In de Chinese filosofie telt wat je doet in het hier en nu

confucius

De invloed van China als nieuwe wereldmacht groeit. Hoog tijd dus om kennis te maken met het Chinese denken. ‘Chinezen zoeken niet de confrontatie, maar de harmonie.’

Eigenlijk had hij 130 willen worden, maar dat was Karel van der Leeuw niet vergund. Vier jaar geleden overleed dé kenner van de Chinese filosofie aan kanker. Als kenner was hij uniek, omdat hij twee vaardigheden combineerde die zelden samen optreden. Karel van der Leeuw was filosoof én hij kende Chinees. Dat maakte hem tot ideale gids door het Chinese denken. Een van de boeken die hij graag had afgemaakt, ligt er nu toch, aangevuld door essays van collega’s. 

‘Chinese filosofie’ snijdt een baaierd aan onderwerpen aan – van geneeskunst tot natuurfilosofie – en laat zien wat het bestuderen van Chinees denken zo fascinerend maakt, zegt Dianne Sommers, specialist Aziatische geneeskunde en bezorgster van Van der Leeuws postume boek. “Door je te verdiepen in een totaal andere denktraditie word je je bewust van je eigen denktrant. Je leert dat die niet vanzelf spreekt. Laatst hadden we bijvoorbeeld een bijscholingscollege, waaraan één Chinees meedeed. Op één vraag gaven alle westerse cursisten hetzelfde antwoord. Maar de Chinese cursist tekende iets volslagen anders op het bord. Hij had de vraag heel anders begrepen.”

Maar wat ís er dan zo anders aan het Chinese denken? Hoe denken Chinezen over religie? Hoe denken zij over natuur? Welke levensfilosofie houden zij erop na? En in hoeverre bouwt het moderne China voort op klassieke teksten en tradities? Daar wil Sommers wel iets over zeggen. Niet dat je zomaar kunt spreken van hét Chinese denken. De eerbiedwaardige cultuur telt sowieso al drie grote denkstromingen, het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme. Toch hebben die volgens Sommers wel iets gemeen dat je als ‘typisch Chinees’ zou kunnen omschrijven en dat je kan vangen in de begrippen handelen, cultiveren en stromen.

Wat bedoelt u met handelen?

“In de Chinese filosofie telt wat je doet in het hier en nu, niet wat een of andere God ervan vindt, of wat anderen vinden. Terwijl westerse denkers zich nog weleens verliezen in hersenspinsels en ingewikkelde redeneringen, staat in China het handelen juist voorop. En met het bovennatuurlijke hoef je je sowieso niet bezig te houden. Zo wordt de grote Confucius op zeker moment door zijn leerling Zilu gevraagd hoe men de geesten moet dienen. Confucius antwoordt: ‘Je kunt de mensen nog niet eens dienen, hoe kun je dan de geesten dienen?’ Waarop de leerling vraagt: ‘Mag ik dan vragen naar de doden?’ Daarop antwoordt Confucius: ‘Je begrijpt het leven nog niet eens, hoe wil je dan de dood begrijpen?’

“Bij dat handelen gaat het er steeds om de juiste dingen te doen op de juiste wijze, en daarbij speelt het ritueel een belangrijke rol. Wel leggen de verschillende denkstromingen andere accenten. Confucianisten hechten sterk aan rituelen rond de familie, de samenleving, de gemeenschap. Voor taoïsten ligt dat anders, zij leggen de nadruk op de juiste verhouding tot jezelf – wat daarbij kan helpen zijn bijvoorbeeld ademhalingstechnieken. En boeddhistische rituelen moeten ons juist losmaken van het aardse. Toch draait het ook bij boeddhisten om het handelen, niet om het reflecteren. Vaste rituelen geven daarbij houvast. Maar misschien kun je dat beter uitleggen aan de hand van het begrip cultiveren.”

Bij cultiveren denk ik meteen aan het bedwingen van de natuur, aan een gesnoeide bonsai in een pot. Hebben Chinezen minder moeite met het dwingen van de natuur, ook die van henzelf?

“Dat zou je nog kunnen beweren van het confucianisme, met zijn hang naar orde en gezag, maar zeker niet van het taoïsme, wel de natuurfilosofie van China genoemd. Inderdaad missen Chinezen het romantische idee dat de natuur helemaal haar gang mag gaan. Maar het is wel steeds zaak om mee te bewegen met de natuur. Vandaar het begrip ‘wu wei’, wat ‘niet doen’ betekent. Dat betekent níet dat je achterover gaat liggen en de natuur het werk laat doen, maar dat je meebeweegt met de stroom, dat je de juiste houding tot de natuur cultiveert. Je ziet dat ook bij tai chi. Het gaat erom met de ademhaling te volgen, niet te bedwingen. Chinezen zoeken niet de confrontatie, maar harmonie.”

“Ook bij die cultivering zie je drie verschillende benaderingen. Confucianisten cultiveren hun verhouding tot hun familie, de samenleving, de vorst. Taoïsten concentreren zich op het cultiveren van zichzelf en nadrukkelijk ook op hun gezondheid, bijvoorbeeld door de juiste dingen te eten. Boeddhisten cultiveren de onthechting. Al lopen die stromingen ook wel door elkaar. Je kent misschien de grap dat Chinezen buitenshuis confucianisten zijn, binnenshuis taoïsten en op het einde van hun leven boeddhist.”

Als ik het goed begrijp is in het Chinese denken eigenlijk alles beweeglijk. Het kent niet die behoefte aan vaste tegenstellingen, die je in het Westen ziet.

“Westerse filosofen proberen er vooral achter te komen wat ónder de veranderlijke verschijnselen blijvend is. Bij Chinese denkers ligt dat anders, want alles gaat volgens hen over in iets anders. Dat komt tot uitdrukking in het beroemde duo yin en yang, waarbij yin meer verwijst naar het vaste en aardse en yang naar het verlangen en het middelpuntvliedende. Maar toch laten yin en yang zich niet vastzetten.

“Een goed voorbeeld van die beweeglijkheid is ook de verhouding tussen lichaam en geest, die in het Westen zeker sinds Descartes sterk gescheiden worden. In het Chinese denken, en dus ook in de klassieke Chinese geneeskunst, is de geest geworteld in de fysieke gesteldheid van de mens. Voor zulke ideeën is ook in Europa veel belangstelling. Buiten de universiteit is veel belangstelling voor praktische, toegepaste vormen van het Chinese denken te vinden zoals in meditatie, qi gong en tai chi. Nederlandse filosofen laten zich ook inspireren door het Oosten, denk bijvoorbeeld aan het boek ‘Waar een wil is, is geen weg’ van Henk Oosterling.

En in China zelf? Ik begreep dat Mao met name de klassieke geneeskunst en bijbehorende ideeën onderdrukte.

“Mao beschouwde de klassieke geneeskunst als een feodale erfenis en daar moest hij niets van hebben. Bovendien was hij als marxist een materialist. Al het hogere kwam voort uit het lagere, uit de economische omstandigheden. Daardoor draaide het zwaartepunt in de Chinese cultuur naar het materiële. Het hemelse en geestelijke raakten uit zicht. Terwijl het in het Chinese leven juist zo belangrijk is die balans in de gaten te houden, ook weer gezien de juiste verhouding tot je familie, tot jezelf en tot de kosmos.

“Vreemd genoeg is het Japan veel beter gelukt die oude tradities te bewaren: de eetpatronen, de familietradities. Terwijl dat land de laatste decennia toch ook een sterke buitenlandse invloed heeft ondergaan. Maar de Chinese geschiedenis kent in de twintigste eeuw natuurlijk enorme breuken; de installatie van Mao’s volksrepubliek was daar maar één van. En nu weer de razendsnelle commercialisering van de samenleving. Desondanks valt in China tegenwoordig een revival van het klassieke denken te bespeuren.”

Wat hebt u zelf geleerd van het klassieke Chinese denken?

“Toch vooral meer zorg te besteden aan elkaar én aan jezelf. Waarbij rituelen houvast kunnen bieden. Een kaars aansteken, aandacht geven aan hoe je iemand begroet of zorgen dat er bloemen zijn. Belangrijk is vooral dat je zulke rituelen niet laat afhangen van je stemming. Als je het belangrijk vindt dát het gebeurt, doe je het ook op een moment dat het je minder goed uitkomt.” 

“Nederlanders zijn vooral bezig met leren en werken, en veel minder met het cultiveren van de eigen familiebanden of hun eigen gezondheid. Misschien vinden we dat te snel egoïstisch. Maar voor Chinezen staat die cultivering in dienst van de verhouding tot de directe omgeving. Hoe verhoudt zich wat je doet tot het grote geheel? Daar gaat het altijd om.”

Karel van der Leeuw, Chinese filosofie. Essays over een wondere wereld. Met medewerking van Dianne Sommers, Jan Bor, Burchard Mansvelt Beck en Jan De Meyer. Uitgeverij Boom. 456 blz. €39,90.

Wie was Karel van der Leeuw?

Karel Van der Leeuw (Maastricht, 1940) was een pionier in het introduceren van de Chinese filosofie in Nederland. Zelf had hij voorliefde voor Confucius, maar hij doceerde over alle denkstromingen. Vanaf 1972 werkte hij aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek ‘Het Chinese denken’ (1994) geldt als klassieker. Na zijn pensioen in 2001 vertaalde hij, direct uit het Chinees, de confucianist Mencius. Van der Leeuw was ook een pionier op het gebied van kinderfilosofie. Als één van de eersten zette hij zich in voor filosofieonderwijs op school. Ondanks zijn emeritaat bleef hij vrijwel tot zijn dood in 2015 lesgeven in het Chinese denken.

Confucius

Confucius (in werkelijkheid Kong Qiu) werd geboren in verarmde adellijke familie. Hij toonde al vroeg belangstelling voor klassieke teksten, rituelen en ceremoniële muziek. Die studie stond, naast karaktervorming, op het programma van de privéschool die hij stichtte en waarmee hij zich keerde tegen het morele verval in het toenmalige Chinese rijk. Van zijn eigen woorden resten zo’n 500 bewaarde uitspraken, de Lunyu. Leerlingen en navolgers, zoals de Mencius (370-280 v Chr) lieten wél veel teksten na. Schrijven stond bij Confucius in hoog aanzien.

Zhuangzi en het taoïsme

Hoewel Laozi geldt als de eerste taoïst, is Zhuangzi (circa 360 –circa 280 v. Chr) een belangrijker tekstbron voor het taoïsme. Hij beschreef het ideaal van niet-bewust handelen (wu wei) en dat van ‘de Weg’ (of ‘dao’, vandaar de naam ‘taoïsme’.) ‘De Weg’ is het richtinggevend principe in alle natuurlijk processen. Die voltrekken zich onbewust en ongewild: er zit geen ‘grote beweger’ achter. Het persoonlijk heil – dat voor Zhuangzi zwaarder weegt dan voor Confucius – bereikt de mens door af te zien van bewust willen en handelen. Alleen zo kan de ervaring van eenheid met de kosmos bereikt worden.

Boeddha en China

Gautama, de Boeddha, leefde waarschijnlijk van 566-486 voor Christus in India. Rond de eerste eeuw na Christus bereikte het boeddhisme China, waar het zich verder vertakte. In de zevende eeuw ontstond in China bijvoorbeeld het invloedrijke zenboeddhisme. Uitgangspunt is dat de universele Boeddhanatuur, het principe van de Verlichting, in iedereen aanwezig is. Door meditatie en introspectie is Verlichting te realiseren; maar die plotselinge ervaring valt niet in rationele termen uit te drukken. Het zenboeddhisme bloeit tegenwoordig vooral in Japan.

Lees ook:

‘Benader elke dag met de houding van een beginner’

Het nieuwe boek van Henk Oosterling beschrijft de oosterse en westerse bronnen van de filosofie die hij al jaren leeft en onderwijst. ‘Ik wil laten zien hoe alles voor mij samenhangt en uit elkaar voortvloeit.’ Van Japanse krijgskunst en sociale media tot goedkope sperzieboontjes uit Afrika.

‘Boeddhisme raakt de bron van westerse denken’

Het boeddhisme wekt al twee eeuwen belangstelling in Nederland, en wint nog steeds aan populariteit. André van der Braak, die aan de VU de nieuwe leerstoel boeddhistische filosofie bekleedt, vindt dat heel verklaarbaar.

‘Nederlandse filosofen kijken niet verder’

Wat betekent oosterse filosofie voor het Westen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden