Essay

Onze interieurs verraden volgens filosoof Coen Simon onze behoefte om niet af te wijken

Thijs Wolzak fotografeerde mensen in hun interieur voor zijn fotoserie 'Binnenkijken' Beeld Thijs Wolzak

Interieurs, gefotografeerd door Thijs Wolzak, verraden volgens filosoof Coen Simon onze persoonlijke smaak - en onze behoefte om niet af te wijken.

Van mijn eerst verdiende geld kocht ik op mijn vijftiende een tweedehands bankje voor op mijn jongenskamer. Het was een donker houten tweezitsbankje uit de jaren zeventig waarvan de rugbogen en de planken zitting werden gevuld door twee dikke oranje kussens met een bruine fabrieksmatige paisley print. De vorm en de grootte van het bankje waren precies wat ik wilde, maar ik ergerde me aan het stofmotief van de bruine figuurtjes, die me deden denken aan de amoebes in de microscopische preparaten die we tijdens biologielessen bekeken. Dus toen het bankje de plek innam van een kastje dat nog vol had gestaan met prullaria uit mijn kindertijd, waaronder mijn smurfenverzameling, trok ik een wit laken over de kussens om de stof te verbergen.

In mijn ogen transformeerde het nieuwe meubel de slaapkamer van mijn jeugd tot een eerste eigen woonruimte. Een ruimte die niet langer louter was bedoeld voor mij, voor mijn nachtrust, mijn huiswerk, voor mijn kinderlijke fantasieën, maar een plek werd waar ik anderen ontving - het liefst vriendinnetjes - een plek waar privé tenminste een beetje publiek mocht worden. En in de tussentijd nestelde ik me op het meubel met mijn gitaar en fantaseerde al tokkelend over het volwassen leven dat op het punt stond te beginnen. Het enige wat de nieuwe bestemming verstoorde was het laken dat verschoof, telkens als ik of een ander op het bankje ging zitten, waardoor de eigenlijke bekleding op de hoeken bloot kwam te liggen. En een glimp op de lelijke stof voelde al als een ontmaskering. De ontmaskering van een hulpeloze onvolwassen jongen hunkerend naar liefde.

Georg Simmel (1858-1918) schreef in een van zijn korte essays een beschouwing over de esthetica van het handvat. We staan er niet gauw bij stil, maar het handvat van een antieke kan of kruik is eigenlijk een esthetische oplossing voor een paradox die ons hele leven doorkruist. Het handvat verbindt twee sferen die elkaar uitsluiten. Terwijl de kan als ‘kunstvorm een puur abstract, in zichzelf rustend bestaan leidt’, wordt ze ook ‘ter hand genomen en betrokken in de praktische levensverrichtingen’. De kan leidt zogezegd een dubbelleven. En, schrijft Simmel, ‘deze dubbelheid van de kan wordt nu in haar handvat het meest sprekend uitgedrukt’. Ze hoort evenveel bij de harmonische vorm van de kan als kunstwerk, als bij het praktische doel van de kan ‘als onderdeel waaraan zij wordt vastgepakt, opgetild, leeggegoten’. Een dergelijke verbinding is een hachelijke zaak. “Het handvat mag, ondanks de bereidheid tot vervulling van zijn praktische taak, de vorm-eenheid van de kan niet doorbreken.” Een opgave die volgens Simmel niet beperkt blijft tot het vormgeven van dingen, maar ook tot dat van individuele mensenlevens. Omdat aan ieder van ons de eis wordt gesteld ‘om zijn rol in de organische eenheid van de privé-sfeer te behouden’, terwijl hij tegelijkertijd ook dienstbaar moet zijn aan die grotere maatschappelijke orde. Dat vereist volgens Simmel een levenskunst die ‘de kleinere in de grotere kring helpt te integreren’. 

Het interieur van Antonio Beeld Thijs Wolzak

Wat een interieur blootlegt

Zoals een lakenpuntje genoeg was om mijn adolescente drijfveren te onthullen, zo zijn het in het algemeen de kleine dingen die grote wezenskenmerken kunnen blootleggen. En misschien is dat ook niet zo verwonderlijk, aangezien juist het onbeduidende zich niet achter andere grotere belangen kan verschuilen. Een asbak in een woonkamer is zowel een onschuldig bakje op tafel, als ook de meest compacte ontmaskering van de niet te beteugelen menselijke genotzucht. En ook het handvat lijkt zo onbeduidend door haar vanzelfsprekende noodzaak en eenvoudige ontwerp, maar dat de mens in staat is een artefact te ontwerpen dat twee elkaar uitsluitende sferen zonder logica maar op een natuurlijke wijze aan elkaar verbindt, is volgens Simmel een antwoord op ‘het onoplosbare geheim van het leven’.

Waarmee hij duidt op het ambigue lot van de mens die voortdurend ‘geheel en al toebehoort aan één omvattend rijk, en tegelijkertijd door een volstrekt andere orde van de dingen wordt opgeëist’.

Zulke logische onmogelijkheden, die het leven kenmerken, kunnen uiteindelijk niet met logica worden overwonnen, wel met esthetica, met onze verbeelding.

Wie dit beseft, kijkt voor altijd anders naar het menselijk interieur. Elke woning, en in het bijzonder de woonkamer, is de manifestatie van een geslaagde of minder geslaagde poging van het individu om zijn privé-orde te combineren met een publieke orde; een poging onze persoonlijke identiteit in overeenstemming te brengen met een maatschappelijke sfeer. En in onze geïnformaliseerde tijd is het interieur daarvoor een belangrijk instrument. Leefgewoonten worden niet langer door impliciete en expliciete regels, codes en etiquettes voorgeschreven en voorgeleefd. Sterker nog, juist het afwijken van dergelijke regels moet een bewijs vormen van de eigenheid en de persoonlijke ontwikkeling van het individu.

Het interieur van Anneke en Karel Beeld Thijs Wolzak

Het persoonlijke bestond natuurlijk ook in feodale tijden, maar de wijze waarop de inrichting van eetkamers, keukens, rookkamers, slaapvertrekken, de hal of de tuin aan een persoon vormgaven, bleef altijd verbonden aan de klasse, stand of maatschappelijke status. Dus voor zover je een persoon was, was je een exemplaar van een bestaande groep. De moderne geïndividualiseerde persoon heeft als ideaal zich te onttrekken aan een objectieve of algemene indeling; we zijn als persoon pas echt geslaagd als we nergens bij horen, als we ons eigen ontwerp zijn. De opgave van het moderne leven: erbij blijven horen in je onaangepastheid. En deze ogenschijnlijke onmogelijk- heid vraagt het uiterste van ons interieur: het moet tonen dat we nergens bij horen zonder dat we buiten de maatschappelijke orde vallen.

Te persoonlijk

Net als het handvat niet altijd een geslaagd esthetisch object is en de kan, kruik of pot daarmee ontsiert of juist onbruikbaar maakt, zo kan ook het interieur onze band met de wereld in de weg staan. Of vooral de band die de wereld met ons zou willen hebben - want de kluizenaar is gebaat bij een interieur dat buitensluit. En dat zijn paradoxaal genoeg juist de al te persoonlijke interieurs. De verbindende functie van een interieur werkt het best als het interieur het juiste midden houdt tussen het persoonlijke en het algemene.

Te persoonlijk stoot af, maar als de inrichting van je huis doet denken aan een snelweghotel is dat ook niet echt uitnodigend. Van een hotel mag je verwachten dat het schoon en netjes is, dat er handdoekjes op een stapeltje in de wc liggen en een flesje geurstokjes een zoete lucht verspreidt, dat er donkere onbesmettelijke plavuizen liggen, dat de kapstok voldoende lege hangers heeft, dat het niet duidelijk is of de vetplantjes in de vensterbank echt of namaak zijn en dat de decoratieve prints aan de muur kleuren bij de bank, maar als dit de orde is van een woonhuis dan zal niemand het idee hebben bij iemand thuis te zijn.

Het interieur van Rien Beeld photo: thijs wolzak

Om je thuis te voelen bij een ander moet je stuiten op geheimen waarvan je je als gast discreet hoort af te wenden. Zichtbare geheimen. Zoals een te grote stapel ongeopende post, het opgerolde inlegkruisje dat door de kier in het afvalbakje te zien is, de lingerie aan het wasrek boven de trap, de afspraak bij de uroloog op de keukenkalender, en het boek op het nachtkastje. Ze zijn even zichtbaar als de haartjes die uit de moedervlek op een bovenlip steken en even geheim omdat iedereen erover zwijgt.

Het menselijk gelaat en het menselijk interieur hebben veel gemeen. Ze vormen het oppervlak waar onthullingen en verhullingen plaats- vinden. Een stapel opgevouwen onderbroeken in een wasmand, of zelfs de vuile was in de emmer in de bijkeuken, geven minder bloot dan een slipje onder een kussentje van de bank. We gebruiken de ordening van onze huisraad, net als gezichtsuitdrukkingen, om af te leiden van het al te persoonlijke dat we noodgedwongen moeten laten zien. Want een mens kan een heleboel tonen zonder iets te onthullen. Behuilde ogen, wallen, pukkels, rode konen, alles wat op een of andere manier een verborgen innerlijk verraadt, kan een mens aan de oppervlakte verhullen met ironie, humor of woede.

Maar het beste middel dat een mens in handen heeft is toch zijn schroomvalligheid, zijn schaamte. Met hoeveel ongemak het gevoel ook gepaard gaat, schaamte is het handvat van het sociale leven, dat het privéleven op ingenieuze wijze met het openbare leven kan verbinden.

Het masker van een interieur

Als we ons schamen doen we iets buitengewoon paradoxaals: we verontschuldigen ons voor gedrag dat we tegelijkertijd goedkeuren. En deze ambigue houding is de sleutel tot het onoplosbare geheim waarmee privé en publiek aan elkaar kunnen worden verbonden. Een privéleven bestaat zoals gezegd niet zonder confessies. En zonder schroom over deze bekentenissen is er geen aansluiting te vinden in de openbaarheid. Dus wie zich schaamtevol toont kan juist zijn afwijking van het normale bekennen. Schaamte is het masker waarmee ons ongehoorde ik openhartig kan zijn.

Dat is ook altijd de functie van een masker, schrijft de Nederlandse theoloog en filosoof Frans van Raalten (1927-1986) in ‘Schaamte en existentie’ uit 1964. Het masker is ‘de uitdrukking van de tegenstelling tussen een persoon en de werkelijkheid waaraan hij wil participeren’. En daarmee is het masker evenveel het object van communicatie als de mogelijkheid van een persoon zich te verbergen.

Het interieur van Stellan Beeld photo: thijs wolzak

Deze januskop tekent de mens, die zijn unieke zelf altijd in overeenstemming wil brengen met algemeen geldende normen. Van Raalten verwijst naar de filosofie van Søren Kierkegaard als hij benadrukt dat de mens in deze opgave heen en weer wordt geslingerd tussen de maatschappelijke eis om eerlijk en transparant te zijn en de psychologische eis om zijn eigen persoonlijke driften te verbergen achter het masker van zijn identiteit. Want om jezelf te kunnen zijn, moet je je als het ware voordoen als iemand. Alsof je persoonlijke behoeften een innerlijke samenhang hebben.

Zo beschermt ook het masker van een interieur ons als persoon. Het toont mijn afwijking van het normale als iets normaals; als een harmonieuze compositie. Alsof ik thuis ben in mijn eigen afwijkingen en willekeurigheden.

Opgroeien is het geleidelijk toelaten van je aberraties én het maskeren daarvan. In dezelfde tijd dat ik angstvallig een laken over de bekleding van mijn bankje trok, liep ik rond in zelfgemaakte broeken, waarvan ik niet wilde zien hoe clownesk ze eigenlijk waren. Ik zocht duidelijk een nieuwe persoonlijke vrijheid, maar was bang het verkeerde te doen. Volgens Van Raalten zien we dit terug in het blozen bij de puber. “Hoe ouder men wordt, des te meer verdwijnt deze blos”, citeert Van Raalten Kierkegaard. “Naarmate het zelfbewustzijn toeneemt, verdwijnt de jeugdige verlegenheid en daarmede de blos, die de schaamte van de ‘verrassing’ en de eigen onzekerheid begeleidt.”

Het verdwijnen van de blos wil niet zeggen dat de schaamte verdwenen is. Zeker niet, maar de volwassen mens vindt zijn zekerheid in de meer ‘algemeen-ethische’ maskeringen. Dat ik nu niet meer zou blozen om de lelijke stof van een bankje is niet omdat ik me er niet voor schaam, maar omdat ik mij kan verschuilen achter aanvaarde maatschappelijke rollen, ik ben vader, schrijver, huiseigenaar. De persoon van een volwassen mens kan doorgaans niet meer door een enkele lakenpunt worden ontmaskerd. Dat betekent volgens Van Raalten, “een toename van zijn vrijheid. Want hoe meer onder de bescherming van de schaamte valt, des te beter kan hij zijn individualiteit bewaren en in harmonie met zichzelf blijven bij zijn contacten met allerlei mensen en in verhouding tot allerlei zaken.”.

Om als uniek persoon aansluiting te vinden bij wat men algemeen vindt, moet een mens voortdurend het spel blijven spelen van verhullen en onthullen. Net als bij de kan of de kruik bestaat er geen logisch verband dus de twee uiteenliggende sferen. En zo zien we dat uiteindelijk de verbeelding de logica altijd te hulp moet schieten. En dat esthetica meer is dan een schilderijtje aan muur. Esthetiek dient een ethisch doel.

De binnenwereld

De foto’s van Thijs Wolzak laten zien hoe esthetisering nodig is om onze privé-expositie (private exhibition) niet tot exhibitionisme te laten worden. We zien dit op de foto’s op twee manieren gebeuren. Allereerst door het interieur zelf, waarin een zekere stijl het ongehoorde een vanzelfsprekende en eigen plek geeft: de KLM-vliegtuigstoel, het draaiorgel, de marmeren trap, het achttiende-eeuws kostuum, en de talloze spinnewebben, ze horen er allemaal. Ten tweede zorgt Wolzaks compositie ervoor dat bewoner en interieur in één beeld worden opgenomen, waardoor het zichtbare interieur samen- valt met het geestelijk interieur van de bewoner.

Het interieur van Dineke en Menno Oosterhoff, Jöel, Paulus, en Lasse Beeld Thijs Wolzak

Wij zien zijn binnenwereld, de binnenwereld die nergens bij hoort. Wolzak toont hun aberratie verborgen in de esthetiek van de foto, op dezelfde wijze als Simmel beschrijft hoe het hand- vat de dubbele wereld van de kan verbindt. “Het gaat er, anders gezegd, om dat een soort schoonheid van hogere orde hen beide doordringt, en hun dualisme uiteindelijk tot synthese brengt in een niet verder te omschrijven eenheid.”

En zo vallen in het menselijke gewoon het interieur van een huis samen met het interieur van een persoon: wonen stelt ons in staat om te doen alsof we thuis zijn. 

Expositie

Dit essay is afkomstig uit het boek ‘Human Interior’, bij de tentoonstelling Binnenkijken. De foto’s van interieurs, gemaakt door Thijs Wolzak, zijn tot 17 februari te zien in het Design Museum Den Bosch. Info: designmuseum.nl

Thijs Wolzak (teksten van Coen Simon en Arnon Grunberg): ‘Human Interior’, Lecturis,  120 blz. € 29,95

Lees ook: 

De hele wereld lijkt wel op zoek naar een thuis

Hij wist niet dat hij ernaar verlangde. Enkele jaren geleden maakte schrijver Daniel Schreiber (1977) een crisis door, toen hij in Londen woonde. De lente was prachtig, maar hij liep rond met een verdriet zo intens dat het hemzelf verbaasde. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden