Beeld Trouw

Column Stijn Fens

Op zoek naar het tuinpad van mijn vader, op de braderie des doods

Ik ben bang voor de dood. Vooral voor het wegglijden uit het leven, terwijl je je daarvan bewust bent en niet weet waar het eindigt. Het beeld van het verdwijnen in het donker maakt mij angstig. Dat had mijn vader trouwens ook. Bang dat je je bewust zult zijn van je laatste gedachte. Mijn vader hoopte dat de dood een overgang zou zijn naar het licht en dat hij voor altijd in Gods nabijheid zou zijn. De mooiste woorden uit de Bijbel waren voor hem die van aartsengel Gabriël, die bij Zacharias komt en zegt: ‘Ik ben Gabriël, die in Gods nabijheid verkeert’. Die ene zin zou genoeg moeten zijn voor eeuwen van geloof. 

Of mijn vader na zijn overlijden bij God in de buurt is gekomen, weet ik niet. Zijn laatste verhuisbericht dateert alweer van twaalf jaar geleden, toen hij begraven werd op de Nieuwe Ooster in Amsterdam. Ik schreef er hier al eens eerder over.

Eerst nog even over God. Hij en in het bijzonder Zijn nabijheid na de dood, zijn voor steeds minder mensen een vanzelfsprekendheid, dus halen we nu de overledenen zoveel mogelijk naar ons toe. Zíj moeten ons dan maar nabij blijven. Misschien kunnen we ons zo met de dood verzoenen. Dat doen we vooral rond Allerzielen – van oudsher een katholieke gedenkdag, maar al jaren geleden ook doorgebroken bij het grote publiek. 

Onder verschillende pseudoniemen, dat dan wel.

Nabestaanden

Op de Nieuwe Ooster werd afgelopen woensdag ‘Herinnering verlicht’ gehouden, een avondherdenking voor nabestaanden. Aangezien ik een nabestaande ben, ging ik erheen. Het evenement bleek niet zonder gevaar te zijn. Zo werd mij op de website van de begraafplaats aangeraden een zaklamp mee te nemen en met het openbaar vervoer te komen. ‘Kom vooral niet met de auto, er is geen parkeerruimte. Om veiligheidsredenen wordt alle gemotoriseerd vervoer geweerd. Kom niet alleen, als u slecht ter been bent. Het golfkarretje kan u deze avond helaas niet vervoeren.’

Bij de ingang stonden meteen al tientallen kaarsen, aan licht hier geen gebrek. Het rook er indringend naar paraffine. Een man die een groen hesje droeg met daarop ‘Gemeente Amsterdam’ deelde een routebeschrijving uit die ik in het donker niet goed kon lezen. Had ik nou toch maar een zaklamp meegenomen.

We liepen de grote laan in. Het was fijn koud. Er was van alles te doen en te zien en overal waren lichtjes. Het was een betoverend geheel. We passeerden een zigeunerorkestje dat stemmige zigeunermuziek speelde, er was een brievenbus voor ‘Hemelpost’, waar kinderen brieven voor hun overleden oma in stopten, en er waren kraampjes waar warme chocolademelk en glühwein werd geschonken. Een gemengd koor zong gloedvol ‘Het Dorp’ van Wim Sonneveld.

En langs het tuinpad van m’n vader,
zag ik de hoge bomen staan.
Ik was een kind en wist niet beter,
dan dat ’t nooit voorbij zou gaan.

Gezeten rond enorme vuurkorven luisterden de mensen stil of zongen zachtjes mee. Het geheel had ook wel iets van een gemoedelijke braderie. De braderie van de dood.

Genummerde vakken

Niet overal was er licht, hele gedeeltes van de begraafplaats bleven in het donker. Het voelde alsof ik op het dak van een parkeergarage liep, terwijl beneden mij de doden sliepen in hun genummerde vakken. Af en toe meende ik zacht gemompel te horen en een afgemeten ‘Kan het wat rustiger?’ Voor de rest bleef het stil.

Tastend in het donker gingen we op zoek naar het tuinpad van mijn vader, die opeens heel ver weg leek en helemaal niet nabij. Zijn pad was helaas niet verlicht. Uiteindelijk vonden wij zijn graf door de lichtjes rond de laatste rustplaats van de oud-burgemeester van Amsterdam, die nog niet zo lang geleden schuin tegenover hem is komen te liggen. We zetten een lichtje op de grafsteen van mijn vader, waardoor zijn naam leesbaar werd.

Over Gods nabijheid kan ik niet zoveel zeggen, maar mijn vader was op dat moment heel dichtbij, net als de Dood. Die was er ook bij komen staan en sloeg een arm om me heen. Hij rook vaag naar paraffine. “Laat dat lichtje nog even branden, wil je?”, vroeg ik hem. De Dood nam een slokje glühwein en keek me begripvol aan. “Voor jou doe ik dat.”

Trouw-redacteur Stijn Fens volgt de katholieke kerk al decennia op de voet en schrijft columns over het geloof en zijn persoonlijk leven. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden