Je moet afstand scheppen om verlangen te kweken

Beeld Ilse Weisfelt

Een zeker talent voor pelgrimeren is welkom, leerde Stijn Fens ooit. En hij wil niet onbescheiden lijken, maar hij meent dat talent te bezitten. Van jongs af reisde hij stad en land af om zo dicht mogelijk bij zijn helden en heiligen te komen.

Je kunt er de klok op gelijk zetten. Als Mariano zijn zwarte Mercedes bij het verlaten van het vliegveld de snelweg naar Rome opdraait, bekruipt mij een licht gevoel van teleurstelling. Alsof me vlak na aankomst al meteen iets is afgenomen. Hoeveel keer is Mariano mij nu al op komen halen? Ik denk zo’n vijftig keer. Het is altijd hetzelfde liedje.

Vol verwachting ben ik in het vliegtuig naar Rome gestapt. Ik weet wel: dat is niet te vergelijken met wat de middeleeuwse pelgrim allemaal aan ontberingen en gevaren moest verduren voordat hij via de Porta Flaminia de Eeuwige Stad binnen kon treden. Maar het doden van de tijd op Schiphol, die twee uur boven in de lucht, het wachten op mijn koffer en het uiteindelijk via glazen deuren - een moderne Porta Flaminia - aankomen, heeft er toch wel iets van weg. Het is louterend, niet zonder gevaar en tegelijkertijd wordt het verlangen naar de plek van bestemming onophoudelijk gevoed. Tot ongekende proporties. Het heeft iets verslavends. Als je er dan eenmaal bent, valt de droom uiteen, als een ballon die voor je ogen langzaam leegloopt. Ik ben een pelgrim. Dat u het maar weet.

Tijdelijke balling

In het boek ‘Pilgrimage to Rome in the Middle Ages’ las ik een preek van de Franse historicus en theoloog Jacob van Vitry, die stierf in 1240. Er wordt dus al wat langer nagedacht over dit thema. Hij beweerde dat Abraham de eerste pelgrim was en iedereen die na hem op pelgrimage is gegaan, zijn navolger genoemd mag worden. Een hele eer, dank u. Zoals Abraham huis en haard achterliet om op zoek te gaan naar het Beloofde Land, zo laat ook de moderne pelgrim al het vertrouwde achter zich om als tijdelijke balling - je hoort even nergens meer bij - af te reizen naar een of andere heilige plaats. Zeg maar die twee uur in de lucht. De tijd als vacuüm. Niet voor niets werd lange tijd voor een pelgrim het Latijnse woord peregrinus gebruikt. Dat betekent ‘buitenlander’ of ‘vreemdeling’. Ik ben dus een peregrinus. Een soort luxe vluchteling.

Het geloof dat er heilige plaatsen zijn waar pelgrims dichter bij God kunnen komen, is dus al bijna zo oud als de mensheid. Die heilige plaatsen danken hun status aan het feit dat daar iets bijzonders is gebeurd of aan het feit dat daar een heilige is begraven. Nog zo’n oud concept: ons leven hier op aarde is op zichzelf al een grote pelgrimstocht. De ziel is op weg naar huis en dat thuis is de hemel. Iets anders dat ik leerde uit die schitterende geschiedenis van de pelgrim naar Rome, was dat de bedevaart niet te veel als een plicht of een last mag worden opgevat. Met andere woorden: een zeker talent voor pelgrimeren is welkom. Ik wil niet onbescheiden lijken, maar ik meen dat talent te bezitten.

Het pelgrimeren zat er bij mij al vroeg in. Toen ik een jaar of zeven was raakte ik in de ban van Rembrandt. Op de een of andere manier fascineerde hij mij. Niet alleen zijn schilderijen, maar ook zijn leven dat 350 jaar geleden zo treurig eindigde. Het was nog net niet zo dat ik toen al uitkeek naar het Rembrandtjaar in 2019, maar mijn fascinatie voor de schilder ging vrij ver. Ik las alle boeken over hem die in de bibliotheek van het dorp waar ik opgroeide te vinden waren. Op zaterdagen reisden mijn vader en ik naar Nederlandse musea die een Rembrandt in bezit hadden, zoals het Rijksmuseum en het Mauritshuis.

Brediusmuseum

Ik herinner me ons bezoek aan het Brediusmuseum in Den Haag. Dat museum zou twee Rembrandts bezitten. We moesten aanbellen. “Komt u binnen”, zei een vriendelijke suppoost. We bleken de enige bezoekers te zijn. “Het is ons om Rembrandt te doen”, zei mijn vader. “Dan moet u in die zaal daarachter zijn”, antwoordde de suppoost. “Maar we hebben nog veel meer oude meesters.” We zeiden nog net niet dat we daar geen enkele belangstelling voor hadden , maar gingen wel als echte pelgrims recht op ons doel af. “Daar hangt ‘de kruisoprichting’ uit 1645”, zei mijn vader toen we het heiligdom betraden. Ik liep op het kleine schilderij af, zag de penseelstreken en dacht zelfs even de verf te ruiken. Zeventiende-eeuwse verf. Dichter bij Rembrandt zou ik nooit meer komen. Je wilt een heilige toch het liefst in de armen sluiten. Ook al is-ie dood.

Ik heb wat afgezocht op kerkhoven naar de graven van mensen die ik bewonderde, in de hoop ze als het ware aan te kunnen raken. Zo stond ik bij het graf van Stan Laurel op het Forest Lawn Memorial Park in Los Angeles, trok ik op een snikhete zomerdag mijn gezin mee naar het graf van Federico Fellini in Rimini en heb ik in menig Italiaanse heiligdom contact gezocht met de stoffelijke resten van een heilige. Ik wil het niet vergelijken met iemand die naar Santiago de Compostela wandelt en zeker niet met een van mijn middeleeuwse collega’s, maar ik heb heel wat overgehad voor mijn helden en heiligen.

Beatles

Het beste kon ik mijn behoefte aan pelgrimeren misschien wel kwijt bij de Beatles. Zo ondernam ik tot driemaal toe een bedevaart naar Liverpool, waar de band ooit het levenslicht zag. In een speciale bus reed ik met pelgrims uit alle windstreken langs de geboorte- en woonhuizen van de vier godenzonen en memorabele plekken als Penny Lane en Strawberry Field. We dachten even dat we deel hadden aan hun leven en raakten de muren aan die pelgrims ervan moesten weerhouden om Strawberry Field - ooit een kindertehuis van het Leger des Heils - te betreden. Daar in het gras moest zich een deel van de as van John Lennon bevinden. Zag ik daar nou inderdaad wat liggen?

Maar de beste pelgrimsplek voor Beatlesfans is natuurlijk het zebrapad op Abbey Road in Londen, vereeuwigd op de hoes van de gelijknamige lp uit 1969. Ik weet dat ik er voor het eerst naartoe liep, ik was vijftien jaar oud. Naarmate ik de heilige plek naderde was het alsof ik naar iets toegetrokken werd. Alsof een magneet aan me trok. Eenmaal ter plekke, viel het toch een beetje tegen. Het zag er heel anders uit dan op de hoes. Lelijker. En er waren allemaal andere pelgrims die in de weg liepen. Nu het verlangen vervuld was, raakte ik iets kwijt, zoals ook altijd gebeurt als ik met Mariano de snelweg naar Rome opdraai.

Het geheim van het leven

Maar toch is het nooit voor niets geweest. Op alle plekken die ik als pelgrim heb bezocht, heb ik geraakt aan wat ik maar even het geheim van het leven noem. Aan iets groters dan ikzelf. Daarvoor moet je los van huis en haard en jezelf het vacuüm van de pelgrim binnentrekken. Pas dan heb je zicht op de eeuwigheid, het beloofde land bij uitstek. Alleen jammer dat dit gevoel nooit lang standhoudt.

Ik ben in mijn leven zo’n 350 keer naar Rome gereisd, heb de stad goed leren kennen, maar ben er nooit helemaal thuisgekomen. Ook een kenmerk van de ware bedevaartganger. Als ik weer naar huis ga en Mariano mij met diezelfde zwarte Mercedes naar het vliegveld brengt, heb ik een altijd een lichte buikpijn. Dan krijg ik al heimwee naar de stad die voor mij altijd het beloofde land zal blijven. Maar in die buikpijn sluimert tegelijkertijd het gevoel dat ik zo goed ken van de heenreis. Dat je ergens naartoe getrokken wordt. Ik keer altijd terug naar Rome. Afstand scheppen om verlangen te kweken. Voor altijd een pelgrim.

Lees ook:

De pelgrimage: te voet en alleen de stilte ervaren, met God in de buurt

Het aantal pelgrims naar Santiago de Compostela is de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Een flink deel van de nieuwe pelgrims is onder de dertig jaar. Wat motiveert jongeren om de wandelschoenen aan te trekken?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden