EssaySam Janse

Hoe de timmerman het won van de dominee

Predikant Sam Janse kwam in het bezit van een negentiende-eeuws geschrift. Het unieke relaas biedt een inkijkje in de opkomst der kleine luyden.

De elite ligt onder vuur. Wie durft zich daar nog toe te rekenen? Politici doen hun best om als een gewone jongen of een stoere meid over te komen. Anders loopt ‘het volk’ over naar de volksmenners. Met elite krijg je nooit een Kamermeerderheid. Dat is betrekkelijk nieuw. Tot in de twintigste eeuw werden de volkse stromingen vertegenwoordigd door hun leiders. Dankzij de verzuiling; de zuilen hielpen bij het emancipatieproces van kleine luyden en gaven ons land ruim een eeuw stabiliteit.

We richten de blik op liberale elites en het volk dat zijn rechten opeist, op een dorp aan de rivier, op een dominee en een timmerman wiens manuscript ik via een nazaat in handen kreeg. Het is 1855. Willem Verheij, timmerman-aannemer te Ameide, werd bekeerd. Hij ging niet langer naar de kroeg en ook niet langer naar de kerk. Dat lijkt tegenstrijdig, maar voor hem lag het in één lijn.

Ameide, een Zuid-Hollands dorp aan de Lek, is voor bijna 100 procent Nederlands Hervormd. Het volk gaat nog naar de kerk, ook de arbeiders, de mandenbreiers en de hoepmakers. Ook de kroeglopers. Maar in de kerk staan moderne dominees. De echte vrijzinnigheid met haar ontkenning van wonderen en alles wat ­bovennatuurlijk is, moet dan nog komen, maar in kerk en theologie heerst een optimistische theologie die positief denkt over de mens en zijn mogelijkheden. Als hij zich maar ontwikkelt. Het is de tijd van de uitvindingen.

Emeritus predikant Sam Janse (1949) woont in Ameide. Dit is een verkorte versie van een artikel dat zal verschijnen in het Nieuwsblad van de Historische Vereniging Ameide en Tienhoven.

Wat vindt het kerkvolk daarvan? We weten er niet veel van. Er wordt niet naar gevraagd. Het heeft geen stem. Het wordt geacht de leiders te volgen, die proberen het volk te ontwikkelen. De notabelen bestaan in zo’n dorp uit de grote boeren, ondernemers, een verdwaalde academicus, de burgemeester en natuurlijk de dominee. Zij zitten in de gemeenteraad en in de kerkeraad. In de politiek zijn ze liberaal en in de kerk verlicht. In de kerkeraad vullen ze zichzelf aan. Soort zoekt soort. Het volk, soms analfabeet, doorgaans mindergeletterd, blijft erbuiten. Vaak gelaten, soms protesterend.

Zalige meditaties met den Heere, heeft Verheij - thuis 

In dat opzicht is Verheij’s bekeringsgeschiedenis een Fundgrube. Historici klagen er vaak over dat de geschreven teksten bijna altijd uit de bovenlaag van de bevolking komen. Maar deze timmerman heeft een verhaal nagelaten met ervaringen van de onderkant. Hij was natuurlijk geen analfabeet, maar schrijft gebrekkig, zij het levendig. Hij vertelt hoe hij uit de kerk kwam en hoe zijn vrienden vanachter het raam van het café wenkten: “’t is toch wat, de bijbel in mijn zak en naar de billart. O! wat sprak mijn geweten! Maar ze bleven tikken.” En de vrienden winnen het, hij gaat naar binnen: “ja, meer ja, schenk in kastelein, … en de keu, met mijn hand ­tegen de Bijbel komende was elke keer een bons in mijn contientie, maar ook elke keer een borrel totdat mijn contientie stilzweeg’.

Willem Verheij

Het is een bekeringsverhaal, in de familiekring bewaard: ‘Gods Vrijmagtige Genade Verheerlijkt aan de grootste der Zondaren’. Een bekende titel in dat genre. In het spoor van Paulus vochten de vromen om het label >> ‘grootste der zondaren’. Hoe erger de vroegere zonden, hoe indrukwekkender het bekeringsverhaal. Goed piëtistisch kent ook Verheij uur en plaats van zijn bekering en beschrijft met de daarbij passende verkleinwoorden “niet alleen het stondetje maar ook het plaatsje bij God van eeuwigheid bestemd.”

Hij wordt wat men in die tijd ‘een fijne’ noemt, iemand die het nauw neemt met Gods geboden, vooral op zondag. Het kerk­orgel in Ameide is gerepareerd, Verheij heeft het timmerwerk gedaan, maar als het op zondagmiddag met een orgelbespeling wordt ‘ingewijd’, blijft de timmerman thuis. Daar is de zondag niet voor, zeker niet als je daarvoor een kwartje moet betalen. Bovendien fluisterde de duivel hem in: “Je zal wel gekroond worden om u gedane werk.” Zijn huisgenoten gaan wel, maar hij blijft thuis en heeft ‘zalige meditaties met den Heere’. We horen de taal van de mystiek.

Slijtplekken in het geloof van de dominee

Het is de tijd dat landelijk de liberalen domineren. De Grondwet van 1848 geeft het volk invloed – het ontwikkelde volk, je hebt een behoorlijk inkomen nodig om te mogen stemmen. Thorbecke is de nieuwe man, die het bonte patroon van adellijke voorrechten en stedelijke voorschriften in wetten uniformeert.

Hij heeft een liberale geestverwant in Ameide, ds. W. van Beuningen. Deze is erudiet en invloedrijk, lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en de groot­vader van de havenbaron D.G. van Beuningen die mede zijn naam aan een Rotterdams mu­seum heeft gegeven. Zijn christendom zal wat onbelijnd en vrijzinnig zijn geweest, hij was vrijmetselaar. In een overlijdensadvertentie van een kind in 1845 verwijst hij nog naar ‘Onze hemelsche Vader’ die het kind ‘tot een beter leven’ had geroepen, maar als er in 1851 weer een zoontje sterft, wordt alleen gezegd dat het kind ‘ontslapen’ is. Het kan wijzen op slijtplekken in het geloof van de dominee.

Van Beuningen had in zijn vorige gemeente Rossum al een strijd gestreden met de ambachtsheer van het dorp, G.A.J. baron van Randwijck, over het benoemingsbeleid van de predikant en het beheer van kerkelijke gelden. Het conflict werd tot in de rechtbank uitgevochten en Van Beuningen kreeg gelijk. De oude adel moest het afleggen tegen de nieuwe burgerij.

De dominee won het van de baron, maar verloor het van de timmerman. Na zijn bekering verkeerde deze een poos onder de vromen die in gezelschappen bijeenkwamen. Het waren groepjes gelovigen die Gods wonderlijke wegen met arme zondaars bespraken. De eigen geestelijke ervaringen stonden centraal. Niet de leer is zaligmakend (hoewel daar niet van afgeweken mag worden), maar de doorleving ervan. De bevinding, zei men in deze kringen. “O, wat heb ik het daar zalig gehad”, schrijft Verheij terug­kijkend op een mystiek ogenblik achter de schaafbank. Op zo’n moment was hij ‘geheel boven het stof’. Die ervaringen werden dan weer op de gezelschappen gedeeld. Daarbinnen kende men geen ambten en functies. Analfabeten konden er groot gezag hebben. Vrouwen ook. De Geest waait waarheen Hij wil. In Ameide was er het gezelschap van ‘vrouw Van Kesteren’, blijkbaar iemand van statuur.

De confessionele paradox: de behoudenden waren de modernen 

Willem Verheij moet dat gezag ook gehad hebben in de kring die bij hem aan huis kwam. Een definitieve oplossing is het niet voor hem. Hij blijft plaatsengeld betalen (een gulden per stoel voor een jaar) aan de Hervormde Kerk van Ameide, al komt hij er nooit. Maar daar wil hij wel naar terug. Na overleg met een dominee die in het landelijke kerkblad De Heraut schrijft over de treurige toestand van de Hervormde Kerk, richt hij een evangelisatie­vereniging op. Het is een noodverband buiten de kerk om, met de bedoeling om, bij ken­terend tij, weer terug te keren tot ‘de kerk der vaderen’. Hij stelt zijn timmer­schuur open en nodigt evangelisten en predikanten uit. De collecteopbrengsten laten zien dat de schuur een geduchte concurrent voor de kerk wordt: daar wordt vaak het meeste geld opgehaald, en daar zullen dan ook meer mensen hebben gezeten. De kerk gaat in het tegenoffensief: de bedeelden krijgen hun uitkering voortaan na afloop van de kerkdienst. Wie naar de schuur gaat, valt buiten de prijzen.

Personeel gevraagd. Verheij zoekt een ongetrouwde, rechtzinnige (‘van de zuivere Gerformeerde Godsdienst’) timmerman

Over een concreet conflict tussen dominee en timmerman is niets bekend. Daarvoor was de afstand te groot. De dominee bracht een ‘leugenleer’, volgens Verheij. De predikant zal hem een querulant hebben gevonden.

Ameide is de spiegel van Den Haag. De landelijke liberalen hebben het na hun aanvankelijke successen niet makkelijk. Ze strijden voor invloed van het volk tegenover koning en adel. Maar ze beseffen dat uitbreiding van het kiesrecht electoraal ongunstig voor hen zal uitpakken – het is de liberale paradox: de nieuwe stemmers zullen niet liberaal, maar confessioneel stemmen. In 1870 zal de conservatieve politicus Heemskerk een voorstel in de Tweede Kamer doen om een grotere groep burgers kiesrecht te geven, maar de liberalen stemmen het weg! In de kerk zien we hetzelfde. Een jaar eerder had ds. Van Beuningen in de classis Gouda een poging gedaan om een al te grote volks­invloed op het kerkelijk beleid tegen te houden. Zonder succes overigens, want de trein reed de andere kant op.

Het volk krijgt invloed in Nederland; ook het gewone, ongeletterde volk. De burger wil niet langer alleen maar onderdaan zijn. Steeds grotere groepen krijgen kiesrecht, uiteindelijk ook minvermogenden en vrouwen. Daarnaast ontstaat er buitenparlementaire actie. De burger wordt mondig. Hij (soms zelfs zij) gaat zich organiseren. Met geestverwanten strijdt hij voor afschaffing van de slavernij, vrouwenemanci­patie, politieke partijen, christelijk onderwijs, enzovoort. Het is de tijd van Abraham Kuyper die het actievoeren voor de rechtzinnigen tot kunst verheft.

In de Hervormde Kerk kreeg de normale man een stem

Vanaf 1867 bestaat in de Hervormde Kerk de mogelijkheid dat de gemeente zelf ouderlingen en diakenen kiest in plaats van de zelfaanvulling die sinds mensenheugenis gepraktiseerd wordt, en in 1881 wordt ook in Ameide en Tienhoven (één kerkelijke gemeente) voor deze mogelijkheid gekozen. Het wordt een revolutie, nog erger: een slagveld. Binnen een paar jaar is het oude liberale establishment verdwenen uit de kerkeraad en nemen de orthodoxe broeders hun plek in. Het loopt parallel met de landelijke ontwikkeling waar de confessionelen ook zullen gaan domineren.

Ds. Van Beuningen gaat in 1882 met emeritaat. Bij zijn afscheid komt het liberale dedain nog even boven: hij voorspelt dat de hoep­makers en mandenmakers hun plek in de kerkeraadsbanken zullen innemen. Dat duurt weliswaar nog even, maar het gaat die kant op. Er komt een orthodoxe predikant. Ameide is representatief voor veel gemeenten in de Hervormde Kerk. Ze vormen de behoudende vleugel binnen deze kerk, de Gereformeerde Bond. Dat is de confessionele paradox: de behoudende gelovigen waren de moderne burgers van hun tijd. Zoals Abraham Kuyper modern was. Niet in zijn theologie, maar wel in zijn (kerk)politieke optreden.

In die zin is de vrome timmerman een modern mens. Het was revolutionair, wat er in deze jaren in Ameide gebeurde: rietsnijders en mandenmakers konden hun stem in de kerk uitbrengen. Voor de gemeenteraad en de Tweede Kamer mochten ze dat nog niet, dat zou tot 1917 duren. Maar in de Hervormde Kerk kregen ze een stem. En dus macht. En zelfbewustzijn. De kerk is door historici wel getypeerd als oefenschool voor de democratie.

Willem Verheij kon terug naar de kerk. De evangelisatiediensten stopten en de bezwaarden namen hun plek weer in in de kerkbanken. De kerk was veroverd. Verheij wordt tot ouderling gekozen, maar bedankt ervoor, waarschijnlijk omdat zijn vrouw dan net is gestorven. Even later zouden de orthodoxe broeders ook in de gemeenteraad komen. De ARP bepaalde voor decennia de politiek in het dorp aan de ­rivier.

Het gebouw ‘Evangelisatie’ fungeerde als alternatief voor de liberale kerk, maar had geen eigen dominee. Nu de kerk een ‘Gereformeerd’ predikant krijgt, kan de Evangelisatie dicht.

Een voorsprong heb je gauw verspeeld

Het is natuurlijk altijd de vraag wat de verliezers van gisteren die vandaag hebben gewonnen morgen gaan doen. Hoeveel ruimte bleef er na de wisseling van de wacht voor andersdenkenden? Dat had misschien een onsje meer gemogen. En hoeveel plaats was er voor vrouwen? Het zou tot na de oorlog duren eer zij in de Hervormde Gemeente van Ameide en Tienhoven actief stemrecht kregen. Een voorsprong heb je gauw verspeeld.

In elk geval, Willem Verheij en de zijnen kregen een dak boven hun hoofd. In de kerk en in de politiek. De mandenbreiers en rietsnijders werden een factor van betekenis. Net zoals elders de boerenknechten en de fabrieksarbeiders. Ze gingen ertoe doen. Ze kregen een huis. Of, met een vreemd, maar ingeburgerd beeld, ze vormden een zuil.

De eenentwintigste eeuw lijkt in sommige opzichten meer op de negentiende eeuw dan op de twintigste. De malcontenten roeren zich opnieuw. Of ze helemaal vergelijkbaar zijn met die van de negentiende eeuw is een aparte vraag. Het wonder van de twintigste eeuw is dat malcontenten deelnemers werden, eerst de confessionelen (al in de late negentiende eeuw) en daarna de socialisten. Het zou mooi zijn als dat wonder zich herhaalde. Maar dan zonder ontkenning van de wereld waarin we leven. 

Sam Janse
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden