Interview

"In je eigen gedachten kunnen allerlei uitvluchten opdoemen, maar bij de Heer kun je daar niet mee aankomen"

Beeld Maartje Geels

Henk van Os, de voormalige directeur van het Rijksmuseum, gaat preken. ‘Er lag geen antwoord in de treurnis van Jeremia. Maar wat ik zag was een heel bijzondere vorm van solidariteit.’

Ze moeten ergens op zijn bureau liggen, de aantekeningen voor de preek die hij morgen gaat houden voor remonstrants en vrijzinnig Amsterdam. Maar waar? Henk van Os bladert door zijn papieren, een beetje ongeduldig. De hele week lag die preek hier en nu - oh wacht. “Daar heb ik hem.” Alle soorten teksten heeft Van Os (80) uitgesproken als directeur van het Rijksmuseum, hoogleraar kunstgeschiedenis, tv-presentator, maar dit is iets anders. “Een lezing, akkoord. Maar nu heeft men mij gevraagd voor een preek. Dat is een heel ander genre.” Hij weet over welke tekst hij het gaat hebben, maar wil nog niet alles prijsgeven aan de krant. En zo ontstaat een interview dat geen agenda kent, maar natuurlijk wel over geloof gaat, en over kunst, en uiteindelijk over troost.

“Ik heb een bijbeltekst gekozen uit Mattheüs: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden’. Dat zijn woorden die ik heel goed ken, mijn vader gebruikte ze al vaak, en het leek me ook mooi ze uit te spreken voor mensen die te maken hebben met leeglopende kerken. Maar wat blijkt? Deze tekst is daar eigenlijk helemaal niet op van toepassing. Jan Greven (theoloog, oud-hoofdredacteur van Trouw) heeft me ervan verzekerd dat het een heel ethische tekst is, die fungeert in een context van allemaal ethische uitspraken van niet geringe aard. Het gaat hier vooral om de zinsnede ‘in mijn naam’. Dat hebben we altijd overgeslagen, en dan wordt het een vriendelijk tekstje, maar dat is het in feite niet.

“Vervolgens vroeg ik me af of het nou wel zo erg is dat we er onze eigen draai aan hebben gegeven. Als historicus vind ik het juist interessant dat teksten wisselende betekenissen blijken te kunnen hebben. Je kunt er dingen uithalen die misschien niet zo bedoeld waren, maar die toch voor jou van grote betekenis zijn. Iemand vroeg mij naar aanleiding van het boekje van mij en zoon Pieter (‘Vader & zoon krijgen de geest’) of hij met mij over het geloof mocht praten, en dat was iemand die veel voor mij had betekend, dus natuurlijk mocht dat. Jij miste in het protestantisme het fysieke element, zei hij tegen mij, doelend op het kale karakter van de Reformatie. En inderdaad, dat was waarom ik bij de anglicanen terecht was gekomen. Ik doceerde in Florence een tijdje aan het Smith College en wilde een afspraak maken met een Amerikaanse collega voor zondagochtend, maar dat kon niet, hij ging dan naar de kerk. Dan ga ik wel met je mee, zei ik, en zo kwam ik in de Episcopal Church op de campus, de Amerikaanse variant van de Anglicaanse kerk. Ik wist meteen: dit is precies wat bij mij past. Vanwege het ritueel, de liturgie, de eucharistie.

“In Amsterdam ben ik later naar de Obrechtkerk gegaan, zonder formeel rooms-katholiek te worden, gewoon om deel te nemen aan de mis. Ik deed dat met Wim Beeren, directeur van het Stedelijk. Wij gingen samen ter kerke, wat in onze wereld hoogst ongebruikelijk was. Nu bevat de Obrechtkerk veel 20ste-eeuwse religieuze kunst, dat scheelt. Hoewel, niet voor Wim. Die vond dat slechte kunst. Ik heb me nog ingezet voor het herstel van veel van die muurschilderingen, dat was volgens hem absolute onzin. Het versterkte in hoge mate mijn streven om er iets aan te doen, en uiteindelijk hebben we acht miljoen euro bijeen kunnen brengen om de boel te restaureren.

Quakers

“Het merkwaardige is dat ik niet alleen door het katholicisme, maar toch ook door de quakers geïntrigeerd was. Omdat bij hen de stilte absoluut fundamenteel is. Mijn lievelingstekst is waar de Farizeeërs verdwijnen als Jezus een stilte laat vallen in het verhaal over de overspelige vrouw, nadat hij heeft gezegd: ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’. In de stilte, dat is logisch, keer je tot jezelf in, maar het gaat verder: er komt van alles op je af, je verwerkt wat gebeurd is, en uiteindelijk is het alsof je jezelf ontledigt. En het is het beste, vind ik, als dat in een liturgische context gebeurt. Net als met bidden, dat vind ik ook een stuk gemakkelijker in de kerk, geleid door de priester, dan voor mijzelf. Al heb ik dat een periode wel heel bewust gedaan, toen ik een bepaald persoonlijk probleem wilde behandelen, en ik moet zeggen dat dat heel functioneel was. Vooral omdat je in het gebed niet kunt smoezen. In je eigen gedachten kunnen allerlei uitvluchten opdoemen, maar bij de Heer kun je daar niet mee aankomen. Het klinkt wat hooghartig, maar als het gaat om de liturgie en de plaats van de stilte heeft de Reformatie heel wat kinderen met het badwater weggegooid. En ik heb gezien hoe iets soortgelijks ook gebeurde bij het Tweede Vaticaanse Concilie. Ik werkte in die tijd in Rome om onderzoek te doen naar het feest van Maria ter Sneeuw, een zeer poëtisch feest, gebaseerd op de stichting van een kerk in Rome, de Santa Maria Maggiore. Daar hoort het verhaal bij van sneeuwval in augustus en engelen met sneeuwballen - prachtig. Maar dat feest werd dus afgeschaft, net toen ik daar was.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld Maartje Geels

“En waarom? Omdat zoiets niet echt gebeurd kon zijn. Ik dacht: maar jongens, en al die andere dingen van het geloof dan? Houd toch op. Ik vond dat zo ontzettend koddig. Het gaat natuurlijk niet om echt gebeurd, maar om de zuiverheid van Maria, het zonder zonde zijn, witter dan sneeuw. Overigens was de uiteindelijke uitkomst dat het feest in die kerk zelf nog altijd groots gevierd wordt, zonder deel uit te maken van de wereldwijde katholieke kalender. Als ik moet vertellen hoe ik omga met het bovennatuurlijke in het geloof, dan kan ik dat het beste doen aan de hand van de opstanding. Dat is voor mij als kunsthistoricus een geweldig gegeven, omdat niemand erbij was. Kunstenaars kunnen ermee doen wat ze willen. Bij degenen die heel erg van het magische houden, zie je Christus dwars door het deksel van de kist heen vliegen. Bij anderen, die wat klassieker zijn, stapt hij rustig op of zit hij op de rand van de kist. En zo zijn er talloze varianten.

“Als ik mijn kinderen meenam om kerken te bekijken, vertelde ik altijd dat er iemand was, heel lang geleden, die enorm veel impact had gehad op de mensen. Zoveel, dat hij er nog steeds was, al was hij er niet meer. Mensen hielden zoveel van hem, dat ze elkaar vertelden dat hij was opgestaan, zodat hij bij hen bleef. In die tijd deden wel meer verhalen de ronde over mensen die uit de dood waren opgestaan, dat vond men niet gek. Nou, dat begrepen mijn kinderen prima. Ik heb het ook weleens in de klas verteld, en zelfs een keer in de Antoni van Leeuwenhoekkliniek, met Pasen. Voor mij betekent deze verhalende dimensie de redding van het geloof. Zonder meer. Zo’n verhaal van de opstanding, dat is een drijfveer voor mensen om het leven aan te kunnen. Dat vind ik wel een wonder eigenlijk. Een soort van wonder. En wie is dan God? Degene over wie verhaald wordt, dat is niet zo moeilijk.

“Ik ontmoette dat verhaal ook steeds in de kunst, misschien wel meer dan ik als wetenschapper en historicus wilde toegeven. Als je je doctoraalscriptie schrijft over het feest van Maria ter Sneeuw, en een proefschrift over de deemoed en verheerlijking van Maria in de schilderkunst van Siena, tja, dan gaat het niet om de esthetiek alleen, dan reikt de kunst verder. Kijk hoeveel mensen The Passion volgen, of meer elitair, de Matthäus Passion. Plus al die kerstvieringen; daar is wel iets gaande. Ik denk dat het op zondagochtend naar de kerk gaan als norm voor geloofsleven niet meer haalbaar is. Maar de kerken zouden wel meer aansluiting kunnen zoeken bij evenementaire vormen. Kerken zouden dominees daar ook voor kunnen vrijstellen.

“Mijn beide zonen vroegen mij iets te zeggen toen ze in het huwelijk traden. Dat heb ik gedaan, en bij een van die gelegenheden heb ik wat verteld over de Joodse Bruid van Rembrandt, en over de waarde van tedere gebaren. Dan ligt de betekenis van het kunstwerk duidelijk in wat het voorstelt, al speelt de stijl natuurlijk ook een rol: Rembrandt heeft eindeloos gestudeerd op hoe hij de handen van dit stel zou schilderen.

Huilen bij kleurvlakken

“Museum Boijmans heeft eens een enquête gehouden over welke kunst de mensen emotioneel het meest raakte, en daar kwam Mark Rothko als eerste naar boven; ze huilen bij zijn kleurvlakken. Rothko was een vriend van mij in het laatste jaar van zijn leven en ik weet dat hij het buitengewoon prettig zou hebben gevonden om dit horen. We hadden elkaar leren kennen omdat ik me bezighield met de laat-middeleeuwse mystiek en hij geïnteresseerd was in Meister Eckhart en diens opgaan in het niets. Maar zelf vond Rotkho, zoals bekend, geen troost; hij beroofde zichzelf van het leven. Bij het Metropolitan Museum in New York had hij nog wel een briefje voor me achtergelaten, dat het geen zin meer had om nog bij hem langs te gaan. Dat vond ik best pittig.

“Ik heb zelf een aantal moeilijke jaren gehad, omdat onze oudste zoon veel heeft geleden voordat hij stierf. Dat brengt mij bij een vroeg schilderij van Rembrandt: Jeremia treurend over Jeruzalem. Die houding van het-niet-meer-weten vond ik ongelooflijk troostrijk. Maar waarom precies? Waarschijnlijk hoeft kunst helemaal niet mooi of lief of zacht te zijn om te troosten. Er lag ook geen antwoord in de treurnis van Jeremia. Maar wat ik zag was een heel bijzondere vorm van solidariteit. Dat iemand zijn medemensen zo doorgrondt, daar ging troost vanuit.”

Henk van Os gaat morgen met Remonstranten-voorman Joost Röselaers voor in Vrijburg, Locatie: Diepenbrockstraat 46, Amsterdam, 10.30 uur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden