EssayRoger Scruton

Roger Scruton: ‘Alleen dieren opeten als je echt om ze geeft’

Roger Scruton.Beeld EPA

De belangrijkste conservatieve denker van deze tijd, Roger Scruton, overleed op 12 januari. In dit essay, gepubliceerd op 24 december 2011, betoogt de filosoof: eet vooral dieren. 

Een huisdier hoort bij de morele gemeenschap van de mens, betoogt de Britse filosoof Roger Scruton; je hond slacht je niet. Een koe is juist heel gelukkig als ze op een boerderij rondloopt tot wij haar laten slachten. Dat is zelfs onze morele plicht: "We moeten onze vrienden opeten."

De omgang met dieren is een gewone morele kwestie geworden, zoals zoveel zaken die ooit binnen het godsdienstige domein vielen. Aan preken tegen jagers, bontdragers en carnivoren geen gebrek, gehouden door puriteinen die de aanblik van al dat zondige genot niet aankunnen.


Het eten van dieren is de lakmoesproef geworden voor de moraal van westerse samenlevingen. Door de confrontatie aan te gaan met degenen die het eten van dieren veroordelen, kunnen we zowel de uitgangspunten van morele oordelen onderzoeken, als de aard van de wezens die ze bedenken.


Het morele leven steunt, denk ik, op drie pijlers: waarden, deugden en plichten. Het is onmogelijk om moraal te begrijpen als we geen recht doen aan die pijlers en laten zien welke rol die spelen in het goede leven van mensen.


Ik heb sterk de behoefte om nog een ander aspect van de menselijke natuur in het centrum van onze relatie met onze natuurlijke omgeving te plaatsen, een aspect dat vaak buiten beschouwing blijft bij de behandeling van ethische onderwerpen: piëteit. Ik bedoel dit als uitgangspunt om onze zwakke, afhankelijke toestand te erkennen en om de wereld om ons heen met eerbied en nederigheid onder ogen te komen. Piëteit is het residu van religie dat in ons allemaal schuilt, of we het willen toegeven of niet. Het is de houding die veel mensen - inclusief milieuactivisten, conservatieven en dierenactivisten - opnieuw proberen in te nemen in een wereld die zo deprimerend duidelijk maakt waar vooronderstellingen toe leiden.


In tegenstelling tot andere dieren zijn wij ons bewust van onszelf. We leven niet alleen maar in een 'wereld van perceptie', om Schopenhauer te citeren. Onze gedachten en gevoelens waaieren uit over dat wat is en dat wat mogelijk is, over dat wat zou kunnen en dat wat noodzakelijk is, over dat wat zal zijn en dat wat zou moeten zijn. Van deze basale feiten - doorgaans samengebald in de stelling dat we rationele wezens zijn - hangen andere, opvallender feiten af. We hebben morele, esthetische en religieuze ervaringen; we bidden tot het zichtbare en het onzichtbare; we lachen, zingen, rouwen; we zijn verontwaardigd, keuren iets goed of zijn erdoor geschokt. En we staan in een bijzondere verhouding tot elkaar.


Mensen maken deel uit van een morele gemeenschap, gereguleerd door concepten van wat goed en fout is, wat plicht is. Binnen die gemeenschap beslist elk lid soeverein over zijn eigen zaken, zolang hij ook anderen eenzelfde soevereiniteit gunt. Dit brengt een enorme vracht schuld met zich mee. Moraliteit en zelfbewustzijn zorgen dat we over onszelf oordelen. We bekijken ons eigen handelen continu van buitenaf, beoordelen onszelf, zoals ook anderen over ons oordelen. Zo raken we afgesneden van ons instinct, zelfs spontaan opwellende vreugde over vriendschap temperen we - we moeten er eerst een oordeel over vellen.


Dieren redden ons daaruit. Hun zwijgende gebrek aan zelfbewustzijn heft het onze op. Zo kunnen we onze opgekropte gevoelens voor hen uiten, zonder dat we het risico lopen dat ze het ons zullen verwijten. Tegelijkertijd zijn we ons scherp bewust van hun morele onvermogen. Hun genegenheid is (als dat al kan) makkelijk te winnen en is nergens op gestoeld. Hoeveel je ook van je hond houdt, je krijgt er alleen warmte en veiligheid voor, geen bevrijding van schuld. Want er schuilt geen morele goedkeuring in, het karakter van het dier blijft er onaangedaan onder. Juist daarom is een hond veel makkelijker gezelschap dan een mens. Daardoor is het ook verleidelijk te denken dat alle dieren net als onze huisdieren zijn, met dezelfde moraliteit en welwillendheid die typerend zijn voor de dieren waarmee we ons als gezelschap omringen.


Dat wat ons onderscheidt van dieren - onze positie als zelfbewuste en oordelende wezens - maakt dat we steeds bezig zijn om dat verschil te veronachtzamen en te doen alsof het om niet meer dan een notitie in de marge gaat, waar verder niets van afhangt bij het beantwoorden van de echte ethische vragen.


Maar zodra het om eten gaat, blijkt het verschil levensgroot. Of je kannibalisme nu goedkeurt of niet, het staat in geen geval op dezelfde hoogte als het eten van andere dieren. Mens op het menu - naast kool, kip en linzen: voor de gedachte deinzen we terug. Waaruit blijkt hoe sterk onze houding tegenover het menselijk lichaam, zelfs het dode, verschilt van die tegenover lichamen van andere dieren.


Olifanten en dolfijnen vertonen bij dode soortgenoten gedrag dat lijkt op het onze. Maar de emoties bij het naderen van een lijk - ontzag, eerbied, angst ¿ kan alleen een zelfbewust wezen ervaren. Het zijn gevoelens die thuishoren op het door de filosofie verwaarloosde terrein van de geest, die ik hiervoor al piëteit heb genoemd. Een lijk hoor je niet achteloos aan te raken, te beschadigen of te onteren: de voormalige bewoner hangt nog als een aura om het omhulsel heen en vraagt om betreurd te worden.


Dit alles is schitterend verbeeld in Homerus' 'Ilias', wanneer de oude koning om het ontheiligde lijk van Hector komt vragen. Niet elke cultuur kent de gevoeligheid van de Homerische Grieken, maar overal roept het menselijk stoffelijk overschot een soort piëteit op. Dat is geen toevallige, niet-bindende karakteristiek, maar het niet-rationele gevolg van het feit dat we rationeel zijn. Je kunt heel goed een functionele reden voor die gevoelens verzinnen, maar die verdampen als je er uitsluitend in functionele termen over denkt. Piëteit bestaat zolang we niet naar de reden ervoor vragen; precies dat is de kern ervan: het is een plichtsbesef dat de gestelde eisen niet betwist.


Voorzover ik weet eten mensen hun huisdieren niet op, zelfs niet als het dieren zijn die horen bij soorten die doorgaans op de menulijst staan. Huisdieren zijn ereleden van de mensengemeenschap; ze delen zelfs in de nimbus die het mensenlichaam omgeeft - de stralenkrans die Michelango aan zijn 'Pièta' meegaf. Mensen begraven hun poes of hond zelfs en zetten een steen op hun graf. Het mag belachelijk klinken, maar het dier geniet een piëteit die het ontleent aan de rol van gezelschapsdier, ook als het zijn baasje niet meer tot gezelschap dient.


Gevoelens van piëteit zijn terechtgekomen in religieuze verboden rond vleesconsumptie. God hecht belang aan wat we eten omdat dat niet alleen het lichaam raakt, maar ook de ziel. Daarom verbieden spijswetten niet het eten van dode dieren, maar gebeiden ze dat we onszelf geen schade berokkenen door het nuttigen van verboden voedsel. Dat bevestigt hoezeer wij gevoelsmatig onderscheid maken tussen mensen en dieren.


Eten betekent voor ons iets anders dan voor andere dieren. Dat komt doordat wij morele wezens zijn. Alle traditionele samenlevingen beschouwden eten als een sociale, vaak ook religieuze handeling, versierd met rituelen en beleefd als de belangrijkste viering van lidmaatschap. Rationele wezens worden gevoed met gesprek, smaak, goede manieren en gastvrijheid; als je het eten daarvan uitzondert, ontdoe je het van zijn echte betekenis. Denkende mensen genieten niet zozeer van het zichzelf volproppen, maar van de aanblik van een rijk voorziene, goedgedekte tafel met gasten eromheen die zich hebben aangekleed voor een ceremonieel offer. Hun maaltijden zijn offers, sommige antropologen beweren dat de oorsprong van ons carnivore gedrag ligt in het antieke brandoffer. Hoe het ook zij: het aanbieden van voedsel is het hart van gastvrijheid.


In onze fast food-samenleving bieden we anderen geen voedsel aan - we halen het af. In ons eentje werken we hamburgers en pizza's naar binnen. Voor de tv nuttigen we een magnetronhap; als gezin aan tafel zitten, thuis zelf koken: het verdwijnt. We hebben geen tafelmanieren meer. Daardoor vervaagt het onderscheid tussen eten en voedselinname.


Velen beleven in hun vegetarisme het keren van dat tij, het herstel van dat onderscheid. Groenten zijn gaven van de aarde en als je die eet, bevestig je je herkomst. Vegetarisch eten plaatst het voedsel terug in het morele leven, waarin een waardevol schaamtegevoel weer een rol speelt. Dat wordt in stand gehouden door gewetensbezwaren.


Het eten van vlees valt niet te rechtvaardigen zonder in te gaan op de fundamentele vragen die ons eetpatroon ons opdringt. De bewijslast ligt bij de carnivoor: die zal moeten aantonen dat het eten van vlees past in een levensstijl waar je je niet voor hoeft te schamen - terwijl het op dit moment geassocieerd wordt met het beeld van de eenzame holbewoner die zichzelf volvreet met hamburgers.


Ik zinspeelde al even op het onderscheid tussen fout eten en eten dat deugt. Goed eten doe je door rekening te houden met anderen en door het gesprek met hen mogelijk te maken en zelfs te bevorderen. Met goede omgangsvormen voorkom je dat het dier plotseling de persoon overschaduwt, en zijn klauwen in het rommeltje op zijn bord slaat.


Er hoort bij dat je nadenkt over de voordelen en de schade die je handelen veroorzaakt. Ik haast me te zeggen dat ik dat niet utilitaristisch bedoel, door een allesomvattende balans bij te houden van lijden en genot. Ik bedoel het als humaan mens die vriendelijkheid wil bevorderen en wreedheid tegengaan.


De deugd van vriendelijkheid valt niet te begrijpen zonder een beroep te doen op verantwoordelijkheid, plicht en recht. Vriendelijkheid betekent: bejegenen met zachtheid, rekening houden met iedereen met wie je te maken hebt en zorgen dat je je verplichtingen jegens hen nakomt.


Zo komen we uit bij de hoofdvraag van de ethiek: Welke verplichtingen hebben we, en staan die ons toe om vlees te eten?


Dieren, gefokt en gehouden om door ons gebruikt te worden, zijn geen ereleden van de morele gemeenschap, zoals huisdieren dat wel zijn. Toch brengt het gebruik dat we van ze maken de plicht met zich mee om voor ze te zorgen. Dat begint bij de boer en loopt via de slager naar de consument. Allen profiteren ze van dieren en dienen daarom hun aandeel in de zorg voor het dier op zich te nemen.


Kritiek hebben op het houden van bio-industrievarkens en batterijkippen is volkomen terecht. Maar kijk eens naar een traditionele vleesboer die zijn kalveren in dertig maanden vetmest, in de zomer in de wei en in een warme schuur 's winters. Hij voert ze vers of ingekuild gras, maïs en bonen, let op hun kwaaltjes - en stuurt ze als hun tijd gekomen is naar het slachthuis in de buurt, waar ze meteen worden gedood door een humane slager. Zo'n boer zorgt voor zijn veestapel zo goed als maar kan; de beesten zijn zo gelukkig als hun natuur het toestaat. Wie om dieren geeft, moet dit toch de moreel juiste vorm van veeteelt vinden. Die het verdedigen waard is, zowel tegen hen die zich kanten tegen elke vorm van vleesconsumptie, als tegen de carnivoren die de voorkeur geven aan het onzichtbare leed in batterij en bio-industrie en in de doodsfabriek van het abattoir.


De verhouding tussen mens en dier is niet altijd zo harmonieus als je in kinderboeken over het boerenleven leest. Toch is dat maar één aspect van de ecologie op het platteland. De traditionele veeteelt houdt ook in dat het weidelandschap wordt onderhouden, met zijn wallen en heggen. Deze erfafzettingen verschaffen niet alleen schaduw en luwte aan het vee, maar verschaffen ook andere dieren een habitat. De agrarische sector heeft zo het Engelse landschap geschapen.


Het boerenbedrijf heeft een tweeeledig karakter. Het produceert voedsel én een complex, wonderschoon woongebied voor een rijkgeschakeerde flora en fauna.


Door de ogen van de agri-business gezien is dat verspilde ruimte. De meesten van ons zien het anders: als de vriendelijkste manier om het land te benutten. Het dier dat we opdienen, heeft daar de bescherming genoten van wie hem heeft gevoederd, zijn dood leek op die van het rituele offer in de Bijbel of de Homerische literatuur, het is een uitverkorene die een bijzondere dienst mag verrichten, waar hij zelfs een zekere eer aan kan ontlenen.


De echte kracht van het argument van de vegetariër zit, geloof ik, in de walging die de foute carnivoor teweegbrengt, de vleeseter die het product is van de overheersende fast food-cultuur en die zijn voedsel van zijn centrale plaats in het huiselijk en sociaal verkeer heeft beroofd. Van Homerus tot Zola is voedsel het eerste geschenk voor de vreemdeling geweest, de eerste ontlading van de goddelijke vredesgeest in een wereld vol menselijk conflict. Maar reduceer je vlees tot object van gulzigheid, zoiets als chocolade, dan vraag je je af: waarom moet daar nou een leven voor opgeofferd worden?


Die vraag is uitdagend. Je vraagt de hamburgerjunk om af te kicken. Waarom geef je zo toe aan je gulzigheid, waarom geloof je dat je mag doden, steeds maar weer, enkel en alleen om het genot dat geen enkele moraliteit vertegenwoordigt? De junk kan zijn schouders erover ophalen, maar de vraag blijft staan; het is er een uit vele die mensen zich stellen, vooral nu de oude vormen van piëteit wankelen.


Piëteit verhelpt onze religieuze schuld, en de gevoelens waar we allemaal erfgenaam van zijn, of we het nu willen of niet. Ik vermoed dat mensen precies daarom vegetariër worden: zo werken ze het restje schuldgevoel weg dat alle hubris aankleeft, en vooral aan de hoogmoed die samenhangt met de menselijk vrijheid.


Er bestaat trouwens nog een middel dat helpt en dat is vasthouden aan de joods-christelijke traditie. We moeten niet af van onze vleesetende gewoonten. Wel dienen we ze opnieuw te verbinden met moraal en ze weer op te nemen in warme menselijke relaties: door vlees te serveren als onderdeel van onze gastvrijheid, ons vreedzaam samenleven. Zo deden onze ouders het ook altijd, toen ze 's zondags na kerktijd het gebraden vlees opdienden.


Mensen die alleen zijn opgegroeid met fast food, weten niet wat opoffering betekent. Je houden aan etenstijden, goede manieren in acht nemen, tafelgesprekken voeren en weten dat koken een kunst is: het is zo goed als verdwenen uit hun wereldbeeld. Maar het zijn wel de zaken die deel uitmaken van een complex humaan geheel. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat ze, gevoegd bij de milieuvoordelen van kleinschalige veeteelt, ons een eerbare plaats in het grotere geheel geven, en dat ze, veel effectiever dan het vegetarische alternatief, de last van onze geërfde schuld opheffen.


Ik denk dat mensen die echt om dieren geven, vlees mogen eten. Ja, ik vind dat ze er zelfs toe verplicht zijn. Want als het ooit zover komt dat vlees eten voorbehouden is aan mensen die zich niets aantrekken van dierenleed, dan gaat de boer met hart voor zijn vee ten onder. Zolang je gewetensvolle carnivoren hebt, houdt diervriendelijkheid haar bestaansgrond.


Bovendien zijn carnivoren met een geweten een voorbeeld voor hun verdorven tijdgenoten door hun te tonen dat je vlees goed én fout kunt eten.


De plicht verlangt daarom niets minder dan dat we onze vrienden opeten.

Lees ook:

Roger Scruton (1944-2020) was de belangrijkste conservatieve denker van onze tijd

Filosoof Roger Scruton gold als de belangrijkste conservatieve denker van onze tijd. De zondag overleden Engelsman was de leermeester van Thierry Baudet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden