Zin in het alledaagseJan Maars

Jeu de boules geeft het leven van Jan Maars (81) zin

In Frankrijk is jeu de boules vooral een mannensport. In Nederland zeker niet.Beeld ANP

Welk verhaal geeft uw leven zin? In deze reeks vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Jan Maars (81). “We jeu de boulen met zo’n achttien spelers van tussen de zeventig en de dood.”

Jan, gaan we weer?’ Ik kijk op m’n horloge, ja, we hebben al twintig minuten pauze. Ik fluit op mijn scheidsrechtersfluitje. We drinken onze laatste slok, zetten de glazen op het dienblad en jeu-de- boulen nog drie kwartier.

“Met donker de deur uit en met donker thuis. Zo was mijn werkende leven. Toen wij zeventien jaar geleden in dit dorp kwamen wonen, werd dat anders. Ik bleef er nog wel een beetje bij werken, maar meer op mijn eigen tijd. De eerste keer dat ik over het kerkplein liep, dacht ik: tjonge, hier moet je jeu-de-boulen. Niet dat ik het zelf wilde, ik vond jeu de boules helemaal niks. Maar dit is wel een plek waar negen van de tien Fransen stinkend jaloers op zouden zijn.

“In het verleden bleek hier ook ge-jeu-de-bould te zijn, maar door gebrek aan vers bloed was er jaren geleden de klad in gekomen. Ik wist dat in het dorp een aantal jongens woonden die vroeger bij een club gespeeld hadden. ‘We moeten weer gaan jeu-de-boulen, hè?’, zei ik. Daar voelden ze wel voor.

De banen netjes aanharken

“We begonnen met z’n negenen. Het werd een groot succes. We hebben nu 22 leden en geen bestuur, want in een bestuur krijg je alleen maar ruzie. We spelen op maandagmiddag, van drie tot vijf, met meestal zo’n achttien mensen van tussen de zeventig en de dood. Ik kom samen met één, twee of drie medespelers nog een half uurtje eerder om de banen netjes aan te harken. Omdat de ondergrond van het plein keihard is, ligt het grind er vrijwel altijd prachtig bij.

“Veel meer spelers kunnen we er ook niet bij hebben, want we trekken het liefst hooguit drie banen. Er is wel ruimte voor vijf banen, maar dan moeten we twee banen achter de waterpomp maken, en dan komen we te ver uit elkaar te staan. We horen bij elkaar, en het enthousiasme van het spel – sommigen zijn luidruchtig – willen we met elkaar kunnen delen. Ik ken andere jeu-de-boule clubs waar de banen verder uit elkaar liggen. Ze zullen het er best leuk hebben, anders kwamen ze niet, maar voor ons is er dan te weinig samenhang en te weinig hilariteit.

“In Frankrijk is jeu de boules vooral een mannensport. Bij ons zeker niet. Een van de speelsters worstelt met artrose, zij speelt altijd op baan één, de rest rouleert. Op die baan één spelen we consequent één kant op, zodat zij niet zo ver hoeft te lopen. Haar medespelers brengen haar de ballen. Op de andere banen spelen we beide kanten op.

Het is geen competitie

“Om ervoor te zorgen dat er geen vriendenclubjes ontstaan die onderling tegen elkaar willen spelen, doen we aan het begin van de middag allemaal één bal in een tas. Een van de spelers haalt blind de ballen eruit. ‘Wiens bal is dit? Dan speel jij op baan drie.’ Elke maandag heb je andere teamgenoten.

“We doen ons stinkende best om te winnen, maar ook de meest fanatieke leden beseffen inmiddels dat het geen competitie is die ze per se moeten winnen. We zijn geen officiële club, je hoeft niet af te bellen als je niet komt. Voor mij is het wel makkelijk te weten hoeveel spelers er zijn, dan weet ik hoeveel glazen ik mee moet nemen.

“Na drie kwartier fluit ik op een scheidsrechtersfluitje en is het tijd voor een drankje en een praatje over de laatste dorpsnieuwtjes, bij de bank onder de beuk. Aan het begin van het seizoen leggen we altijd zo’n tien of vijftien of euro in – de frisdrankdrinkers iets minder – waarvoor ik een paar slobberwijntjes koop. Bij het fluitsignaal stoppen we allemaal, anders speelt dan baan één, dan baan twee, dan baan drie even door, en dan is de pauze niet gezellig.

Af en toe bitterballen erbij

“We houden twintig minuten pauze en beperken ons tot maximaal twee drankjes: het spel mag geen orgie van drank worden, want dan gaan ze erover kletsen in het dorp en dat kan nooit de bedoeling zijn. Bovendien, dat wil ik zelf ook niet. De oude koster van de kerk, die niet meer in functie is maar de nieuwe koster graag helpt, zorgt af en toe voor de bitterballen. De andere keren zorgt eenieder om de beurt voor wat kleine hapjes.

“De baancommissaris bepaalt of er niet te veel plassen op het kerkplein staan. Als de baan echt nat is, gaan we niet, want dan worden de ballen modderig en krijg je smerige handen. Wij spelen in de winter ook niet door. Het is een Zuid-Franse sport, we jeu-de-boulen niet met koude handen. Zodra de temperatuur in de lente boven de vijftien graden komt, beginnen we – maar vanwege de coronamaatregelen moeten we nu wachten. In de herfst vieren we met z’n allen het einde van het seizoen bij een van de leden thuis, inmiddels traditioneel, met een borrel en ieder een halve warme Hema-worst.

“Het is vijf uur. Ik blaas op mijn scheidsrechtersfluitje. We verzamelen de ballen. De glazen neem ik mee naar huis, om ze om te spoelen. Het einde van een oergezellige middag.”

Heeft u ook een zingevingsverhaal te vertellen en wilt u dat delen? Mail zingeving@trouw.nl.

Lees ook:

Zin in het alledaagse

In de verhalenreeks 'Zin in het alledaagse’ vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Lees hier de eerdere afleveringen uit de reeks.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden