Interview Robert van Rooij

In onze taal zitten veel vooroordelen verstopt: een onderzoek naar generische zinnen als recept voor problemen

Beeld Ilse van Kraaij

Haaien zijn gevaarlijk, dat weten we allemaal. Terwijl er wereldwijd maar zo’n tachtig haaienaanvallen per jaar worden gerapporteerd. Hoe kan het dat we een uitspraak als ‘Haaien zijn gevaarlijk’ toch waar vinden? Robert van Rooij van de Universiteit van Amsterdam doet er onderzoek naar.

Honden blaffen. Jan rookt na het eten. Teken dragen het lymevirus over. Meisjes zijn slecht in rekenen. Al dit soort zinnen vallen in dezelfde categorie als ‘Haaien zijn gevaarlijk’: ze doen een ­uitspraak over een algemeen patroon. Zulke zinnen worden ‘generische zinnen’ genoemd. Maar ze zijn niet allemaal even onschuldig – net zoals haaien. “Generische zinnen worden gebruikt om impliciete vooroordelen uit te drukken”, zegt logicus Robert van Rooij.

Van Rooij ontving onlangs een flinke beurs van wetenschapsfinancier NWO om samen met collega’s onderzoek te doen naar hoe je algemene uitspraken kunt analyseren. Want daar zijn logici en formeel semantici, die taalstructuren bestuderen, nog niet over uit.

“Een formeel semanticus houdt zich bezig met de betekenis van dit soort zinnen en wat je eruit kunt afleiden”, zegt Van Rooij. “De generische zin is zelfs een heel belangrijk soort zin, want het blijkt dat generische zinnen in alle talen voorkomen, en het zijn het eerste soort zinnen die kinderen leren.”

Waarom is het zo lastig om generische zinnen te analyseren?

“We weten heel goed wat de betekenis is van zinnen als ‘Alle honden blaffen’. Die zin is onwaar als er één hondje is dat niet blaft. Maar de zin ‘Honden blaffen’ laat uitzonderingen toe. Dan is natuurlijk de vraag: hoe veel uitzonderingen dan?”

Je zou zeggen dat die zin waar is als de meeste honden blaffen.

Robert van Rooij van de Universiteit van Amsterdam.

“Ja, de meeste theorieën zeggen dat de grote meerderheid zo’n generische zin waar moet maken. Maar dat is niet altijd zo. We accepteren ook zinnen als ‘Teken dragen de lymeziekte over’, terwijl maar één procent van de tekenbeten leidt tot infectie met de lymebacterie. Er is geen overeenstemming tussen wetenschappers wanneer een generische zin wordt geaccepteerd en wanneer niet. Sommige generische zinnen laten heel veel uitzonderingen toe, en andere heel weinig. Dat is zo raar. Sommige andere theorieën zeggen: Met ‘Honden blaffen’ bedoelen we ‘Alleen normale honden blaffen’. Maar dan moet je het begrip ‘normaal’ erg oprekken.”

Zouden we inderdaad zeggen dat alleen normale teken de lymeziekte overdragen? Of als we zeggen ‘Meisjes zijn slecht in rekenen’, dat we bedoelen dat alleen normale meisjes slecht zijn in rekenen? Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn, zegt Van Rooij.

Hoe zit het dan?

“We hebben gekeken naar hoe mensen en dieren generaliseringen leren. Daarvoor keken we naar de psychologie. Daar zijn namelijk al theorieën ontwikkeld over hoe we generaliseringen maken. We zijn begonnen met Pavlov, dat gaat over de vraag: hoe leren ratten, hoe leren honden, maar ook: hoe leren mensen generaliseringen?”

Van Rooij refereert aan het beroemde experiment dat de Russische fysioloog Ivan Pavlov bedacht. Elke keer dat hij zijn hond eten gaf, luidde hij een bel. Na een tijdje associeerde de hond de bel met eten.

Als Pavlov alleen de bel luidde, gebeurde er iets geks: de hond begon ontzettend te kwijlen.

“Wanneer leerden de honden nou de bel met eten te associëren? Je zou verwachten: als het merendeel van de keren dat er een bel te horen is, ook eten wordt aangeboden. Maar het blijkt dat het óók belangrijk is hoe vaak de hond een bel hoort als hij géén eten krijgt. Dus juist het verschil tussen een bel horen en eten krijgen met geen bel horen en toch eten krijgen, dat moet groot zijn.”

Wat betekent dat voor de generische zinnen?

“Generalisatie is volgens de psychologie niets anders dan associatie: als je dit ziet, verwacht je dat. Generische zinnen drukken verwachtingen voor de toekomst uit.” 

Het experiment van Pavlov leidde Van Rooij dus naar een nieuwe theorie van generische zinnen. Bij de zin ‘Teken dragen lymeziekte over’ gaat het er niet alleen om dat teken de lymeziekte overdragen, maar ook dat er niet veel andere dieren zijn die óók de lymeziekte overdragen.

Maar dat is niet alles, zegt Van Rooij. Hij loopt energiek naar het whiteboard aan de wand van zijn werkkamer en begint te schrijven. “Het gaat niet alleen om de relatieve kans dat een tekenbeet de lymeziekte overdraagt, maar ook om de impact van de zin. Dus de mate waarin we een generische zin accepteren, is dat verschil maal de impact.” Die conclusie is te vatten in een formule, die op het whiteboard van Van Rooij verschijnt.

Waarom is de impact zo belangrijk?

“Denk aan een zin als ‘Marie doodt kinderen’. Die zin vinden we waar, ook al heeft Marie misschien maar één kind gedood. Maar het heeft flinke gevolgen. Net zo bij teken en de ziekte van Lyme. We accepteren zulke zinnen, terwijl de kans dat je de ziekte van Lyme krijgt van een tekenbeet heel klein is.

“Je hebt ook generische zinnen die een gewoonte uitdrukken. Als je zegt ‘Jan rookt na het eten’, dan zal het zo zijn dat hij behoorlijk dikwijls moet roken na het eten om die zin waar te maken.”

Zulke zinnen zijn niet alleen interessant voor een taalkundige. Ze worden ook veel gebruikt om vooroordelen uit te drukken. “Mensen interpreteren generische zinnen dikwijls als causaal.” Uit een zin als ‘Meisjes zijn slecht in rekenen’ concluderen we al snel ‘Fatima is een meisje, dus ze zal wel slecht zijn in rekenen’. En dat is problematisch, zegt Van Rooij.

“Dat ligt voor de hand als we het hebben over natuurlijke soorten. Honden blaffen, vogels vliegen en dat soort dingen. Die interpreteren we als: het zit in de natuur van honden dat ze blaffen. Je kan dan zeggen, er zit iets in het DNA van zo’n hond, waardoor hij blaft. Maar met sociale groepen zijn zulke verschillen er niet.” Hier aarzelt van Rooij. Het is lastig om het argument goed uit te leggen, omdat zulke vooroordelen omstreden zijn, legt hij uit.

Als je zegt ‘Italianen zijn lui’, dan mag je niet het gevolg trekken dat het in de natuur van Italianen ligt om lui te zijn?

“Ja. Er zit helemaal niets in de natuur van Italianen. Het is een contingente groep mensen die toevallig daar zijn geboren, er is niets speciaals aan. Als je zulke generische zinnen op een causale manier interpreteert, heb je een recept voor problemen. 

“Bij natuurlijke soorten kun je generaliseren: als je één blaffende hond ziet, heb je grote kans dat je dat bij soortgenoten ook ziet. Maar als twintig procent van een sociale soort een eigenschap heeft, zegt dat niets over de andere tachtig procent. Wij hebben die groep bij elkaar gezet, maar niet omdat ze zo veel dingen gemeen hebben.”

Dat er een paar Italianen lui zijn, geeft dus geen vrijbrief om uitspraken te doen over de rest van de Italianen.

Zou u de theorie die u met uw collega’s ontwikkelt, ook kunnen gebruiken om dat soort problemen met vooroordelen en generische zinnen op te lossen?

“Nou ja, wat je in ieder geval kan doen is mensen bewust maken dat als je generische uitspraken doet, niet alleen de kans op een bepaalde eigenschap belangrijk is.”

Juist de relatieve kans en de impact doen ertoe. “En als je van de kans op een eigenschap naar een causale interpretatie gaat, dan maak je een grote fout. Dat heeft weer consequenties in gedrag, die heel dikwijls niet terecht zijn.”

Zelfs al zijn er een paar haaien die gevaarlijk zijn, of een paar Italianen die lui zijn, je mag niet concluderen dat een willekeurige haai gevaarlijk is – of over een willekeurige Italiaan dat deze lui is.

Van Rooij wijst erop dat dit vooralsnog alleen nog een theorie is. Zijn beurs gaat hij ook gebruiken om zijn theorie te testen. Dat doet hij zowel door proefpersonen te vragen hoe ze generische zinnen beoordelen, als het huidige gebruik van generische zinnen te bestuderen. Hij gaat grote databanken met teksten uit kranten en andere media gebruiken om te kijken of er vooroordelen in te vinden zijn.

Dat brengt hem op nog een andere manier om de bewustwording te stimuleren. Met zijn beurs wil hij een app ontwikkelen die vooroordelen in kranten en andere media kan weergeven. “Alle kranten zijn waarschijnlijk bevooroordeeld, op een of andere manier. We willen kijken naar de associaties die in kranten te vinden zijn. We weten allemaal dat De Telegraaf rechtser is dan Trouw, bijvoorbeeld, maar het zou interessant zijn om dat iets kwantitatiever te maken.”

Robert van Rooij (Drunen, 1966) is hoogleraar in de Logica en Cognitie aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn promotie in Stuttgart werkte hij aan de universiteit van Tübingen, en sinds 2000 is hij verbonden aan de UvA. Hij won al diverse Europese en Nederlandse beurzen voor werk aan formele semantiek, logica, en het analyseren van vaagheid.

Lees ook:

Vooroordeel leidt tot bevestiging daarvan

Het uiten van vooroordelen over gedrag, zorgt er vaak voor dat die vooroordelen bewaarheid worden. Dat bleek eerder uit onderzoek aan de Leidse universiteit.

Ruimdenkend en progressief? ‘Test jezelf eens, je staat versteld van je eigen vooroordelen’

Je moet steeds opnieuw moeite doen om je eigen waarneming te begrijpen, vindt psychiater Iris Sommer. Die is altijd een kwestie van interpretatie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden