Geloofsbelijdenis

Ontroerend, dat die zin ‘En het eeuwige leven. Amen’ er een beetje bij hangt

Beeld Robin Héman

Stephan Sanders beschreef in deze krant hoe hij gelovig is geworden. Aan de hand van het Apostolicum – de christelijke geloofsbelijdenis uit de tweede eeuw die overal ter wereld wordt gebruikt – vertelde hij wát hij gelooft. Vandaag ter afsluiting de laatste regel uit die belijdenis, over het eeuwig leven. 

Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden; die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest; de heilige katholieke kerk, de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden; de verrijzenis van het lichaam; en het eeuwig leven. Amen.

Ontroerend vind ik het, als het half zingend-zeggen van de geloofsbelijden door jarenlange kerkgang zo’n routine is geworden, dat die laatste zin ‘… en het eeuwig leven’ er wat bij hangt, bijna als een afterthought, een soort nakomende gedachte. De meest godvruchtige mensen, en trouwens ook de meest wetenschappelijke mensen, breken zich het hoofd over wat ‘eeuwigheid’ zou kunnen zijn, en vooral: hoe we die oneindigheid in ons eindige, menselijke bewustzijn kunnen proppen.

En dan hoor je zo’n trouwe kerkganger van een zekere leeftijd het zonder enige aarzeling zeggen: ‘En het eeuwig leven. Amen’.

De laatste regel van een kinderrijm, onthouden uit de vroegste jeugd, dat er logisch en bijna gedachteloos uitrolt.

‘Amen.’ Vertaald als: ‘Zeker, het is zo’. Of, in de biddende vorm: ‘Het zij zo’. Er wordt bevestigd en beaamd, terwijl wij niets met zekerheid kunnen weten over dat eeuwig leven. Waarover men niet kan spreken, zeg ik met een twist, daarover moet men volautomatisch prevelen.

Visioenen als op een fel belichte filmset

Er zijn altijd gelovigen geweest die zich hele concrete voorstellingen hebben gemaakt van het leven aan gene zijde, aan Gods zijde. Hoe het eruit zal zien als wij door de dood heen zijn gegaan, en toch leven als in: nieuw, herboren. Wij heten dan allen Immanuel of Emmanuel, omdat God nu voor altijd met ons is. Dat is dan nog een kleinigheid. Grootse visioenen, als op een fel belichte filmset, waar alle details kloppen en alle rekwisieten staan waar ze horen.

Ik geloof in God, de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde.
En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,
die ontvangen is van de Heilige Geest,
geboren uit de Maagd Maria,
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven;
die nedergedaald is ter helle,
de derde dag verrezen uit de doden;
die opgestegen is ten hemel, zit aan de
rechterhand van God, de almachtige Vader;
vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest; de heilige katholieke
kerk, de gemeenschap van de heiligen;
de vergeving van de zonden; de verrijzenis van
het lichaam; en het eeuwig leven.
Amen

Vooral de tot in details beschreven splendeur van dit ene, ongekende leven schrikken mij af. Of beter gezegd: wekken mijn weerstand, zowel moreel als esthetisch.

Als wij God als het ‘Ganz Andere’, aldus Karl Barth – een van de belangrijkste twintigste-eeuwse theologen – niet kunnen kennen, hoe komen wij dan in godsnaam te spreken als een stel interieurarchitecten over de inrichting van zijn eeuwige huis?

Dr. A.A. van Ruler, de in deze rubriek al vaker opgevoerde theoloog en hervormde dominee, beantwoordde in zijn boek ‘Ik geloof’ de vraag wat het eeuwig leven dan wel zou kunnen zijn. ‘Die vraag moeten we niet al te vlot willen beantwoorden. Ook niet al te grondig en volledig.’ Hier spreekt een terughoudendheid die zeer aan me is besteed.

Geniale Reve zoekt het in het triviale

Mijn lievelingsauteur Gerard Reve, veel te weinig genoemd in deze serie, waagt zich ook aan een beschrijving. Maar het geniale van Reve is dat hij het niet in het grootse zoekt, maar in het triviale. In Reve’s Koninkrijk Gods hoef je ‘nergens meer naartoe’, want iedereen bevindt zich ‘op beloopbare afstand’. Het zal ‘verrassend dorps zijn opgezet. En niet veel groter dan Schoorl; windstil weer; babbeltje maken; man rookt pijp aan achterdeur, kijkt naar lucht, enzovoorts.’

Hier worden vergezichten van al hun pracht en praal ontdaan. Ineens, door dat specifieke ‘Schoorl’ en ‘man rookt pijp’, nu al niet meer voorstelbaar, worden we er fijntjes op gewezen dat alles wat we erover zeggen, meer vertelt over onszelf dan over de eeuwigheid.

Er is een ander citaat van Reve, uit het begin van de jaren zestig. De tijd dus dat hij zichzelf gelovig begon te denken, maar nog niet was overgegaan tot het katholicisme. Het eeuwig leven waarover Christus spreekt, stelt volgens Reve ‘de mens in staat verlost, uit water en geest herboren, volledig, dat wil zeggen vrij van vrees, te leven’.

Tien jaar geleden moet ik dat zinnetje voor het eerst onder ogen hebben gekregen. Ik was toen nog geen kerkganger en officieel niet gelovig. Maar dat ‘volledig leven, dat wil zeggen vrij van vrees’ trof me meteen als de meest eenvoudige en ook bevredigende woordcombinatie die ik ooit over de eeuwigheid las.

De eeuwigheid als een oneindig uitgerekt Nu, maar wel een ander Nu dan we als stervelingen beleven, vol angst en zorg en vrees.

Reve's persoonlijke ‘neurosen’

Ook deze voorstelling van Reve is een zeer menselijke, en het kan niet anders dan dat Reve’s persoonlijke ‘neurosen’, om het ouderwets te noemen, hier opspelen. Ze lijken trouwens sprekend op die van mij.

Na lezing van Nop Maas’ driedelige biografie over Reve durf ik te zeggen dat de grondtoon van zijn leven ‘angst’ was. Voor van alles en nog veel meer.

En precies die angst moest overwonnen worden. Reve realiseert zich begin jaren zestig dat hij ‘met geen enkele homo die hij kende verwantschap voelde’, schrijft Maas.

Reve: ‘Ik bedoel hun verering van mooie kleren, lekker eten, elegant uitgaan (…) hun gebrek aan moed (…). En nooit mag hun moeder, zuster, vader, collega (…) iets weten. Ik wil niet in een hoek en een verborgen hol leven. (…) Ik ben een schepsel Gods en geen karikatuur’.

Dit is geen ‘coming out’ in homoseksuele zin: dit is ‘uitkomen’, zoals liberale joden het noemen wanneer een niet-jood of ‘Vader jood’ overgaat tot hun geloof. De moed van Reve in die tijd, ik kan het niet anders zien, is een voorschot op de eeuwigheid. Amen.

Lees ook:

Het geloof van Stephan Sanders

Stephan Sanders beschreef eerder in deze krant hoe hij gelovig geworden is. In deze verhalenreeks zette hij uiteen wát hij gelooft, aan de hand van de Apostolische geloofsbelijdenis. Lees hier de vorige aflevering, over de verrijzenis van het lichaam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden