Utrecht

Theologisch gezelschap Secor Dabar is niet meer. ‘Waarom gingen we nooit de barricaden op?’

Dagvoorzitter Gégé Callenbach organiseert de groepsfoto van de laatst overgebleven leden. Beeld Werry Crone
Dagvoorzitter Gégé Callenbach organiseert de groepsfoto van de laatst overgebleven leden.Beeld Werry Crone

Secor Dabar, pleisterplaats van de hervormde intellectuele elite, is niet meer. De leden vierden hun laatste dies in de Pieterskerk in Utrecht. ‘Ons theologisch gezelschap heeft weinig rebelse figuren voortgebracht.’

Willem Pekelder

“Kijk, ziet u dit”, vraagt ds. Carel ter Linden bij de koffietafel. In zijn hand houdt hij een roze gebakje met daarop een Hebreeuwse tekst. “Secor Dabar staat er”, doceert de predikant, “Gedenk aan het Woord, naar psalm 119.” We zijn in de Pieterskerk in Utrecht, waar theologisch gezelschap Secor Dabar zich na 177 jaar opheft.

Er zijn nog maar 22 leden, van wie velen op hoge leeftijd, en nieuwe instroom is er al sinds een halve eeuw niet meer. In 1969 hield Secor Dabar op een actief gezelschap binnen het Utrechtsch Studenten Corps te zijn, omdat de belangstelling voor theologie ernstig terugliep. Zodoende kwam een einde aan de vakmatige bijeenkomsten in de Pieterskerk. Voortaan was Secor Dabar louter een reünistenclub.

Maar ook dat is sinds deze maand voorbij. Tien leden, van wie sommigen vergezeld van hun vrouw – Secor Dabar bleef tot het bittere eind een herenclub – verzamelden zich om, zoals een van hen het uitdrukte, palliatieve sedatie toe te passen op een van de oudste theologische gezelschappen van Nederland.

Carel ter Linden: ‘Je leerde er dat rare vak van theologie’

“Nee, erg is het niet dat Secor Dabar wordt opgeheven”, zegt ‘hofpredikant’ Carel ter Linden (88). “Als ik het een beetje vroom mag uitdrukken: het Woord van de Heer kan ook wel zonder ons. Maar jammer is het wel, omdat de laatste herinnering aan de aanwezigheid van theologiestudenten binnen het Utrechtsch Studenten Corps nu voorgoed vervlogen is.”

Als theologiestudent had hij veel aan Secor Dabar te danken: vrijmoedigheid om op de kansel te staan, leren preken, kritiek incasseren, improviseren. “Je leerde er dat rare vak van theologie. En het was een plek van bemoediging en broederschap. We spraken over onze persoonlijke relatie tot God – we waren per slot van rekening afkomstig uit het Réveil, met zijn nadruk op persoonlijke vroomheid – maar ook over ons ongeloof.”

Ook binnen het bredere verband van het corps waren de leden van Secor Dabar, zo vermoedt Ter Linden, interessante gesprekspartners. “Goh, wil jij dominee worden? Geloof jij dan echt dat God de wereld in zes dagen heeft geschapen? Kortom, conversaties waarin je kon uitleggen dat de theologie wel wat verder was gekomen en een permanente ontwikkeling doormaakte.”

De laatste vijftig jaar bestond Secor Dabar alleen als reünistengezelschap, dat elke oktobermaand zijn dies herdacht. “Zo hecht is de band dat we het zonder instroom van nieuwe leden nog een halve eeuw volhielden.”

Voorbij, voorbij, en o voorgoed voorbij, zoals J.C. Bloem dichtte. Ter Linden: “Ach ja, die fijne studententijd. Tot diep in de nacht discussiëren over twee dingen: God én het meisje.”

Daarmee werd een punt gezet achter een theologische traditie die wortelde in het Réveil, een geestelijke stroming van begin negentiende eeuw, wars van liberaal en rationalistisch denken in de kerk. Begin twintigste eeuw ging Secor Dabar meer de ethische richting op: God openbaart zich in het héle leven en er moet geen scheiding zijn van hoofd en hart, maar juist een integratie.

De linkse jaren zestig hadden nauwelijks invloed

Volgens dagvoorzitter Gégé Callenbach ervoeren de leden evenwel een grote vrijheid om hun eigen geestelijke weg te zoeken. “Men stemde over het algemeen CHU, zoals bekend niet bepaald een revolutionaire groepering. Maar er waren ook aanhangers van het antimilitarisme van de Christelijk-Democratische Unie, zoals mijn vader. En dominee Talma, een prominent lid, was een van de grondleggers van de sociale wetgeving. Na de oorlog kozen sommigen voor de Doorbraak. De één was vrijzinnig, de ander orthodox, maar men respecteerde elkaar.”

De linkse jaren zestig hadden, volgens Callenbach, nauwelijks invloed op het wezen van Secor Dabar. “Dat heeft te maken met de aard van studentencorpora. Vooruitstrevend denken was daar nou niet meteen een in het oog springende eigenschap.”

In de Pieterskerk werden gedenkreden uitgesproken voor overleden leden en werd een kaarsje voor hen aangestoken. Beeld Werry Crone
In de Pieterskerk werden gedenkreden uitgesproken voor overleden leden en werd een kaarsje voor hen aangestoken.Beeld Werry Crone

Deze ochtend schuifelen tien in het grijs dan wel donkerblauw geklede hervormde heren de Pieterskerk binnen voor de laatste diesviering. De rest heeft zich moeten afmelden. De redenen worden keurig opgesomd: de een zit in de Dordogne, de ander kampt met zijn gezondheid, de derde heeft een rollatorprobleem. Twee onlangs gestorven leden worden herdacht. De een was ‘op en top een gentleman’, die weekend op z’n Engels uitsprak als ‘oeweekend’. De ander had een iets te laag zelfbeeld. “Ik had je een pak rammel willen geven. Je was een geweldig mens”, aldus het in memoriam.

Ter herdenking van de doden gaan kaarsen aan, waarna de secorieten hun ‘eigen’ psalm aanheffen: ‘Gedenk aan ’t Woord, gesproken tot uw knecht’. Een ontroerend moment, deze oude heren, de een wankeler dan de ander, die toch met vaste stem hun loflied zingen. Het oudste lid, kerkhistoricus Hans Roldanus (91), onthult in zijn slotrede het geheim van 177 jaar Secor Dabar. “We bleven elkaar zien als broeders, gestoeld op de Romeinenbrief van Paulus: acht de ander hoger dan uzelf.”

Maar Roldanus stelt ook pijnlijke vragen: “Waarom heeft Secor zo weinig rebelse figuren voortgebracht? Wie van ons liepen mee in de kernwapendemonstraties? Wiens gemeente bood kerkasiel aan? Hoe stond het bij ons met de profetische roeping van de kerk, naast de priesterlijke? Secor ging zelden of nooit de barricaden op. Paste het niet bij de milieus waaruit wij voortkwamen?”, vraagt hij zich af.

Louter welluidende namen

Waarna de namen van alle overleden secorieten sinds het oprichtingsjaar 1844 worden voorgelezen. Welluidende namen als Bierens de Haan, Heldring, Pierson, Slotemaker de Bruine (twee keer), Van Lennep, Berkelbach van der Sprenkel, Cohen Stuart, baron van Boetzelaer, heer van Asperen en Dubbeldam, en Spijkerboer, heel veel Spijkerboer. Als na een halfuur de lijst ten einde komt, is voor de buitenstaander duidelijk: Secor Dabar was niet alleen een theologisch gezelschap, maar vooral een pleisterplaats van de Nederlands-Hervormde intellectuele elite.

Daarna klinkt voor het laatst het Secor-lied, op de wijs van God save the Queen. Voor het laatst ook de rondedans, ietwat stram, maar het gaat. Het Secor-vaandel verhuist naar de vicepresident van het Utrechtsch Studenten Corps, de voorzittershamer gaat naar het Corpsmuseum en de laatste secorieten bewegen zich naar het aperitief en dejeuner.

Hans Achterhuis: ‘We vonden elkaar verwerpelijk’

Het Utrechtsch Studenten Corps kende naast Secor Dabar nog een ander theologisch gezelschap: Elias Annes Borger, genoemd naar een begin negentiende-eeuwse hoogleraar theologie. Ook dat gezelschap, opgericht in 1857, is opgeheven. Twee jaar geleden, kort voor corona, hielden ze hun laatste dies in de tuin van dominee Gerrit Stegeman in Bunnik. Met het zingen van het Borgerlied werd Elias Annes Borger officieel ten grave gedragen, zij het onder de plechtige belofte dat men elkaar als vriendengroep zou blijven ontmoeten.

Hans Achterhuis (79), prominent lid van Elias Annes Borger, denkt dat er weinig anders op zat, nu de instroom van jonge theologen al decennia stokt. “Het draait nu om religiewetenschappen, een veel bredere studie dan theologie, en bovenal een voorbereiding op het predikantschap.”

Waarom twee theologische gezelschappen bij één corps? Achterhuis: “Ik denk dat dat voortvloeit uit het verleden, toen er een grote toestroom was van theologiestudenten. We hadden eens per twee weken vergadering. Dat kan niet met vijfendertig mensen op één studentenkamer.”

Verschillen tussen de gezelschappen waren er wel. “De Borgerianen waren veelal niet afkomstig van families die al sinds mensenheugenis corpslid waren of met een lange theologische traditie. Bij Secor Dabar zaten de grote namen, terwijl veel Borgerianen de eersten van hun generatie waren die lid werden van het corps.”

Onderling was men vaak goede vrienden, maar de naam van elkaars gezelschap werd nooit uitgesproken. “Het was altijd ‘het ándere gezelschap’. We vonden elkaar ‘verwérpelijk’.”

Lees ook:

Predikant Carel ter Linden: ‘Begeren is heel menselijk, je bent nu eenmaal geen snijboon’

Carel ter Linden (Amersfoort, 1933) is predikant. Van 1983 tot 1999 was hij voorganger in de Kloosterkerk in Den Haag, waar hij veel leden van de koninklijke familie tot zijn gemeenteleden mocht rekenen. Eind vorig jaar verscheen bij de Arbeiderspers Ter Lindens bundel Nieuwe Bijbelse miniaturen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden