wereld, Duitsland. Wöhle: “Daar had je grotere faculteiten dan hier, met beroemdere theologen. Wie zich theologisch schoolde in Duitsland, had doorgaans een positief beeld van dat buurland en de zusterkerken daar.”

 Felle kritiek

In de jaren dertig kregen studenten daar onvermijdelijk wat mee van het denken van de Deutsche Christen: protestanten die het nationaal-socialisme omarmden en gretig inspiratie ontleenden aan het werk van reformator Luther die in zijn latere leven vreselijk tekeerging tegen ‘Joden en hun leugens’, zoals zijn smaadschrift uit 1543 heette (zie kader). Een op de vijf Duitse predikanten steunde de Deutsche Christen, maar hun invloed oversteeg hun aandeel.

Wöhle tekent aan dat theologen die zich verzet hebben tegen de fascistische Deutsche Christen, zich ook beriepen op Luther. Het Deutsche Christen-denken is niet overgeslagen naar Nederland, zegt Wöhle. Al met al belemmerde dit een scherpe positiebepaling binnen de lutherse kerk: “Je kunt felle kritiek hebben, maar het is wel lastig als degene tegen wie je je keert, familie is.”

Kristallnacht en Luther

De datum voor het uitspreken van de schuldbelijdenis door de PKN is nogal beladen. In de nacht van 9 op 10 november 1938 gingen in Duitsland talloze Joodse bezittingen in vlammen op en werden hun winkelruiten ingegooid. Deze Kristallnacht viel op de geboortedag van Luther, de reformator die door Hitler in 1923 al ‘een reus’ was genoemd, “die de Joden zag zoals wij hen nu pas beginnen te zien”. Luther had namelijk in 1543 een zeer anti-Joods geschrift gepubliceerd, ‘Over de Joden en hun leugens’, waar ongeveer alle antisemitische clichés staan opgesomd, van woekeraar tot kindermoordenaar. Plus een oproep om ‘Joodse synagogen in brand te steken’, wat niet wilde branden te begraven, Joden hun rechten te ontnemen en anders het land uit te zetten.

Dergelijke uitspraken heeft de Lutherse Wereldfederatie ‘zondig’ genoemd. Lutherkenners zijn het er niet over eens of de rabiate teksten uitingen zijn van een verbitterde oude man, of van een constante in zijn theologische oeuvre.     

Lees ook:

Zo verwerkt de Evangelisch-Lutherse Gemeente haar slavernijverleden

Andreas Wöhle vindt dat zijn lutherse kerk haar geschiedenis onder ogen moet zien door schud te belijden voor haar zwarte bladzijden. Zoals de slavernij.   

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden