Essay

Kijkend door het Oog van Allah werd Blossfeldt een ziener

Beeld Karl Blossfeldt

Cees Nooteboom herontdekt foto’s van het ‘lange verhaal van de natuur’, van een ‘niemand die ze in andere tijden Schepper noemden’.

Hoe begint iets? Is er altijd iets vóór iets anders, of is er een ‘voor’ zonder voor, een geheimzinnig ogenblik waarop het tellen begint dat er daarvoor niet was, de afwezigheid van tijd waaraan we niet kunnen denken zonder aan ons bestaan te twijfelen.

De sprookjes die we bedacht hebben om het begin zonder begin op te lossen, hebben we op bevel van de wetenschap ingeruild voor een waar verhaal van gespleten secondes, een onvoorstelbare ontploffing, en een ballet van gassen met namen waarachter de gedachte van een maker verdwenen is, de atomen waaruit we een tijdlang bestaan sluipen op een dag weer uit onze verdwijnende vorm, als we lang genoeg leven begrijpen we dat we de raadsels niet oplossen, de soorten van wezens die de aarde bevolken leven meestal maar vier miljoen jaar, en daar heb ik er meer dan tachtig van achter de rug, dus ik moet opschieten als ik in de buurt van Karl Blossfeldt wil komen.

Waarom wil ik dat? 

Maar waarom wil ik dat? Omdat Blossfeldt die foto’s gemaakt heeft vanuit een principe en met een bedoeling die met al mijn overwegingen niets te maken heeft, daarom. En omdat ik die foto’s, die hij nooit als mooi bedoeld heeft, mooi vind, en dat komt weer doordat bijna alles wat er op die foto’s staat niet door iemand gemaakt is. De iemand/niemand die andere tijden en andere mensen een Schepper genoemd hebben. Hoever zijn we nu? We hebben de tijd zonder tijd, een iemand/niemand, een ongenoemde maker, en een fotograaf die een aantal planten die degene zonder naam gemaakt heeft met licht heeft opgeschreven, het werk van de eigenlijke maker dus, die we voor het gemak de natuur noemen, de evolutie.

Misschien komt het doordat ik zelf soms iets maak wat er daarvoor nog niet was dat ik probeer de Niemand op het spoor te komen die de planten gemaakt heeft zodat Blossfeldt ze kon fotograferen. Hoe heeft hij dat gedaan?

''Neem een proton'' 

“Neem een proton,” zegt Bill Bryson in zijn ‘Een kleine geschiedenis van bijna alles’ (2003), “een ondenkbaar oneindig klein deel van een atoom dat zelf al nauwelijks substantie heeft.” En daar waar Bryson begint met zijn korte, maar uiteindelijk miljoenen jaren durende geschiedenis die evolutionair tot de vorm van de planten zal leiden die Blossfeldt zo extreem acribisch zal fotograferen, moet ik ophouden. Ik ben geen fysicus, ik verlies mijn weg in de verhalen van de wetenschap waarin alles zo oneindig verkleind wordt tot er niets meer over is, en zo oneindig vergroot dat je als dwerg niets meer kunt zien, en dan blijft alleen nog maar de gedachte aan iets, een nauwelijks bestaand samengebald bijna-niets, een singulariteit die je universum noemt, een plek die geen ergens heeft om heen te gaan omdat het, terwijl het onderweg is, zelf zijn ergens creëert. Nog één keer Bryson: “Alles wat we kunnen zeggen is dat op een of ander ogenblik in de buitensporig verleden tijd om een reden waar we geen weet van hebben er een ogenblik heeft plaatsgevonden dat de wetenschap benoemd heeft met t = 0.”

Van dat ogenblik naar de bloemen en de foto’s was het nog een lange weg, maar ik vond niet dat ik het kon verzwijgen. Wat er dan volgt bij Bryson zijn adembenemende verhalen en de hogere theologie van de big bang, die op elk televisietoestel nog steeds zichtbaar is als de grijze trillerige statische wolk die je krijgt als je een kanaal aanklikt dat niet uitzendt, de laatste sporen van het begin van alles, of, zo men wil, de Schepping. Wie daarnaar kijkt, kijkt naar een echo van zijn eigen verste geschiedenis.

De tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld Karl Blossfeldt, Rijksmuseum

Tegensprekende schriftgeleerden 

Zoals in elk theologisch dispuut zijn er elkaar tegensprekende schriftgeleerden, maar Bryson houdt het simpel: “Het lijkt onmogelijk dat iets uit niets zou kunnen ontstaan, maar het feit dat er ooit niets was en nu een universum is het bewijs dat het kan.” Maar er zijn dan nog steeds geen planten. Niet op Mars, niet op Venus, niet op de maan, maar wel op aarde. De aarde is een eenzame planeet, zoveel weten we. Haar tweeling, de maan, is nog eenzamer, geen water, geen dieren, geen planten. In vele miljoenen jaren hebben pas twee mensen haar bezocht. Daar gaat het dus vandaag niet over, het gaat over de enige plek in het universum waarvan we zeker weten dat er planten groeien.

Hoe dat kon moet u ergens anders lezen, het verhaal is zo ongelofelijk dat ik het maar houd bij wat Freeman Dyson ooit gezegd heeft: “Hoe meer ik het universum onderzoek, en hoe meer ik de details van de architectuur van de wereld bestudeer, des te meer bewijzen vind ik dat het universum op de een of andere manier geweten moet hebben dat wij eraan kwamen.” Of dat waar is weet ik ook alweer niet, maar ik vind het een aantrekkelijke gedachte, misschien wel vanwege dat woord architectuur. Wie een dag doorbrengt met de foto’s van Karl Blossfeldt zal begrijpen wat ik bedoel. Architectuur, structuur, bedoeling (maar van wie, behalve dan van de plant zelf?), dat is wat er in die foto’s zichtbaar wordt. Ik heb dan het hele verhaal van de big bang tot aan de planten overgeslagen, inclusief het gedeelte waar we zelf in voorkomen. Ik ga ervan uit dat het waar is dat we er zijn, dat niemand ons gemaakt heeft, en dat een van ons, een fotograaf uit het oosten van Duitsland aan het begin van de twintigste eeuw, geprobeerd heeft het raadsel te vergroten, en dat letterlijk, en aan de hand van planten.

Wie was hij? Iemand die zich naar alle waarschijnlijkheid niet met al deze hersenspinsels zou hebben beziggehouden, hij was geen metafysicus, hij had iets anders te doen.

Hoe de natuur eruitziet 

Blossfeldt wilde, in het begin van die zo verdwenen eeuw, leerlingen van de kunstnijverheidsschool opleiden, hij wilde ze met zijn vergrotingen laten zien hoe de natuur eruitziet als je verder kijkt, en dat je, als je werkelijk verder kunt kijken, misschien ziet dat de natuur in het lange verhaal van haar evolutie dingen bedacht heeft waar een kunstenaar zijn voordeel mee kan doen.

In Rudyard Kiplings verhaal ‘The Eye of Allah’ is het de abt van een middeleeuws klooster opgevallen dat de illuminaties, zo heet dat, die een monnik maakt, volstrekt buiten het gebruikelijke vallen. Zoiets als de abstracte tekeningen rond de grote hoofdletters waarmee elke nieuwe pagina begint heeft hij nog nooit gezien, en hij roept de monnik bij zich.

Instrument 

Als de abt om een verklaring vraagt zegt de monnik dat hij van een moslim een instrument gekregen heeft dat deze het Oog van Allah noemde. Nu kijken ze samen naar dat instrument. Het is een microscoop, en de monnik verklaart dat hij sneeuwvlokken onder het vergrootglas legt, waardoor deze zeldzame figuren ontstaan. Wat ooit klein en onaanzienlijk was, een vlokje bevroren water dat uit de lucht was aangewaaid, is nu plotseling een beeldhouwwerk van kristallen dat, als hij ze natekent, een beeld van grote schoonheid vormt. Door de vergroting zien ze de structuur van de sneeuwvlok, het raffinement waarmee de natuur haar structuren vormt, zonder hulp van welke kunstenaar dan ook. Alles wat de monnik hoeft te doen is te kopiëren wat die andere kunstenaar, die geen naam heeft, gemaakt heeft.

En dat, in al zijn eenvoud, is wat Karl Blossfeldt voor zijn studenten gedaan heeft, wat hij vond was een nieuwe grammatica van het kijken, iets wat er altijd al geweest was, werd plotseling zichtbaar.

En Blossfeldt zelf? Aan de contactbladen, en aan het getal van de uiteindelijke foto’s kun je zien met wat voor hartstocht hij gewerkt heeft als een man in een eenmansklooster. Zijn medeleraren hebben niet werkelijk begrepen waar hij mee bezig was, een vorm van achteraf onbegrijpelijke blindheid, want plotseling werd achter een eenvoudige knop, een zaadkapsel, een stengel, een blad, een halm, een schede, een bladschijf, een aar, de mogelijkheid van een beeldhouwwerk zichtbaar, een constructie, een kunstvorm, en bij dwarsdoorsneden van een stengel die hij ook vergrootte, werden principes van bouw en mogelijkheden van imitatie zichtbaar die een nieuwe vormentaal voor de kunst konden betekenen, een tegelijkertijd wetenschappelijke en opwindende inventaris van mogelijkheden.

Kijkend door het Oog van Allah werd Blossfeldt van een kijker een ziener. 

Dit zijn fragmenten uit Cees Nootebooms ‘Karl Blossfeldt en het Oog van Allah’

Cees Nooteboom
‘Karl Blossfeldt en het Oog van Allah’
Koppernik;
60 blz. € 18,50

'Amateurfotograaf'

De Duitse plantenfotograaf Karl Blossfeldt (1865-1932) deed eerst een tekenopleiding. Zijn ‘Urformen der Kunst’ (1928) bezorgde hem internationaal roem. De foto’s van planten(delen) waren bedoeld als lesmateriaal voor zijn studenten. Blossfeldt beschouwde zichzelf als amateurfotograaf.

Cees Nooteboom Beeld epa

Cees Nooteboom (1933) geniet faam als reisschrijver. Zijn roman ‘Rituelen’ (1980) werd verfilmd. In 2009 kreeg hij de Prijs der Nederlandse Letteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden