Paus Damasus was (vóór de invoering van het celibaat) nog een ‘streler van damesoren’

Bisschoppen op het Sint Pietersplein, tijdens de inauguratie van paus Franciscus. Beeld ANP

Tot pakweg duizend jaar geleden was het celibaat voor veel katholieke geestelijken een dode letter. Zelfs de allerhoogsten leefden er niet naar. 

Damasus I, paus van 366 tot 384, was de zoon van een Spaanse priester, en hield zelf ook van het vrouwelijk geslacht. ‘Streler van damesoren’ was zijn bijnaam en voor een wereldlijke rechtbank moest hij zich verdedigen tegen beschuldigingen van overspel. Het stond zijn heiligverklaring niet in de weg. Het aanroepen van Damasus beschermde onder meer tegen de griep.

Voor Johannes XII, paus van 955 tot 964, bleken zelfs vrouwelijke pelgrims niet veilig. Een tienjarige die hem aan zijn gerief had geholpen, werd als dank tot bisschop gewijd. Johannes XII stierf naar verluidt in het bed van een minnares, toen haar plots thuisgekomen man hem de hersens insloeg. Sommige pausen waren de zoon van een paus.

Van een handleiding hoe om te gaan met priesters en hun kinderen (het Vaticaan bevestigde deze week het bestaan van zulke richtlijnen) was destijds nog geen sprake. Daarvoor was het – zeker in het westelijk deel van de christelijke wereld – te veel de praktijk van alledag.

Paus Damasus Beeld Biblioteca Nacional de Portuga

Leefregels

In de Evangeliën staat geen letter over de noodzaak van celibatair leven. De apostel Petrus, later de eerste paus, was getrouwd. Het verlangen naar voorgangers die het lichamelijke en het geestelijke scheidden, kwam in de eeuwen daarna op. Mogelijk speelden invloeden van andere religies, die soortgelijke leefregels kenden, een rol. Op concilies in de vierde eeuw kwam eerst de noodzaak van seksuele onthouding en later die van het celibaat ter tafel.

In dezelfde eeuw schreef Augustinus zijn ‘Bekentenissen’. “Geef mij kuisheid”, smeekte de bisschop van Hippo, nadat hij eerder menig avontuur met vrouwen en jongens had beleefd. Woorden schoten nu te kort om zijn weerzin tegen seks te beschrijven. Hij had het over “een brandend gezwel” en “een gruwelijke gloed”. Met de invloed van deze later heilig verklaarde kerkvader op het denken won het ascetische ideaal aan kracht.

Maar van een streng opgelegde verplichting kwam het nog niet. Er waren ook christelijke filosofen die dat beargumenteerden: het huwelijk was toch een bezegeling van de goddelijke liefde. Dan kon van afleiding of onreinheid toch geen sprake zijn? Bovendien: hoe kreeg je mannen anders warm voor het priesterschap? Misschien vonden gelovigen het ook wel veiliger als hun parochieherder een vrouw had.

Er op los levende geestelijkheid

In de elfde eeuw haalde de kerk de teugels alsnog strakker aan. Pausen als Benedictus VIII en Gregorius VII hekelden de er op los levende geestelijkheid.

In eerste instantie werd het celibatair leven verplicht opgelegd aan hogere geestelijken, later ook aan gewone geestelijken, met allerhande ingrijpen- de straffen in het vooruitzicht.

De bisschop van Luik verzuchtte dat hij zo zonder personeel kwam te zitten. De aartsbisschop, die op een synode in Mainz in 1075 namens paus Gregorius VII de maatregelen afkondigde, werd door woedende geestelijken uit zijn stoel gesleept.

Ging het de kerk om hooggestemde idealen en zuiverheid? Om het weghouden bij het altaar van lieden die volgens Bernardus van Clairvaux nog erger stonken dan zwijnen? Nee, het draaide vooral om geld en macht.

In de concurrentiestrijd met wereldlijke heersers onderscheidde de internationale kerk zich graag als moreel hoogstaander. Belangrijker: steeds meer kerkelijk bezit verdween via vererving in handen van nazaten van geestelijken.

Met de strengere regels waren de priesters met relaties en kinderen allerminst de wereld uit. Zelfs menig paus bleef seksueel actief. Het inspireerde het protestantisme later tot kritiek op deze schijnheiligheid en tot andere leefregels voor hun voorgangers. Als antwoord op deze ketters werd het belang van het celibaat nog maar eens extra onderstreept.

Paul van der Steen bekijkt wekelijks het nieuws door een historische bril.

Lees ook:

Hoe het neefje van dé keizer president werd

DEJA VU Bewust van gevaren voor de democratie dienden Franse parlementsleden in het roerige revolutiejaar 1848 een voorstel in om deelname aan verkiezingen door leden van de voormalige keizerlijke familie te verbieden. De wet kwam er niet. Eind 1848 werd Lodewijk Napoleon, zoon van de gelijknamige voormalige koning van Holland en neefje van Napoleon Bonaparte, lid van de volksvertegenwoordiging.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden