Column Bert Keizer

Lopen langs schedels, dat is geen subtiel memento mori

Een mogelijk dieptepunt in de evolutie van leven op aarde tref je in het beeld van de ­zogenaamd slimste aap op het erf die braaf achter een welhaast breinloze viervoeter aan sjokt om diens drollen in een plastic zakje op te vangen. In het zicht van een dergelijk tafereel kun je moeilijk volhouden dat er niks fout is gegaan.

Wij blijven een onbegrijpelijke aanwezigheid op aarde. Dat werd me nog eens extra duidelijk in Parijs, waar ik de catacomben bezocht. De gretigheid waarmee we in de rij staan om daar een blik te kunnen werpen op tienduizenden keurig gestapelde skeletten is fascinerend. Ik wilde er zelf ook per se heen. Waarbij ik niet goed begrijp waarom we daar willen rondlopen. Is het om zekerheid te verkrijgen over de aard van de doden? Want op kerkhoven zie je geen skeletten. Wat hier ligt opgestapeld, is afkomstig uit Parijse kerkhoven die men net voor het begin van de Revolutie begon te ruimen. Er liggen naar schatting skeletten van zes miljoen mensen in een onderaardse steengroeve van ongeveer 250 km lengte.

Twee jonge fysiotherapeutes in ons clubje gingen naarstig op zoek naar botten die ze kennen van een recent anatomisch practicum. Die moesten dan op de foto voor het thuisfront. Geen dijbenen, die kent iedereen, maar vooral ruggenwervels, liefst aangevreten door wat dan wel de pest geweest zal zijn. Hun belangrijkste vondst was een schouderblad, helaas niet met een pijlpunt erin. Voor hen waren al die botten een muffe rapportage over iets dat nogal eens schijnt voor te komen op aarde, het feit dat mensen sterven.

Sympathie voor hun bottenjacht

De rest van het gezelschap zat aan de verkeerde kant van de zeventig en wij wandelden aanzienlijk minder huppelend langs de resten van onze voorgangers. Dit was geen subtiel memento mori, meer een treiterig ‘kijk even goed waar je ‘t allemaal voor doet’.

In een van zijn reisbrieven schrijft Reve hoe hij hier rondloopt en er in slaagt om een schedel van onder een stapel weg te grissen en fluks in zijn boodschappentas te stoppen, waarna een hele stapel schedels kletterend achter hem aan komt rollen terwijl hij zich terughaast naar de groep en de gids. Heerlijke onzin, hoewel onze fysiotherapeutes wel ontdekten dat de schedels hier en daar los liggen. Ze tilden er net een op toen een suppoost hen betrapte. In plaats van verontwaardiging toonde hij juist sympathie voor hun bottenjacht en nam ze mee naar schedels ‘met kogelgaten’. Volgens een routinier uit de groep was dat geen didactische ijver, maar een manoeuvre in een heel ander spel. ‘Hij heeft er één keer succes mee gehad, en denkt nu dat het elke keer werkt.’ Bij de uitgang werden onze rugzakjes zorgvuldig gecontroleerd.

Ik kan het niet helpen, ik vind het prachtig

En omdat we nu we toch met de doden bezig waren, bezocht ik ook het graf van Napoleon in de Dome des Invalides. In 1770 stichtte Lodewijk XIV een verzorgingshuis voor zijn moegestreden soldaten. De koepel waaronder Napoleon ligt begraven is een deel van de 17de-eeuwse kerk die bij het complex hoort. In zijn testament schreef Napoleon: ‘Je désire que mes cendres reposent sur les bords de la Seine, au milieu de ce peuple français que j’ai tant aimé.’ Dat mijn resten mogen rusten aan de oevers van de Seine, te midden van dat Franse volk dat ik zo zeer liefhad. Ja, dat ‘resten rusten’ is geen mooie vertaling, maar daarmee zijn we aangekomen bij de lastige vraag waar de waardigheid ophoudt en de kitsch ­begint in het leven en streven van deze man.

Zijn graf is indrukwekkend, geheel ingericht naar de net niet fascistoïde ­esthetiek van de firma Vuist & Laars.

Ik kan het niet helpen, maar ik vind het prachtig. ‘Ja,’ zei een van mijn reisgenotes, ‘dat soort pompeuze niksigheid ligt jullie katholieken wel.’ Naar mens ­eigenlijk. Maar Nappie ligt daar hermetisch opgesloten in een gigantische marmeren doos, omringd door twaalf gevleugelde vrouwelijk Victoriebeelden met in de achtergrond nog eens een ­opsomming van zijn overwinningen in marmeren taferelen: Iena - Wagram - Austerlitz - enzovoorts.

Het leukste commentaar bij zijn roekeloze opstijging naar de keizerstitel komt van zijn moeder, die tijdens de kroningsplechtigheid verzuchtte: ‘Pourvu que ça dure’. In vrije vertaling: ‘Benieuwd hoe lang dit goed gaat.’

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden