Essay Literatuur

Over het sadisme, racisme en ander Kwaad in het werk van Gerard Reve

Bij de schandalen die herhaaldelijk losbraken rond zijn werk, beriep Reve zich op de stijlfiguur van de ironie. Maar in zijn hang naar het exces zat wel systeem.

Nog maar kort was Gerard Reve’s schrijverschap boven de grond gekomen, of de duivel bleek er al de hand in te hebben. Wanneer het in ‘De avonden’ (1947) Tweede Kerstdag is en we in gezelschap van hoofdpersoon Frits van Egters door ‘onze stad’ lopen, hult de Boze zich in de gedaante van Maurits Duivenis – onfrisse gelaatskleur, dun gelig haar, lapje voor zijn linkeroog. Twee dagen later verleidt Frits hem tot krasse bekentenissen, zoals de wens om jongetjes te wurgen dan wel te martelen. Wanneer Maurits ten slotte vraagt wat Frits nu eigenlijk van hem vindt, luidt het antwoord: “Je ziel is in nood, maar gek ben je niet. Het is een onschuldig, gezond sadisme.”

Onschuldig? Gezond? Dat staat nog te bezien. Wat zijn Reve’s betrekkingen met het Kwaad?

In de loop van zijn schrijverschap is Reve er steeds sterker van overtuigd geraakt dat het Kwaad intrinsiek deel uitmaakte van het innige verkeer tussen God en mens. Op dat punt heeft hij zich regelmatig uitgesproken in zijn brieven aan Josine Meyer – behalve zijn vaste astrologe ook zijn biechtmoeder. 

Reve bevindt zich aan het begin van de jaren zestig op een kruispunt van leven en werk; hij loopt tegen de 40, spreekt zich steeds openlijker uit over zijn homoseksualiteit, en wil katholiek worden. Hij profileert zich recht tegenover Meyer, die haar spiritualiteit veel rationeler beleeft en zich daartoe oriënteert op hindoeïsme en boeddhisme. In een brief van 11 december 1962 schrijft hij: “Ten eerste zijn het allemaal Valse Godsdiensten van Buitenlandse rijstkakkers en hongerlijders, maar het is mij bovendien te ongrijpbaar, te eenzijdig vooral. Het dierlijke en zinnelijke en agressieve wordt vrijwel volstrekt geloochend. (Je zal, God beware je, Gandhi bijvoorbeeld als vader gehad hebben!) We moeten in de dualiteit en de spanning daarvan leven, dat wil zeggen we zijn deel van het dierenrijk, en tegelijkertijd van Gods geslacht, engelen Gods om zo te zeggen. We moeten het materiële relativeren, zoals onze Verlosser gedaan heeft, maar de stof is toch ook onontbeerlijk voertuig, huis, uitdrukkingsmiddel, kortom een even tijdelijke als onvermijdelijke gevangenschap van de Geest. Alleen door beide polen te aanvaarden, kunnen we het Mysterie dienen en zijn.”

Manicheïsme

Reve mag dan uitdrukkelijk tegen de oosterse wijsheid en voor de christelijke levens­beschouwing kiezen, orthodox is hij niet. Hij staat dichter bij het manicheïsme, dat ervan uitgaat dat vanaf den beginne het Kwaad op één lijn met het Goede stond. Dat werd door de kerk al vroeg als een ketterse dwaalleer beschouwd. Om die reden werden in de Middeleeuwen de katharen, erfgenamen van de manicheïstische traditie, te vuur en te zwaard bestreden.

Karakteristiek voor Reve is dat hij in Satan de met humor begiftigde tweelingbroer van Christus ziet. Met zijn steeds demonischer wordende profetieën dient en eert hij in feite Satan. Vanuit die overtuigingen is het maar een kleine stap naar de conclusie dat het Kwaad net als het Goede uit God zelf moet zijn. Die stap zette Reve openlijk; hij zei dat het Kwaad alleen maar in het bestaan kan worden geïntegreerd als men doordrongen is van zijn hoge afkomst.

Dat Reve zich altijd een god naar eigen beeld en gelijkenis schiep, moge duidelijk zijn. Hij projecteerde zijn sadomasochistische inslag in een god die lijdt en er intens naar verlangt om door de mens te worden verlost, maar die ook het Kwaad in leven heeft geroepen omwille van de lust die het hem bezorgt. Wanneer Reve seksueel geprikkeld raakte door de gedachte aan een sneuvelende soldaat, heette het dat God ook door zulke fantasieën werd bezocht, maar er zo van schrok dat hij besloot mens te worden en het lijden op zich te nemen, ten einde van zijn schuld te worden bevrijd.

Projectie

Reve was zelf de eerste om te beseffen dat dit een projectie was. Op 23 maart 1966 schreef hij aan Josine Meyer dat hij in deze niets had aan objectiviteit en zich liever liet leiden door zijn karakter en persoonlijkheid. “Hoe kan ik een God ervaren, die niet in mij is, maar onafhankelijk van mij bestaat? God kan zonder mij niet bestaan.” In diezelfde brief lezen we dat “als God Liefde is, dan is God ook onderwerping, offer & lijden, & bevat God ook wel degelijk zonde. God is even zondig als ik, & behoeft evenzeer door mij verlost te worden als ik door Hem.”

Door het Kwaad samen met het Goede aan God toe te schrijven, net als de strijd tussen die twee, krijgen het Kwaad en de Zonde een bijna sacrale status. Wie welbewust zondigt en daarmee willens en wetens tegen God en Zijn geboden en verboden ingaat, streeft ernaar om met God op voet van gelijkheid te komen.

Veel van Reve’s protagonisten zijn behept met de onbedwingbare aandrang om anderen lichamelijk of geestelijk te kwellen en daar behagen en zelfs seksuele lust uit te putten. Dat die aandrang hem ook in zijn privéleven nooit losliet blijkt uit talloze plaatsen in het door Nop Maas opgetekende levensverhaal. Treiterzucht en verbale dan wel fysieke agressie zijn niet alleen karakteristiek voor Reve’s personages maar ook voor hun auteur.

Schuldgevoel

Niet dat hij daar zelf onbewogen onder bleef. Schuldgevoel was Reve net zo diep ingebakken als de lust in andermans leed. Die fundamentele tweeslachtigheid tekent zich al af in het vroege, sterk autobiografische verhaal ‘De laatste jaren van mijn grootvader’. Tijdens een ruzie met zijn broer neemt de ik-figuur wraak door stiekem het touw van diens vlieger af te breken.“Ik voelde een hevige smart, want wel placht mijn broer mij te sarren, maar de daad bleef slecht. Het verlies maakte op mijn broer weinig indruk, maar een diepe wroeging bleef mij kwellen. Steeds, wanneer over de verloren vlieger werd gesproken voelde ik tranen opwellen.”

De neiging tot het Kwaad wordt Frits van Egters in ‘De avonden’ meegegeven als een eerstgeboorterecht en vervolgens overgedragen aan Elmer, ik-figuur in de novelle ‘Wer­ther Nieland’. Elmer leeft zijn agressie uit op insecten, vissen, vogels en een kat en voelt zich bij de eerste ontmoeting met zijn latere vriend en bondgenoot Werther bekropen door ‘het verlangen hem op een of andere wijze te kwellen of geniepig te bezeren’. Wat daarbij opvalt is het geritualiseerde, magische karakter van het geweld, dat zich behalve op dieren ook op bomen en planten richt en, heel betekenisvol, door Elmer in regels, voorschriften en protocollen wordt vastgelegd. Daarmee neemt Reve een voorschot op zijn latere ontwikkeling waarbij het geweld wordt ingebed in een eigenzinnige duiding van het grote christelijke oerverhaal van offer, lijden en dood.

Ook in de twee gepubliceerde hoofdstukken van de nooit voltooide roman ‘In God we trust’ schrijft Reve geweldsfantasieën en een uitgesproken magische beleving van de werkelijkheid toe aan zijn hoofdpersoon, de volwassen Eric. Die verkeert in een vriendenkring waar pesterijen en conflicten de regel zijn. Eric beleeft er een satanisch genoegen aan om het vuur op te stoken. Zijn gevoelens jegens de zwarte Roy zijn ronduit racistisch. Hij ziet hem als een wezen van lagere orde en windt zich op bij de gedachte dat Roy zich ‘aan ons ras vergrepen’ heeft. Ook de manier waarop deze huisgenoot zich kleedt is een doorn in zijn oog.

Als er nog recht bestond zouden hem die kleren terstond van het lijf moeten worden gerukt. Hij overwoog dat Roy dan eigenlijk met zweepslagen door het huis zou moeten worden gedreven, de trappen op, weer naar beneden, terug naar boven, zo lang als zijn lichaam zich maar zou kunnen blijven voortslepen.

Maar de kastijder zelf wordt er ook doodmoe van, zei hij bij zichzelf. Je kunt ze alleen pijn laten voelen als je kans ziet ze zo hard te ranselen dat de huid wordt opengestriemd, zodat je de volgende slagen in het vlees kunt laten snijden. Want in hun vel zit nog geen gevoel, dat zit pas een heel eind eronder. Maar waar moeten de tijd en de energie vandaan komen? Als wij al onze krachten zouden moeten besteden aan hun correctie en opvoeding, wat blijft er dan van onze eigen beschaving over? Zo zal het blanke ras aan zijn eigen opofferingsgezindheid te gronde gaan.”

Rumoer

Dit vrij onbekende fragment loopt vooruit op bepaalde passages in de autofictionele roman ‘De taal der liefde’ (1972). Die veroorzaakten bij verschijning nogal wat rumoer, maar werden door veel lezers en door de auteur zelf afgedaan als ironie.

Ronduit racistisch zijn de dronkenmansfantasieën van de dichter Hugo Treger, hoofdpersoon van Reve’s roman ‘Bezorgde ouders’ (1988). Treger is bezeten door het idée fixe dat ‘zwarten, arabers, turkijers, bruine geiteneukertjes’ en andere ‘volksvreemde en arbeidsschuwe elementen’ zich te buiten zullen gaan aan seksueel geweld jegens ‘blanke’ en ‘blonde’ jongens, en om die reden hardhandig moeten worden aangepakt. Oprispingen als deze passen in een religieus geïnspireerde kijk op de werkelijkheid als zou die ’s nachts door God en overdag door de Satan worden beheerst. Treger ziet verlangend uit naar de in het Bijbelboek Openbaring voorzegde eindstrijd met het Kwaad, door een cohort van twaalfduizend zwarte katholieke knapen. Overigens moeten ook deze rechtvaardigen nog steeds ‘hun plaats weten’, zelfs nu er voorafgaande aan de ‘Oorlog van het Lam’ een zwarte paus zal zijn gekozen. Naar het schijnt loopt er in de persoon van de Ghanese kardinaal Peter Tucson al een kandidaat warm in de wandelgangen van het Vaticaan, dus is Reve een nog groter profeet dan hij zelf voor mogelijk hield.

Heiligschennis

In Reve’s werk zijn ook passages te vinden waarin seks en de daarmee gepaard gaande eerbied voor het goddelijke mysterie doorschieten naar kwade wil en agressie. Dan manifesteert zich de behoefte aan heilig­schennis die, anders dan het befaamde verlangen naar geslachtsgemeenschap met God in de gedaante van een ezel, werkelijk die naam verdient.

In een brief aan Simon Carmiggelt vraagt Reve zich suggestief af waarom de Schrift zwijgt over de aard van de martelingen en het seksuele misbruik waaraan de Romeinse soldaten zich te buiten zijn gegaan toen ze Jezus in de nacht voor zijn kruisiging gevangen hielden.

En in een van zijn martelsprookjes richt de woede zich op de Heilige Maagd die hem nu maar eens zijn zin moet geven. “Ik brandde geen kaars voor de lol. Ik kwam uit het bed en tilde het holle, zeer weinig wegende beeldje van de tafel en overwoog, terwijl mijn vuist het omklemd hield, gedurende één enkel ogenblik, het min of meer uitzinnige, bleke hoofdje er af te bijten of er af te slaan. ‘Trut van Troje’, mompelde ik.”

Als Reve in zijn geliefde schuilkerk Ons Lieve Heer op Solder weer eens een misviering bijwoont, voelt hij een haat “waarmede ik niets kon aanvangen en waarbij ik alleen maar, heel vaag, het besef had dat ik nog een gehele tijd erbij moest blijven om deze stoffige poppenkast terdege te bestuderen tot het tijdstip gekomen zou zijn waarop ik ergens het eerste eigen Altaar van de waarheid kon oprichten en zelf iets op touw zetten.”

In die nieuw te stichten kerk moet de ereplaats wel gereserveerd zijn voor de Satan, de gevallen aartsengel – de tweelingbroer van de ‘roomse zeikgod’ en ‘zenuwlijder’ Jezus Christus én als de schutspatroon van ‘verantwoorde wreedheid’.

Exces

Gedachtig aan zijn adagium dat God en Dood uiteindelijk identiek zijn had Reve het Baudelaire na kunnen zeggen: laat de kapitein van het dodenschip ons maar neerplonzen in de afgrond, onverschillig of die nu hemel of hel is. Alles is goed zolang we de grens naar het Grote Onbekende overgaan. Met de grote profeten, mystici en martelaren, én met ketters, satanisten en lustmoordenaars heeft Reve de hang naar het exces gemeen, de onbedwingbare behoefte om het verboden Heilige der Heiligen te betreden en daar de boel kort en klein te slaan. 

Lees ook: 

Kampioen van het treiterproza 

Recensent Sander Becker ziet gelijkenissen tussen Gerard Reve en Michel Houellebecq 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden