Uit fotoproject 'Wait Watchers' van Haley Morris-Cafiero.

Essay Schaamte

Schaam je! (daar hoef je je niet voor te schamen)

Uit fotoproject 'Wait Watchers' van Haley Morris-Cafiero. Beeld Haley Morris-Cafiero

‘Schaamte is geen voortreffelijkheid. Toch wordt een mens met schaamtegevoel geprezen. (...) Wie hierin tekortschiet of nergens voor terugdeinst, is schaamteloos, wie het midden houdt schroomvallig.’ - ‘Ethica’, Aristoteles (384-322 vC)

‘Ik probeer zo min mogelijk te zeuren of te jammeren. Ik zorg dat ik zo goed mogelijk in vorm blijf. Ik date, ik flirt, ik vrij. Ik werk hard en in de yogales probeer ik op mijn hoofd te staan.” In NRC deelt José Rozenbroek haar ongemak over het ouder worden met de lezers, want “ouder worden blijkt een beschamende vertoning voor vrouwen. Mijn moeder heeft het goed gezien. Sneller dan mannen raken ze over hun houdbaarheidsdatum heen.” Maar Rozenbroek, die als oud-hoofdredacteur van damesbladen als Elle en Red medeverantwoordelijk is voor het beeld van de houdbare vrouw, vindt nu ze daar zelf niet meer aan kan voldoen, dat ze zich niet meer moet verzetten tegen het verval. Ze roept de vrouw op zich niet langer te schamen.

“De cultuur waarin we leven, waarin vrouwen nog altijd kritischer worden bekeken dan mannen, de gedachten en de blik van de ander – nee, helaas dat alles kun je niet een-twee-drie naar je eigen hand zetten. Maar schaamte zit toch vooral tussen je eigen oren. Bevrijd jezelf dus uit de strafhoek. Draai je stoel om. Kijk iedereen recht aan. Praat erover. Schrijf erover. Kom je schaamte onder ogen, jaag haar de deur uit.”

De oproep is wel een heel flauwe echo van Anja Meulenbelts feministische, autobiografische klassieker ‘De schaamte voorbij’ (1976). Daarin beschrijft ze een jonge vrouw (in wie de ik-figuur haar oude beschaamde zelf herkent) die niet vrij is “zolang ze zich neerlegt bij haar leven zoals het is, de dagelijkse gang naar de supermarkt, rekenen om uit te komen met het huishoudgeld, de karbonades weer duurder dan de vorige week, en haar man die niet van gehakt houdt zoals zij het klaarmaakt.” De vrouw is niet vrij “zolang ze zich schaamt en haar schouders buigt in plaatst van zich in haar volle lengte op te richten”.

De positie van de vrouw is er sindsdien op vooruitgegaan, maar Rozenbroeks minzame observaties over het ouder wordende vrouwenlichaam staan nog wel heel dicht bij de ‘slavenmentaliteit’ waarvan Meulenbelt de vrouw juist wilde bevrijden. En ze vinden beiden dat de vrouw haar schaamte voorbij moet om haar vrijheid te verkrijgen.

Jurk van het Bully Pulpit-project.

Genant gestaar

De Amerikaanse kunstenares Haley Morris-Cafiero (43) heeft overgewicht. Dat vindt ze zelf niet erg, maar voorbijgangers kijken haar met onverholen afkeuring na, toont ze aan in de pijnlijke serie ‘Wait Watchers’.

Met een statief fotografeerde ze zichzelf, of eigenlijk liefst haar omvang accentuerend door, zoals ze zelf zegt, een rare of lelijke pose aan te nemen, of een ijsje te eten. En dan maar kijken hoe de omgeving reageert. Op Instagram gaat Morris-Cafiero het debat aan over het gestaar en gegnuif. En over de akelige opmerkingen van toeschouwers. Die vormen het startpunt van haar nieuwe project ‘Bully Pulpit’ (treiterkansel), waarin ze zich verkleedt als haar critici (hun foto’s vond ze op social media), met de afkeurende teksten erbij. 

Zelf is Morris wel tevreden met haar lichaam. Ze zegt zelfs geamuseerd te zijn door de ongepaste kritiek, maar de kijker krijgt er een zeer ongemakkelijk gevoel bij - een beetje betrapt misschien ook. 

De schaamte voorbij?

Volgens Aristoteles past schaamte sowieso niet bij volwassenheid. “Wij zijn van oordeel dat jonge mensen schaamtegevoel moeten hebben, omdat ze volgens hun passies leven en bijgevolg veel fouten maken, waarvan schroom hen kan weerhouden. En we prijzen jonge mensen die schaamtegevoel hebben, maar niemand zou eraan denken een oudere man te loven omdat hij zich vlug schaamt. We vinden namelijk dat die niets moet doen waarover hij zich moet schamen.” Sterker nog, als het aan Aristoteles ligt, voelt een rechtschapene zich “nooit beschaamd, aangezien dat gevoel nu eenmaal opduikt als men verkeerd handelt”.

Toch is de rechtschapen mens niet werkelijk de schaamte voorbij. Integendeel, dan zou hij schaamteloos zijn. Hij schaamt zich niet niet omdat hij aan dat gevoel voorbij kan gaan, maar simpelweg omdat hij zich niet genant gedraagt. Door ervaring en opvoeding wijs geworden weet hij zich te gedragen. Schaamte ligt zodoende aan de basis van zijn deugdzaamheid. Niet voor niets ‘wordt een mens met schaamtegevoel geprezen’. “Wie hierin tekortschiet of helemaal nergens voor terugdeinst, is schaamteloos, wie het midden houdt schroomvallig.”

In plaats van schaamte ergens te situeren ‘tussen je eigen oren’ zoals Rozenbroek heel eigentijds doet – als een zelfgeseling waarvan je je dient te bevrijden – krijgt schaamtegevoel in de vorm van schroomvalligheid bij Aristoteles een schakelrol toebedeeld in het juiste handelen tussen onbesuisd en al te bedeesd – een prudent afgewogen midden.

Niet tussen de oren, maar tussen de mensen

Dat maakt schaamte juist zo bruikbaar als morele antenne, een soort zesde zintuig. “Kenmerkend voor wie zich schaamt”, schrijft de Duitse socioloog Norbert Elias (1897-1990) in ‘Het civilisatieproces’, “is dat hij iets heeft gedaan of op het punt staat iets te doen, waardoor hij tegelijkertijd in tegenspraak komt met mensen, met wie hij op de een of andere wijze verbonden is of was, en met zichzelf, met de sector van zijn bewustzijn waarmee hij zichzelf controleert.” Schaamte zit niet tussen de oren, maar tussen de mensen.

In zijn ‘Retorica’ bedeelt Aristoteles schaamte een kleine rol toe in het overtuigen van het publiek, maar hij wijst vooral op de retorische kracht die uitgaat van de beschaming, wanneer eer en reputatie op het spel staan. Zoals bij het wegwerpen van je schild, op de vlucht slaan, ongeoorloofde geslachtsgemeenschap, lijkenpikkerij, vleierij, in weelde leven of juist kleinzielig en gierig. Kortom, schaamte weerhoudt jou of de ander telkens van oneervol gedrag. Gedrag dat uiteindelijk een behoorlijk welomschreven norm impliceert. Zijn deugdzaamheid vergt zo veel redelijkheid en beheersing dat we er wat ongemakkelijk van zouden kunnen worden. In onze geïn­formaliseerde en gemedialiseerde wereld is het genante (zowel online, als offline) een stuk minder eenduidig.

In Aristoteles’ tijd kon de jongere zich in de praktijk oefenen, door zich te conformeren aan een systeem van regels en tradities waar vandaag de dag niet veel meer van over is. Er zijn evenveel mores en autoriteiten als ‘filterbubbels’, waardoor een eenduidig antwoord op de vraag hoe het eigenlijk hoort, niet valt te geven. En als schaamte, zoals Elias schrijft, gaat over met wie we ‘op de een of andere wijze verbonden’ zijn, zijn er dan niet ook evenzoveel schaamtebubbels als er filterbubbels zijn? En als er geen eenduidig taboe meer bestaat, de omgang losser en onbestem­der is, als iedereen zich voor iets anders schaamt, werkt schaamte dan nog wel als zesde zintuig?

De handen van Cicero

Dit is een voorpublicatie uit de essaybundel ‘De handen van Cicero. Retorische antwoorden op de retoriek van onze tijd’. Bij de presentatie op het Brainwashfestival (26 oktober) gaat Coen Simon in gesprek met Jan Kuitenbrouwer, Gerard Spong en Heleen Mees over de moderne retoriek.

Tickets: brainwashfestival.nl   

Neus blijkt scheef

De informalisering legt wel een menselijke conditie bloot, die lang verhuld is gebleven. Beschaming en schaamte waren in meer geformaliseerde samenlevingen ingelijfd in tamelijk heldere voorschriften. Niet alleen zijn deze regels steeds particulierder geworden, maar precies ook het volgen van regels wordt nauwelijks nog als eerzaam ervaren, omdat dit haaks staat op de verworvenheid en het gebod van de eigen mening. En dan zien we dat een morele norm helemaal nooit vanzelfsprekend heeft kunnen zijn, maar alleen mogelijk was dankzij een duidelijk cultureel keurslijf.

Aan het begin van de twintigste eeuw brengen modernistische romans de  ongemakkelijke gevolgen van dit besef voor het voetlicht. In ‘Iemand, niemand en honderdduizend’ (1926) van Luigi Pirandello bijvoorbeeld, beseft hoofdpersoon Moscarda pas op 28-jarige leeftijd door een terloopse opmerking van zijn vrouw dat zijn neus altijd al scheef heeft gestaan. “Zeker, liefste. Bekijk hem maar eens goed. Hij wijkt wat naar rechts af.”

Moscarda raakt ervan doordrongen dat het beeld dat wij van onszelf hebben nooit volstrekt overeenkomt met dat wat een ander van ons heeft. Strikt genomen zijn er ‘vele Moscarda’s’. Het besef brengt Moscarda langzaam maar zeker tot waanzin. “Lieve hemel! Ik ken Jantje. Volgens de kennis die ik van hem heb, verleen ik hem een werkelijkheid: voor mij. Maar u kent Jantje ook en degene die u kent, is vast niet degene die ik ken, want ieder van ons kent hem op zijn manier en verleent hem op zijn manier een werkelijkheid. Nu heeft Jantje ook voor zichzelf net zo vele werkelijkheden als hij mensen kent, want op de ene manier kent hij zichzelf ten opzichte van mij en op een andere manier ten opzichte van u en ten ­opzichte van een derde, vierde enzovoort. ­Hetgeen betekent dat Jantje in werkelijkheid iemand ten opzichte van mij, iemand ten ­opzichte van u, iemand anders, ten opzichte van een derde, weer een ander ten opzichte van een vierde enzovoort is hoewel ook hij, vooral hij, de illusie heeft één enkel iemand voor iedereen te zijn.”

Fysieke en talige uitingen

De waanzin die Moscarda uiteindelijk tot de afgrond voert, neemt natuurlijk niet weg dat hij kentheoretisch volkomen gelijk heeft: er is nergens een eenduidige waarheid voorhanden. En voor zover er van waarheid sprake is, is deze versplinterd aanwezig in de oneindig vele blikken van oneindig veel mensen. Hierdoor is de mens gedwongen om voortdurend de illusie in stand te houden ‘één enkel iemand voor iedereen te zijn’.

Terwijl de schaamtebubbels nauwelijks een groep, laat staan een hele samenleving bij elkaar houden, zijn we de schaamte gelukkig allerminst voorbij. Woorden als awkward en random zijn stopwoorden over het hele versplinterde spectrum van de populaire cultuur. Als kleine pantsertjes weren ze de voortdurende onwennigheid en willekeur, die de moderne mens ervaart in de onbestemdheid van de even ‘zo vele werkelijkheden als hij mensen kent’. Awkward is dan enkel misprijzend en corrigerend bedoeld, maar random zowel afkeurend als bewonderend, gek maar ook geniaal.

Alledaagse schaamte bedient zich als vanzelf van zulke taalkunstgrepen, maar schaamte behelpt zich in de eerste plaats toch lijfelijk. Want meer dan als een gemoedstoestand kenmerkt schaamte zich door haar fysieke welsprekendheid, door te blozen, te hakkelen, te stuntelen of weg te kijken.

Hakkelen mag dan weinig eloquent zijn, het is wel een uitingsvorm van het spreken. Non-verbaal verontschuldigt schaamte zich voor een tijdelijk tekortschieten. Ze bevestigt daarmee paradoxaal genoeg het bestaan van een norm. Zoals schaamte doet alsof we zouden willen vluchten of verdwijnen, terwijl we feitelijk blijven waar we zijn, zo doet schaamte ook alsof er een objectieve norm bestaat voor het goede leven, waar deze nooit heeft of kan bestaan.

‘Awkward!’ zien we ze denken

De fotografe Haley Morris-Cafiero toont als een hedendaagse Pirandello met haar de dwingende retorica van de beschamende blik. De zwaarlijvige Amerikaanse fotografeert zichzelf vanaf een statief op straat en vangt tegelijk de blikken van de mensen om haar heen. Hoewel ze heel alledaagse dingen doet, tonen de passanten hun afkeuring, lacherig, soms zelfs boos, of ze fotograferen zichzelf heimelijk met de fotografe als attractie op de achtergrond. De beelden moeten een gesprek op gang brengen “over de blik, en hoe we deze gebruiken om onze gedachten over anderen over te brengen”, zegt de fotografe zelf over haar project.

‘Awkward!’ zien we de blikken zeggen, en hoewel ik het niet wil, betrap ik mezelf ook op ten minste een lichte misprijzing. Ik schaam me voor de blik waarmee ik onwillekeurig de wereld lijk te bekijken.

Al een paar dagen nadat ik de foto’s voor het eerst zag, betrap ik mezelf opnieuw op mijn vanzelfsprekende afkeur. Ik moet met de fiets inhouden op de plankieren van een opgebroken steegje. Voor me waggelt een immens dikke man. Ik zie het wiegende vet op zijn enkels boven zijn afgesleten sneakers. Ik verbaas me over de maat van zijn broek. Voor hem is lopen zwoegen en ik verwacht dat hij ieder moment door de verende planken uit balans kan worden gebracht. Terwijl zijn lijf feitelijk geen ruimte kan laten voor de tegenligger die hem met de fiets aan de hand wil passeren, verrast hij mij en de tegenligger met een gracieus verontschuldigend pasje. Schroomvallig doet hij alsof hij zich kleiner maakt. De tegenligger passeert en bedankt de dikke man. Als ik zijn blik vang, zien we elkaars schaamte.

Ik moet dus helaas vaststellen dat ik niet veel verschil van José Rozenbroek, die zo afkeurend over het ouder wordende vrouwenlichaam schrijft. “Kom je schaamte onder ogen”, beaam ik haar oproep – maar ik trek een andere conclusie. Ik jaag haar niet de deur uit, maar koester haar. Schaam je! 

Haley Morris-Cafiero The Bully Pulpit Fall Line; € 22.50 www.haleymorriscafiero.com www.instagram.com/hmorriscafiero

Lees ook:

Van vliegschaamte tot vleesschaamte: werkt al die gecreëerde schaamte wel?

Nu de aarde in rap tempo opwarmt, rest ons een ‘schaamtetijd’ vol vlieg- en vleesvrees. Is de emotie schaamte wel constructief?

Het goede volgens Arnon Grunberg: ‘Ik ben een groot liefhebber van schaamte’

In ons zoeken naar het goede, schuilt altijd het gevaar dat we bij het kwade uitkomen, zegt Arnon Grunberg in deze eerste aflevering van een nieuwe interviewreeks over het goede in Trouw. ‘Je kunt niet door het leven gaan zonder anderen te schaden.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden