null Beeld Anne Caesar van Wieren
Beeld Anne Caesar van Wieren

Theologisch ElftalLevenseinde

Moeten we het juridisch mogelijk maken iemand die zijn of haar leven ‘voltooid’ acht te helpen?

Veel mensen willen dat het juridisch mogelijk wordt om actieve stervenshulp te bieden aan mensen die hun leven ‘voltooid’ vinden. Is dat een goed idee? Twee theologen geven antwoord.

Wilfred van de Poll

D66 wil nog dit jaar een wetsvoorstel over ‘voltooid leven’ naar de Tweede Kamer sturen, meldde Trouw zaterdag. Deze wet moet stervenshulp mogelijk maken voor ouderen die niet lichamelijk uitzichtloos lijden, maar wel hun leven ‘voltooid’ vinden. Uit een nieuwe peiling van bureau Panel Inzicht blijkt 6 op de 10 Nederlanders voorstander van dat idee te zijn.

Al in 2020 kwam D66-Kamerlid Pia Dijkstra met de eerste versie van deze initiatiefwet, maar daarna werd het stil. Gesteund door de nieuwe peiling wil de partij nu volgende stappen zetten. Moeten we het inderdaad juridisch mogelijk maken om actieve stervenshulp te bieden aan iemand die zijn of haar leven ‘voltooid’ acht?

“Ik vraag me af: wat is een voltooid leven?” zegt Hanneke Ouwerkerk, predikant van de Protestantse Kerk in Nederland te Schoonhoven. “Dat begrip vind ik heel problematisch. Het leven is geen project dat je kunt afronden. Je bent met allerlei draden aan andere mensen verbonden, aan generaties, buren, verwanten, vrienden. De dood snijdt dat allemaal door.

De dood ontwricht

“‘Voltooid’ is een nogal lieflijke term voor iets wat heel ontwrichtend is – de dood. En als het dat niet voor jezelf is, dan wel voor je omgeving. Dit wetsvoorstel gaat alleen maar over degenen die sterven. Maar ik vraag me of dat niet te beperkt is. De dood gaat nooit alleen over jezelf. Het is juist de ander die, als je dood bent, die dood moet verduren. Voor nabestaanden komt er verdriet, rouw, verwarring.”

Erik Borgman, hoogleraar Publieke Theologie aan Tilburg University: “Voor mij is het onderliggende probleem het idee van ‘zelfbeschikking’ waarop dit wetsvoorstel stoelt. We willen in onze samenleving die autonomie tot grondslag maken van alles. Maar er zullen altijd rafelkanten aan blijven, want in heel veel opzichten is het leven niet autonoom – wij hebben voortdurend anderen nodig, en anderen ons. Juist de dood verzet zich tegen autonomie. Die overkomt je. Bij het levenseinde kom je dus aan de grenzen van het idee van zelfbeschikking. En wij zijn als cultuur niet in staat die grens te accepteren.”

Ouwerkerk: “Daar ben ik het mee eens. Door voorstanders van deze wet wordt wel heel idealistisch gesproken over zelfbeschikking. Maar het ‘zelf’ is geen vaststaand construct dat altijd hetzelfde is. Je bent voortdurend in ontwikkeling. En vaak ben je ook voor jezelf niet zo eenduidig. Ik moet denken aan een lied dat we in de kerk zingen, waarin de regel voorkomt: ‘Twee zielen voeren in mij strijd’. Dat zelf is toch ook maar ploeteren, en niet zo’n vaststaand gebeuren.”

Bang om tot last te zijn

Borgman: “Els van Wijngaarden van de Universiteit voor Humanistiek deed onderzoek naar dit onderwerp. Zij geeft meerdere voorbeelden van mensen die zeiden hun leven voltooid te vinden, maar later, toen ze hulp hadden gekregen en iets gelukkiger waren, dachten ze daar anders over. Dan moet de conclusie toch zijn: ‘voltooid leven’ is geen zinvolle categorie voor wetgeving. Hoe lang moet je je leven voltooid vinden om te kunnen zeggen dat je oordeel niet meer zal veranderen? Hoe voorkom je dat er allerlei vormen van impliciete druk op mensen wordt uitgeoefend? Dat ze denken: ik wil mijn naasten of mijn kinderen niet tot last zijn?” Of dat ze bang zijn door bezuinigingen straks geen goede zorg meer te krijgen?”

Hij vervolgt: “Wat mij zo verbaast is dat er bij de wetsindieners zo weinig angst lijkt te zijn misschien wel te vróég in te grijpen. Stel je nou toch voor dat ‘we’ iemand gedood hebben, terwijl die persoon nog de kans had het beter te krijgen en iets anders te willen. De zorg om te vroeg te doden zou heel stevig bovenaan moeten staan, maar je hoort hem nauwelijks in de discussies. Het gaat steeds om het recht te sterven.”

Willekeurige afbakening

Ouwerkerk: “Wat ik verwarrend vind, is dat dit wetsvoorstel er enkel voor een bepaalde groep vanaf een bepaalde leeftijd is. Zij mogen dan het leven, met hulp van de dokter, teruggeven. De rest van de mensen mag dat niet. Terwijl ik dan denk: voor veel mensen is het leven zwaar, ze zijn puur bezig met overleven. En dat staat los van de leeftijd, het is niet aan een generatie gebonden. Hoeveel mensen slepen zichzelf niet de dag door? Maar voor hen is die wet er niet, zij mogen niet ‘klaar’ met hun leven zijn, of althans, de dokter mag hén niet helpen als ze dood willen.”

Borgman: “Ja, de afbakening in dit wetsvoorstel is willekeurig. Waarom alleen voor mensen boven de 75? Dan komt er iemand van 69 die ook ‘klaar met leven’ is. Waarom zou die dan niet ook dood mogen? Of iemand van 53? Enzovoorts. Dit is per definitie een glijdende schaal, omdat de criteria van deze wet niet hard zijn. Daarom zou ik zeggen: laten we deze richting niet ingaan, en bij het uitgangspunt blijven dat onze overheid en de medische wetenschap er zijn om het leven te beschermen. Punt.”

“Dit wetsvoorstel suggereert eigenlijk dat mensen het recht hebben om gedood te worden. Maar het opzettelijk doden van een medemens is altijd een nederlaag voor de hele samenleving. We hebben er dan kennelijk niet voor kunnen zorgen dat die persoon een goede en zinvolle plaats krijgt.”

Ouwerkerk: “Dit wetsvoorstel past in een ontwikkeling waarbij de overheid wordt overvraagd. Er liggen vragen onder over hoe we moeten leven, hoe we als samenleving met ouderen omgaan, over ouderdom en sterven. Er zijn andere plekken voor dit soort vragen. Verpleeghuizen, waar ook vaak geestelijk begeleiders zijn of pastores. Buurthuizen. Misschien ook het gezin, de familie. Geloofsgemeenschappen. Er zijn zoveel maatschappelijke verbindingsplekken waar me met elkaar het gesprek over de dood vorm kunnen geven.”

De rommelige, onbeheersbare dood

Borgman: “We moeten inderdaad ook het gesprek weer voeren over ‘stervenskunst’. Maar dit wetsvoorstel maakt het gesprek daarover nu juist moeilijker. Deze wet is niet meer dan een volgende stap in ons geloof in maakbaarheid. Er hangt iets opgeruimds om dit hele wetsvoorstel dat mij echt tegen de borst stuit. Alsof je de dood ooit ‘goed kunt regelen’!”

“Maar de dood accepteren, of ermee leren omgaan, betekent juist accepteren dat het leven níet maakbaar is. Echte stervenskunst is: leren omgaan met de ongemakkelijkheid van de dood, die altijd een pijnlijke inbreuk is, rommelig, onbeheersbaar. Deze wet bevordert niet het nadenken over stervenskunst, maar verdere stervensmijding.”

Piekeren, aftakeling en eenzaamheid

Om welke mensen gaat het bij de voltooidlevenwet van D66? In opdracht van het kabinet is dat onderzocht door een groep onderzoekers onder leiding van zorg-ethicus Els van Wijngaarden van de Universiteit voor Humanistiek. Begin 2020 verscheen hun rapport.

De onderzoekers schatten het aantal 55-plussers met een ‘persisterende doodswens’ zonder ernstige ziekte op 0,18 procent, ruim 10.000 mensen. Ruim driekwart daarvan was jonger dan 75 jaar. Het thema speelt dus niet alleen onder de hoogste leeftijdsgroepen en is niet ‘per definitie leeftijd gerelateerd’, aldus het rapport.

Ruim een derde zou hulp willen krijgen bij de levensbeëindiging. Twee derde wil het zelf doen. Maar ze willen het zelfdodingsmiddel vaak niet meteen innemen; er de beschikking over hebben geeft al een geruststellend gevoel.

Het gaat om een ‘heterogene groep’. Vaak speelt ander leed mee. Ook al zijn ze niet ernstig ziek, ze hebben vaak wel ‘forse gezondheidsproblemen’ vergeleken met leeftijdsgenoten. Ook zijn er andere factoren die de doodswens versterken, zoals piekeren (bij 80 procent), aftakeling (61 procent), eenzaamheid (56 procent), de angst anderen tot last te zijn (42 procent) en geldproblemen (36 procent)

De onderzoekers zagen veel ‘ambivalentie’. Mensen kunnen verschillende dingen bedoelen met hun doodswens en ogenschijnlijke tegengestelde wensen kunnen naast elkaar bestaan. De doodswens speelt meestal niet continu, weegt ook niet altijd even zwaar en blijkt vaak veranderlijk.

De ‘duurzaamheid’ van de doodswens is moeilijk voorspelbaar, schrijven de onderzoekers. Zelfs bij ouderen die jarenlang een ‘actieve doodswens’ hadden, bleek die te kunnen verminderen of verdwijnen. De onderzoekers stelden ook vast dat ‘een hernieuwde ervaring van verbinding cruciaal was in de levens van ouderen bij wie de doodswens verminderde of zelfs verdween’.

In het Theologisch Elftal reflecteren twee godgeleerden uit een poule van elf op de actualiteit. Lees hier eerdere afleveringen terug

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden