Tien gebodenCarel ter Linden

Predikant Carel ter Linden: ‘Begeren is heel menselijk, je bent nu eenmaal geen snijboon’

Carel ter Linden: ‘Ik zou in een volgend leven – mocht dat er zijn – onmiddellijk weer predikant willen worden’. Beeld Mark Kohn
Carel ter Linden: ‘Ik zou in een volgend leven – mocht dat er zijn – onmiddellijk weer predikant willen worden’.Beeld Mark Kohn

Carel ter Linden (Amersfoort, 1933) is predikant. Van 1983 tot 1999 was hij voorganger in de Kloosterkerk in Den Haag, waar hij veel leden van de koninklijke familie tot zijn gemeenteleden mocht rekenen. Eind vorig jaar verscheen bij de Arbeiderspers Ter Lindens bundel Nieuwe Bijbelse miniaturen.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Eigenlijk beginnen die geboden zo: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij heeft bevrijd’. Hier hebben we meteen het karakter van deze God te pakken; Hij is er één van de bevrijding, van het ruimte geven. Dit idee straalt als het ware in alle geboden door. Stelen, liegen, moorden enzovoorts: dát zijn die andere goden, al die belangen, krachten en machten in ons leven die ons gevangen kunnen houden.

“De vraag is dan: maar wat bedoelen we met het woordje God? Als ik het eenvoudig mag zeggen: God is dat wat ons mensen heilig zou moeten zijn. En onder heilig versta ik: onaantastbaar, onmisbaar voor ons leven; wat deze wereld van binnenuit samen kan houden en wat ons – als we daar niet naar handelen – splijten zal en de wereld in een chaos laat verkeren. God is dus, mijns inziens, geen entiteit van buiten. Er is een geschiedenis van de mensheid, die tweehonderdduizend jaar geleden begon, toen we van ‘mens’ begonnen te spreken. Die mens heeft met vallen en opstaan ontdekt dat het verstandig is om niet te liegen, om niet de vrouw – of man – van een ander af te pakken, niet het land te bezetten dat niet van hem of haar is.

“Doe je dat wel, dan ben je zélf ook niet langer veilig. Wat mij nou zo intrigeert, is dat al die in wezen ménselijke inzichten tot zo’n zelfstandig appèl op ons mensen hebben geleid om het goede te doen. Het oude volk Israël besefte dat het niet de natuur was, niet de zon of de maan, maar dat er een andere werkelijkheid voor nodig was om te boel bij elkaar te houden, een werkelijkheid die contact zoekt met de mensen, hen de opdracht geeft om in vrede met elkaar te leven.

“Je zou het met onze hedendaagse wetgeving kunnen vergelijken: we maken zélf onze wetten, teneinde de wereld te ordenen en goede verhoudingen tussen mensen mogelijk te maken. Daar wordt hard aan gewerkt. Zo’n tekst gaat naar beide Kamers, dan naar de Raad van State voor advies, terug naar Den Haag waarna de koning er een handtekening onder zet en wij ons er vervolgens aan houden. Als we dat niet doen, krijgen we op ons donder. Zo komt een wet, die aanvankelijk uit onszelf is voortgekomen, bóven ons te staan en zijn we haar onderdanen geworden. Dat is voor mij ‘God’. Onze eigen ontdekking.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Dan denk ik natuurlijk eerst aan dat verhaal van Mozes die boven op een berg met God in gesprek gaat en zo lang wegblijft dat het volk denkt: die komt niet meer terug, waarop men terugvalt in de oude natuurgodsdienst, goud en zilver omsmelt in een kalf en tot aanbidding overgaat. En zo zijn er talloze verbasteringen en karikaturen van die Bijbelse God in omloop geraakt. Nu zijn het geen totems of stierkalveren meer, maar ik vrees dat het beeld dat de Bijbelse verhalen van God geven iets anders wil zeggen dan wij er vaak van gemaakt hebben.

“Het beeld dat ik zelf van deze God heb, laat zich misschien het best illustreren met een verhaal over rabbi Mendel, een Russische rabbijn uit de negentiende eeuw die aan zijn medegeleerden vraagt: ‘Waar woont God?’ Die geleerden lachen hem uit en zeggen: ‘De hele aarde is toch vol van zijn heerlijkheid?’ Met andere woorden: God is toch overal? ‘Nee’, zegt rabbi Mendel dan, ‘God woont daar waar men Hem binnenlaat.’ Dat vind ik zo’n prachtig beeld. Het maakt ook alles helder. ‘God’ is een geestelijke werkelijkheid die we kunnen negeren – en dat doen we graag – of binnen laten – wat we moeilijker vinden – maar dat laatste redt ons en het eerste niet.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Het zal niet zo gauw meer gebeuren dat men in naam van God gaat vechten, maar als je mij persoonlijk vraagt of ik weleens iets met God heb verbonden op een manier waarvan Hij zou zeggen: Carel, wat doe je nou?... Nee. Ik heb in mijn werk ook nooit beweerd dat mijn uitleg de enig geldende zou zijn. Daar kwam altijd bij te staan: in mijn ogen. Of: als ik het goed heb begrepen, dan wordt hier zus of zo bedoeld. Een preek is een uitnodiging tot gesprek. Geen dogma.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen.

“Mijn grootvaders waren allebei dominee. Ik was als kind vooral zeer onder de indruk van die toga’s. Dat stond toch voor enig gezag. Dan bén je iemand. Enige ambitie heeft zeker een rol gespeeld in mijn uiteindelijke keuze voor theologie, al heb ik ook lang getwijfeld omdat ik het zag als een opleiding tot scheidsrechter terwijl ik veel liever zelf ging voetballen.

“Het predikantschap bleek van álles te behelzen: studeren, preken voorbereiden – de zondag was het moment waar alles zich op toespitste – maar ook: vergaderingen bijwonen, catechisatie geven, op huisbezoek gaan. Alles stond in het teken van mijn werk. Het was mijn tweede geliefde, die voortdurend aan mij trok… Diede, mijn eerste vrouw, kon weleens uitbarsten, dat zij in haar eentje het hele huishouden draaiende moest zien te houden, maar als ik me dan wilde verdedigen, onderbrak ze me: ‘Jij kunt er ook niets aan doen’. Zo is het; je kunt niet een beetje dominee zijn, althans, ik niet. Het is mijn passie. Ik heb mijn kinderen en mijn vrouw tekortgedaan door mij te weinig aan de sabbat te houden maar ik zou in een volgend leven – mocht dat er zijn – onmiddellijk weer predikant willen worden.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Dit zijn de twee gebeurtenissen die boven komen drijven als ik aan mijn ouders denk: een bezoek aan mijn lieve, geestige 89-jarige moeder die al een tijdje dementeerde en, gescheiden van mijn vader, in een verpleeghuis woonde. Ze zat een beetje voorovergebogen, met zo’n hangend hoofd. ‘Dag moeder.’ ‘Ah, jongen!’ Ze herkende me gelukkig altijd. ‘Vind je ’t fijn als we eens even een eindje gaan rijden?’ ‘O, heerlijk.’ Ik hielp moeder in haar jas, zette haar in de rolstoel en zo reden we samen het parkje rond.

“Eenmaal thuis – jas uit, terug in haar fauteuil – raakten we weer een beetje aan de praat, en zei ze: ‘Carel, weet je wat ik nou zo fijn zou vinden?’ ‘Zeg het eens, moeder?’ ‘Als we een eindje konden gaan rijden.’ ‘Tuurlijk,’ zei ik, ‘dan moeten we even je jas aandoen.’ En daar gingen we weer, door datzelfde parkje. Ik parkeerde de rolstoel bij een bankje, ging tegenover mijn moeder zitten en besloot een vraag waarover ik al langer nadacht aan haar voor te leggen. Ik zei: ‘Denk je dat je straks je moeder terug zult zien?’

“‘Ik denk het niet’, antwoordde moeder, ‘en ik weet ook niet of het zo prettig zou zijn… als g’uw hand zult leggen op dit grijze haar…’ Ik wilde vragen wat ze met die laatste zin bedoelde, maar ze dommelde alweer weg. Tijdens de terugrit naar huis spookte dat zinnetje door mijn hoofd. Het leek wel een dichtregel. Ik dacht: als het uit een gedicht komt, dan moet mijn oude leraar Nederlands, Herman Hissink, weten wie het geschreven heeft. Ik belde hem op. Herman hoorde me aan en zei: ‘Ik bel je zo terug’.

“Tien minuten later kon hij me vertellen dat het een regel was uit ‘Moeder’, van Jacqueline van der Waals. Ze schreef het in haar laatste levensjaar en vroeg zich af of haar veel te jong gestorven moeder haar bejaarde dochter wel zou herkennen in de hemel, ‘als g’uw jonge, blanke hand zult leggen op dit oude grijze haar…’ Prachtig toch? Dat gedicht lag dus verdorie ergens in dat demente geheugen opgeslagen. Ik denk niet dat ze in een leven na de dood geloofde. Daar had ik graag nog eens met haar over gesproken, maar ze stierf voordat ik er de kans toe kreeg. Dit waren de laatste woorden geweest die ik van haar heb mogen horen: als g’ uw jonge blanke hand zult leggen op dit oude grijze haar...

“Mijn vader woonde aan het eind van zijn leven in een verzorgingshuis. Op een dag besloot ik ’s nachts bij hem te blijven slapen, op een matrasje naast zijn bed. Ik vroeg hem: ‘Vader, wil ik je wat voorlezen? Straks ben je d’r niet meer en als ik je zou moeten begraven denk ik dat ik dan het avondgebed van Luther zou willen lezen…’

“‘Da’s goed, jongen. Doe maar.’ Ik las het gebed voor, ‘Heer, blijf bij ons want het is avond en de nacht zal komen…’, maar dat ene zinnetje, over de ‘strenge, bittere dood’, liet ik achterwege want mijn vader was 99 en dan is het toch alleen maar heerlijk als het einde komt? Maar goed: gebedje, amen, klaar.

“‘Mooi’, zei vader, ‘lees het nog eens.’ ”

VI Gij zult niet doodslaan

“Als de vraag is of ik ooit in de verleiding ben gekomen om iemand te doden, is het simpele antwoord: nee, van een moord hoor ik alleen maar uit de krant. Ik zou in dit verband graag iets anders willen aankaarten: de kernbewapening. We geven er nog steeds miljarden aan uit, geld dat ook gebruikt zou kunnen worden voor de bestrijding van honger, aan medische zorg of het helpen opzetten van industrieën en ga zo maar door, maar met die afschrikwekkende wapens voeden we alleen maar ons onderling wantrouwen en denken zo de wereldvrede in stand te houden. Si vis pacem, zegt men wel – als je vrede wil – para bellum: bereid je dan voor op de oorlog. Nee! Si vis pacem, para ­pacem! Biden en Poetin zouden weer eens bij elkaar moeten komen, erkennen dat ze met een waanzin bezig zijn en allebei uitspreken dat het niet hun intentie is om de wereld te vernietigen maar om haar te bewaren.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Mijn eerste vrouw werd ziek op haar 55ste en het was meteen duidelijk dat die vorm van kanker geen mogelijkheid tot herstel liet. Ons huwelijk is heel gelukkig geweest, precies zoals ik het eenieder gun; dat je met onderlinge verschillen in aard zo moeiteloos van mekaar houden kunt. Ik voelde me gekend, en herkend. We verstonden helemaal elkaars taal, tot het einde aan toe. Ik herinner me het moment nog goed waarop ze zei dat ze hoopte dat ik nog een lieve vriendin zou vinden. En die heb ik ook gevonden. Ik begreep de verwarring van mijn kinderen maar al te goed. ‘Waar is mama dan?’ ‘Mama is hier’, antwoordde ik, met de hand op mijn hart. Daar is ze. Zolang ik leef.

“Tineke en ik zijn inmiddels bijna vierentwintig jaar samen. Zestien jaar geleden zijn we getrouwd. Ik hoop dat ons huwelijk voor haar, als ik er eens niet meer ben, een dragende kracht zal zijn, precies zoals de herinnering aan mijn samenzijn met Diede dat nu nog steeds voor mij is.”

VIII Gij zult niet stelen

“We jatten voortdurend. Israël jat grondgebied van de Palestijnen. Wij jatten gas ten koste van de Groningers. We jatten frisse lucht. Ik heb ook weleens iemand horen zeggen dat we vluchtelingen de hoop op een betere toekomst ontnemen door ze eerst toe te laten en vervolgens weer de deur te wijzen, maar dat vind ik in het licht van wat er wordt gedaan om deze mensen te helpen, nogal een domme uitspraak. Ik begrijp maar al te goed dat we niet eindeloos vluchtelingen kunnen opnemen. Daar moeten we met z’n allen goede, politieke oplossingen voor zien te vinden.

“Wat mij persoonlijk betreft: ik heb er aan gedacht om Nederlandse les te geven – misschien ga ik het nog eens doen, hoor – maar misschien is het toch beter om dat te doen waar ik redelijk goed in ben: de Bijbelse verhalen, met hun roep om solidariteit, begrip en ruimte voor elkaar, op allerlei manieren levend te blijven houden. En je kunt natuurlijk goede doelen steunen, zoals Amnesty International en Novib. Aflaten? Eh… Ja. Ik vrees toch dat je daarmee wel het juiste beeld te pakken hebt. Laat ik het zo zeggen: ik doe wat binnen mijn vermogen ligt, maar van een zeker schuldgevoel zal ik niet zomaar worden verlost.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“‘Je moet in je leven altijd de waarheid spreken’, leerde mijn moeder ons, ‘maar je hoeft niet alles te zeggen wat waar is.’ Dat vind ik nog altijd zó’n wijze zin… Het is me nooit gelukt om een leugen lang vol te houden – je ziet het onmiddellijk aan me als ik lieg – maar ik durf tegenwoordig wel meer te zeggen over zaken die ik belangrijk vind en graag wil delen. Dat komt misschien ook wel door mijn leeftijd. Ik ben 87. Het is nu of nooit.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“We mogen naar van alles verlangen, maar er is een grens en die eerste grenspaal staat in Genesis 2, die boom in het midden van de hof. Daar niet aankomen, zegt God, die is van mij, maar het eerste wat die twee gaan doen is… Afijn, het zit kennelijk in ons: we móeten steeds de grens opzoeken. Welke grens ik opzoek? Poeh… Goeie vraag. Nou, je kunt bijvoorbeeld behoorlijk gesteld raken op een lief iemand en dan is het zaak om niet bij die grens uit te komen en er zéker niet overheen te gaan.

“Het leven van een predikant – en van eenieder die in vrij persoonlijke verhoudingen met mensen moet omgaan – kan soms best een opgave zijn. Dat vind je een cryptisch antwoord. Uitstekend. Cryptisch is altijd goed. Misschien mag ik het zo verwoorden: er zijn momenten geweest waarop ik tegen mezelf moest zeggen: Carel, je stapt nú op je fiets en rijdt naar huis. Begeren is heel menselijk. Omdat je nu eenmaal geen snijboon bent, zou mijn moeder zeggen.”

Lees ook:

Hoe predikant Carel ter Linden ook niet-gelovigen wil bereiken

Ook met zijn nieuwe boek, waarin hij zeventig bijbelverhalen uitlegt, probeert predikant Carel ter Linden medemensen te bereiken die zich niet-gelovig noemen. ‘De verhalen moeten zo overkomen dat iedereen voelt: dit is niet van vroeger, dit is van nu.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden