null Beeld

EssayToerisme na corona

Nooit meer op vakantie om het klimaat? Reis hedonistisch (en schaam je niet langer)

Met reizen is het als met eten: heb je het beste met de wereld voor, dan moet je minderen. Maar, vraagt filosoof Pieter Hoexum zich af: is dat de boodschap die je wilt horen, na jaren van verplicht bankzitten?

Pieter Hoexum

Iemand van het onvolprezen tv-programma De keuringsdienst van waarde ontdekte in de supermarkt bourgondische krieltjes. En dat niet alleen. Er blijken ook bourgondische appeltaarten te bestaan, en bourgondisch brood, en bourgondische ham… en zo verder.

Het bleek een nogal goedkope, maar effectieve marketingtruc: je hoeft maar het woord bourgondisch te laten vallen of consumenten trekken de portemonnee. Want bourgondiërs zijn levensgenieters, en wie wil dat nu niet zijn?

Bij nader onderzoek bleken de bourgon­dische producten vooral erg vet en zout of zoet te zijn en dienen ze ongegeneerd in grote hoeveelheden opgegeten te worden. Liever te dik in de kist dan een feestje gemist, daar komt het op neer. Bourgondisch betekent dat je zonder schuldgevoel kunt schransen. Sterker nog, je kunt er trots op zijn, want het schransen krijgt iets deftigs, iets hertogelijks. Bourgondisch refereert ­immers aan het hof van de hertogen van Bourgondië in de vijftiende eeuw.

Voor hen was eten politiek: hun diners, feestmalen en banketten overtroffen de stoutste verbeelding. Zij wonnen eer, roem en reputatie niet op het slachtveld, maar in de eet- en feestzaal. En dat is toch een stuk beter dan oorlog voeren.

Bovendien – en misschien is dat wel het geheim van bourgondisch – heeft het ook iets rebels, iets opstandigs. Een bourgondiër is geen kniesoor, en zeker geen gutmensch of dieetdrammer. Een bourgondiër verzet zich juist tegen betweterig moralisme. Een bourgondiër doet het lekker toch.

Het kan allebei: milieubewust én een levensgenieter zijn

Ergens heeft de bourgondiër wel een punt. Als je keurig volgens de schijf van vijf eet, maakt dat je nog geen beter mens. Hoewel, behalve gezondheid zijn er ook nog ­ecologische aspecten: (veel) vlees eten is ­bijvoorbeeld schadelijk voor het milieu. Je zult toch echt moeten minderen…

Juist de morele superioriteit van dieet- eters drijft velen ertoe het tegenovergestelde te doen. Alles liever dan een moraalridder of zedenpreker te worden. De angst van de bourgondiër voor betutteling is terecht, net als diens weerzin tegen moralisme.

Gelukkig kun je best milieubewust én een levensgenieter zijn. Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, het hedonisme biedt hier uitkomst, als redelijk alternatief voor de bourgondische levensstijl.

De genotzuchtige hedonisten zijn weliswaar aanhangers van Hedone, de godin van het plezier en genot, maar leven niet naar het bourgondische motto ‘lekker doen waar je zin in hebt’. Een hedonist is geen tobber in die zin dat hij zich tot in het absurde druk maakt om gezondheid, het milieu, het klimaat, of dergelijke abstracties. Hij maakt zich druk om iets heel concreets: zijn eigen genot. Hij denkt zorgvuldig na over, en ­besteedt veel aandacht aan zintuigelijke ­ervaringen en genot.

‘Om van het leven te genieten moet men er economisch mee omspringen’

Het is onterecht dat hedonisme een nogal slechte naam had en heeft. Hedonisten zijn verstandige levensgenieters: fijnproevers die door mondjesmaat te eten uit ieder hapje maximaal genot halen. Epicurus, een beroemde hedonist uit de oudheid, leefde volgens de overlevering zeer sober, op een dieet van water en brood – toen hij eens uit de band wilde springen, schreef hij aan een vriend: ‘Zend mij wat kaas, opdat ik een feestmaal kan houden’.

Ook filosoof Michel de Montaigne wist, als een waar stuurman, zijn bootje tussen de klif van al te strenge ascese enerzijds en de klif van te grote gulzigheid anderzijds te loodsen. Deze essayist uit de renaissance ontwikkelde zich van scepticus tot stoïcijn, tot hedonist. Montaigne eindigde als levensgenieter, ook al vierde hij het leven bepaald niet uitbundig, maar juist heel spaarzaam, mondjesmaat.

Niet alleen omdat hij aan het einde van zijn leven zwak en ziekelijk werd, maar vooral om zo veel mogelijk van het leven te kunnen blijven genieten. Dat kon dan wel niet meer met volle teugen, maar hij ontdekte dat zijn genot, door er uitgebreid bij stil te staan, het als het ware te herkauwen, groot kon blijven en zelfs groter worden.

‘Wat me genoegen verschaft, overdenk ik bij mijzelf. Ik loop er niet oppervlakkig overheen. Ik peil het tot de bodem en dwing mijn geest, die humeurig is geworden en moeilijk te behagen, zich ervoor open te stellen. Ben ik in een toestand van rust? Word ik gestreeld door een of ander genot? Dan laat ik dat niet door mijn zinnen weg­kapen. Ik laat mijn geest eraan deelnemen. Niet om zich te binden, maar om mee te genieten; niet om zich erin te verliezen, maar om zich er in te vinden.’

Montaigne heeft het ook korter geformuleerd: ‘Om van het leven te genieten moet men er economisch mee omspringen’.

Vooruit dan maar, 3 kilo koffie voor 65 euro

Trouwens, enkele weken nadat ik De keuringsdienst van waarde had gezien, bleek nog maar eens dat milieu, gezondheid, maatschappelijke verantwoordelijkheid en genot geen concurrerende waarden hoeven te zijn, maar in elkaars verlengde kunnen liggen. Het programma De prijsknaller – ik heb blijkbaar een zwak voor dit soort programma’s – deed een boekje open over de koffiehandel.

De koffie bleek duur betaald te worden, maar niet door de consument. Wel door de koffieboer en het milieu. Het bleek het beste om koffie te kopen bij een Nederlandse handelaar die zelf rechtstreeks handel drijft met de koffieboer. Ik ging op onderzoek uit en schrok van de prijs die je dan betaalt: 20 tot 30 euro per kilo koffiebonen. Krankzinnig? Nee, de 6 euro die je in de supermarkt betaalt is krankzinnig. Dus vooruit dan maar, 3 kilo koffie voor 65 euro.

Het werd een succes: omdat het zo duur is, doen we veel zuiniger met de koffie en drinken ruim de helft minder koffie, terwijl we er meer dan dubbel zo veel van genieten.

Binnenblijven bleek tijdens corona lang niet altijd prettig

Als het gaat om reizen, speelt hetzelfde dilemma als bij eten en drinken: we moeten minderen, we moeten af van het gedachte­loze kilometervreten, zónder een onder reisschaamte gebukt gaande, krampachtige CO2-uitstootteller te worden. Nu de coronacrisis min of meer bedwongen lijkt te zijn en we weer op pad kunnen, staan we ook voor een probleem: hoe behoud je, of herover je, het plezier in het reizen, in tijden van vliegreizen-tegen-dumpprijzen én een dreigende klimaatramp? Er is een krankzinnig uitgebreid aanbod, allemaal even verleidelijk… maar moeten we dat reizen niet opgeven?

Daarvoor lijkt reizen toch te belangrijk, onmisbaar zelfs. Zelfs Montaigne zou dat ­beamen, al was hij typisch een leunstoelfilosoof die liefst bij het haardvuur, en nog liever in bed, zat te lezen en te peinzen. ‘Loop niet weg, je hebt thuis genoeg te doen’, hield Montaigne zijn lezers (en zichzelf) voor.

En terecht, hoewel de coronacrisis met haar quarantaines duidelijk maakte dat verplicht thuisblijven, vreemd genoeg, helemaal niet zo makkelijk is en zeker niet altijd prettig. Dat binnenblijven bleek veel grote en kleine misère met zich mee te brengen. Zo is het gevaar dat je verzinkt in je eigen gedachten, in je eigen gelijk. Thuis bleek een tunnel waar je in loopt zonder iets op te schieten.

Thuis biedt geborgenheid, en dat is heerlijk, maar als je niet meer naar buiten gaat of zelfs niet naar buiten kunt, ben je niet meer geborgen maar opgeborgen. Wat je mist – wat je niet blijkt te kunnen missen – is je verplaatsen en je verbazen over andere standpunten. Je mist het eenvoudige genot van het onderweg zijn, het op reis zijn. Als je op reis bent, doet waar je vandaan komt of waar je naartoe onderweg bent, er niet meer toe. Je uitgangspunt, je principes en je plannen, je bestemming, zet je even tussen haakjes, zodat je je ogen onbekommerd de kost kunt geven.

Trek aan die slippers en korte broek

Eindelijk kun je je weer verwonderen. Word toerist! Niet zo’n toerist die dwang­matig alle bezienswaardigheden-die-je-gezien-moet-hebben uit de reisgids afstreept, maar een toerist voor wie alles interessant is, zelfs, of beter gezegd: juist zoiets banaals als een supermarkt.

Doe een korte broek en slippers aan en slenter op je dooie gemak naar de dichtstbijzijnde supermarkt om je te verbazen over het aanbod, alsof het het Rijksmuseum is. Precies daar wist Montaigne alles van. Niet van supermarkten, maar wel van dergelijk toerisme. Voor een notoir thuisblijver heeft hij best veel gereisd, vooral door Frankrijk, maar hij heeft ook een anderhalf jaar durende reis naar Rome gemaakt.

Die reis maakte hij op zijn oude dag, toen hij al behoorlijk ziek was (hij had nierstenen). Montaigne schrijft dat zijn vrienden hem waarschuwden en dat hij hun raad in de wind sloeg:

‘Maar als je op jouw leeftijd zo’n verre reis maakt, kom je nooit meer terug.
Nou, en?
Ik ga niet op reis om terug te keren of om de plaats van bestemming te bereiken. Ik ga alleen maar weg om in beweging te zijn, zolang ik het fijn vind mij te bewegen. Ik reis om te reizen.’

Montaigne was altijd onderweg

Lang geleden schreef Kees van Peursen een mooi boek(je) over Montaigne, met de treffende titel Michel de Montaigne, Het reizen als wijsgerige houding. Die houding komt erop neer de reis hoger te achten dan de bestemming. Dat mag inmiddels een cliché ­heten, maar Montaigne is niet een ­filosoof die nieuwe, diepe waarheden opdelft.

Hij blinkt juist uit in het levensecht en fris invullen van zulke algemene, toch wat holle en versleten waarheden. Montaigne denkt niet na, maar be-denkt zich, telkens weer, onophoudelijk. Hij is niet zozeer geïnteresseerd in uitgangspunten of conclusies, maar in alles wat daartussen zit: de redenering, de argumentatie… de ‘reis’. Het bereiken van een slotsom is een nederlaag, een vastlopen. Het overkomt Montaigne maar zelden, hij is een ware ontsnappingskun­stenaar.

En reiziger. Ook als hij in zijn studeer­kamer zit te lezen of te schrijven of in bed ligt te mijmeren, is hij onderweg. Van Peursen: ‘Het is Montaigne om de concrete, onvoltooide mens te doen, die nog onderweg is, geheel in beweging en die vanuit het beperkte uitzicht dat hij heeft van stap tot stap zijn route uitstippelt’.

Geen kilometervreter, maar een fijnproever

Montaigne reisde te paard, voetstaps. Een paard kan stappen, draven en galopperen, maar Montaigne reisde steeds in de eerste versnelling. Hij reisde niet om ergens zo snel of eenvoudig mogelijk te komen, maar maakte omwegen en stopte om de haverklap om een kijkje te kunnen nemen. ‘Ben ik een bezienswaardigheid misgelopen? Dan keer ik op mijn schreden terug en volg nog steeds mijn weg. Ik trek van te voren geen lijn waarlangs ik moet gaan, geen rechte en geen kromme.’

Dat zou ik hedonistisch reizen willen noemen: je reist vanwege het genot dat het reizen zelf je geeft en wordt zo vanzelf fijnproever en geen schrokop, geen kilometervreter. Iedere stap van de reis is de moeite waard.

Een bekend Chinees gezegde zegt dat ­iedere reis met een eerste stap begint. De hedonistische reiziger keert het om: iedere stap is een reis. Een heerlijke belevenis, een verrukkelijk avontuur.

null Beeld
Beeld

Pieter Hoexum (1968) is filosoof, schrijver en essayist, onder meer voor Trouw. Hij schreef meerdere boeken, waarvan Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse zijn meest recente is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden