Interview Joep van Gennip

Hoe de rooms-katholieke kerk opkwam voor ex-NSB’ers

Kerkhistoricus Joep van Gennip. Beeld Werry Crone

Kerkhistoricus Joep van Gennip onderzoekt hoe de rooms-katholieke kerk ervoor zorgde dat collaborateurs na de oorlog in de samenleving konden terugkeren. Hij trekt een parallel met het heden: ‘Misschien kunnen kerken en moskeeën een rol spelen bij de terugkeer van ex-jihadisten in de maatschappij’.

Aan de Nieuwegracht in Utrecht huist de Tilburg School of Catholic Theology, onderdeel van Tilburg University. De theologieschool is letterlijk verbonden aan katholiek Utrecht: wie na binnenkomst niet de trap op gaat maar verder de gang in loopt, komt vanzelf in de Catharinakathedraal. Boven, in een zaaltje met uitzicht op de zonovergoten gracht, zit kerkhistoricus Joep van Gennip. Hij doet onderzoek naar de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk. Zo werkte hij mee aan ‘Het katholicisme in Europa’, een lijvig handboek dat in deze krant vier sterren kreeg.

Voor zijn nieuwste project duikt Van Gennip in de tien jaar na de Tweede Wereldoorlog. Toen werden tienduizenden mensen opgesloten in bewarings- en strafkampen, omdat ze lid waren geweest van de NSB of omdat ze op andere manieren met de nazi’s hadden samengewerkt. De rooms-katholieke kerk speelde een belangrijke rol bij de resocialisatie van deze ‘politieke delinquenten’; de kerk zorgde er veelal voor dat zij hun herintrede konden doen in de samenleving.

Hoe was die resocialisatie georganiseerd?

“In de periode 1945-1955 zaten in Nederland 150.000 mensen vast, een gigantisch aantal. Zij varieerden van passieve meelopers tot oorlogsmisdadigers. Ze werden in bewaringskampen ondergebracht, in afwachting van hun berechting. Bij veroordeling gingen ze naar een strafkamp. Hoe dan ook zou een groot deel vroeg of laat weer worden vrijgelaten. Maar hoe moest dat? De rechtspraak was daar totaal niet op berekend. Daarom besloot de overheid dat de ‘lichtere gevallen’ versneld in vrijheid zouden worden gesteld.

Dat lag maatschappelijk heel gevoelig, men haatte die mensen meer dan wie ook. NSB’ers waren eigenlijk nog erger dan Duitse militairen, want zij waren landverraders. In de kampen moest een speciale kampraad beoordelen welke gevangenen er klaar voor waren om in de maatschappij terug te keren, en wie nog wat langer moest blijven.

Bij die beoordelingen speelden de katholieke aalmoezeniers en hun protestantse evenknieën een belangrijke rol; zij boden geestelijke zorg aan de gevangenen en ze maakten deel uit van de kampraad. In die kampraad hadden zij een belangrijke stem, hun advies gaf vaak de doorslag. De aalmoezeniers in de bewarings- en strafkampen waren door de kerken voorgedragen, maar betaald door de overheid. Op vaste tijden hadden de aalmoezeniers een spreekuur, verder droegen ze de mis op en organiseerden ze lezingen en conferenties, waarvan er verschillende bewaard zijn gebleven.

Omdat de aalmoezenier een belangrijke stem had bij de invrijheidstelling deden sommige gevangenen erg hun best om bij de aalmoezenier in een goed blaadje te komen. Daar was zelfs een specifieke term voor: ‘VI-bidder’, voorwaardelijke invrijheidstellings­bidder.”

Waarom bemoeide de katholieke kerk zich met de oud-NSB’ers?

“Al in 1943, toen het tij in de oorlog begon te keren, stuurden de bisschoppen brieven naar de parochies, die in de kerk moesten worden voorgelezen. Daarin stond dat er na de oorlog geen ‘bijltjesdag’ moest komen. De bisschoppen riepen de bevolking op om hun ­vijand in het gezicht aan te kijken en barmhartig en vergevingsgezind te zijn. Na de oorlog hoorde je die oproepen opnieuw. De overheid en de lokale kerken waren maar wat blij dat de bisschoppen in die brieven een verzoenende toon aansloegen, want dat bevorderde de sociale cohesie. Het feit dat de bisschoppen die herderlijke brieven schreven heeft flink bijgedragen aan de grotere acceptatie van oud-NSB’ers na de oorlog.

De kerk had ook zo haar eigen belangen. Die waren niet altijd even fris. Door de ex-NSB’ers hulp te bieden kon de kerk ook haar eigen straatje schoonvegen. Veel mensen binnen de rooms-katholieke kerk waren in de jaren dertig immers niet vies van het Italiaans-fascistische gedachtengoed. Moeten we deze mensen niet helpen, zo vroeg men zich af, omdat de kerk deze mensen vóór de oorlog te veel in de rechts-radicale hoek had getrokken. Dat zagen veel geestelijken als een ereschuld. Bovendien had de kerk ook een zekere bekeringsdrang. Sommige aalmoezeniers waren wel erg makkelijk in het vergeven van de zonden van de gevangenen. Pure zieltjeswinnerij, zo klonk het verwijt vanuit de maatschappij.”

Een biddende NSB’er in het voormalige concentratiekamp Vught, dat na de oorlog als bewaringskamp voor politieke gevangenen diende. Beeld Nationaal Monument Kamp Vught

U wilt ook graag onderzoek doen naar de rol die kerken en moskeeën heden ten dage kunnen spelen bij de terugkeer van ex-jihadisten in de samenleving. U trekt de vergelijking met de resocialisatie van ex-NSB’ers na de oorlog. Waarom?

“Na de oorlog stonden de NSB’ers volledig buiten de maatschappij, bijna niemand wilde dat zij in de samenleving terugkeerden. De haat tegen de ‘landverraders’ was heel groot. Zo’n groep is er nu ook. De afstand van ex-jihadisten tot de huidige samenleving is nog groter dan de afstand tussen ex-NSB’ers en de naoorlogse maatschappij.

De kerken namen het na de oorlog op voor de collaborateurs. Wees niet wraaklustig en toon barmhartigheid, zo luidde de oproep aan de maatschappij. De kerken fungeerden zo als een soort intermediair tussen de samenleving aan de ene kant en de ex-NSB’ers aan de andere kant. Ik wil graag onderzoeken of zij die rol opnieuw zouden kunnen vervullen bij de terugkeer van ex-jihadisten. Wat kunnen we daarbij van het verleden leren? De vergelijking tussen de naoorlogse kerken en hedendaagse moskeeën is geen gemakkelijke, daar ben ik me van bewust. Maar mijn veronderstelling is dat kerken en moskeeën die rol als tussenpersoon weer zouden kunnen vervullen.

Totaal isoleren en wegdenken helpt in ieder geval niet. Dat zie je ook bij de ex-NSB’ers en hun kinderen. Het gevoel buitengesloten te zijn werd generaties lang overgedragen. Dat gevaar ligt ook nu op de loer. Ik denk dat mijn onderzoek daarom voor zowel de NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, red.) als de AIVD ook interessant zou kunnen zijn.”

Wat maakt kerken en moskeeën geschikt om die rol als tussenpersoon ­te vervullen?

“Omdat zij in beide kampen hun wortels hebben. Enerzijds kennen die kerken en moskeeën de kracht van het geloof. Ze weten hoe dat geloof voor de verkeerde doeleinden kan worden gebruikt. Maar aan de andere kant staan ze ook midden in de maatschappij. Vanwege die dubbele rol kunnen ze ons dwingen om een groter denkkader te hanteren en zo totale uitsluiting te voorkomen.”

Lees ook: ‘De rooms-katholieke kerk zal ook de misbruikcrisis overleven’

De rooms-katholieke kerk is niet kapot te krijgen, zegt historicus Joep van Gennip. Ook het misbruikschandaal zal ze overleven. ‘De kerk heeft nu eenmaal schokken nodig om bij haar positieven te komen.’ Een interview in drie stellingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden