Hoe de Heer onze geliefden (niet meer) van ons wegneemt

De eerste rouwadvertentie van Nederland uit 1793

Sam Janse spit twee eeuwen rouwannonces door. Die zijn ‘toegepaste filosofie’ – en God trekt zich langzaam terug. 

De eerste Nederlandse rouwadvertentie verscheen in de Oprechte Haerlemsche Courant van 7 maart 1793. Het betrof het overlijden van Martinus Nieuwenhuyzen. De nabestaanden, die hier overigens niet genoemd worden, sturen ‘geene Communicatie brieven’ (persoonlijke overlijdensaankondigingen) vanwege ‘de uitgebreidheid der betrekkingen des overleede­nen’. Vandaar deze noviteit: een advertentie in de oudste krant van Nederland.

Met behulp van de krantenzoekmachine Delpher is het allemaal op te sporen. Wie een oude krant leest, wordt even tijdgenoot. Dat is confronterend. Alleen al het feit dat er namen verdwenen zijn. Het is logisch: zonder zonen geen naamdragers. Ook al groeide de bevolking explosief, het arsenaal aan (Nederlandse) namen kromp. We komen ze niet meer tegen, althans niet meer in Nederland: Saportas, Muskettier, Bezelman, Slingervoet, Drup, Schoone­jongen. Zoek maar op de site van het Meertens Instituut. Ze zijn nog een keer gestorven met het verdwijnen van hun naam.

Confronterender nog is het verdriet dat in een paar regeltjes wordt uitgedrukt. Ouders die ook de tweede van een tweeling moeten missen. Een man die niet alleen zijn vrouw in het kraambed verliest, maar ook het kindje. Bijna een heel gezin dat bij een cholera-epidemie omkomt.

Een advertentie verraadt het levensgevoel

Rouwadvertenties drukken een levensgevoel uit. Met het levensgevoel veranderen de overlijdensberichten. Ze zijn een uitstekende graadmeter van de tijdgeest omdat we ze van dag tot dag kunnen volgen. Geen filosofie van bovenaf, maar duiding van het leven van onderop. Niet vreemd dus dat moderne rouwadvertenties onze geseculariseerde samenleving weerspiegelen. In de tachtiger en negentiger jaren van de vorige eeuw lag het percentage van expliciete verwijzingen naar God en Bijbel in Trouw boven de tachtig. In de eerste honderd rouwadvertenties van dit jaar lag dat percentage in deze krant op 35.

Aan de christelijke bladen Nederlands Dagblad en Reformatorisch Dagblad lijkt de secularisatie voorbij te gaan. Althans, als we de barometer van de overlijdensadvertenties hanteren. De verwijzingen naar het christelijk geloof zijn overheersend. Een steekproef van honderd advertenties aan het begin van dit jaar levert in deze kranten het volgende beeld op. In het ND verwijzen er 93 naar het christelijk geloof, 63 daarvan met een tekst uit de Bijbel of de berijmde psalmen. Dat wordt alleen nog door het RD overtroffen: 95 procent, met 35 keer een bijbel- of psalmtekst. Dat zijn scores die Trouw nooit gehaald heeft. Het beeld wordt nog wat vertekend door advertenties van de zakelijke relaties. Kanis & Gunnink zet nu eenmaal niet ‘De Heer is mijn herder’ boven de advertentie van dhr. Boon, ook al was deze medewerker het geloof even toegewijd als de koffie.

Het Kanis-en-Gunninkeffect

Maar je kunt het secularisatieproces ook van de andere kant bekijken. Ondanks dit doorgaande proces verwijst ruim een derde van de rouwadvertenties in deze krant, die zich niet als christelijk afficheert, nog steeds expliciet naar het christelijk geloof. Ook in de overlijdensadvertenties van de NRC is de Bijbel nog steeds het meest geciteerde boek: de eerste honderd van dit jaar bieden negen verwijzingen naar God en Bijbel: zes bijbelteksten en drie kruisen. Terwijl ook in deze kranten het Kanis-en-Gunninkeffect niet verrekend is.

Dat deze advertenties de spiegels van de tijd zijn vraagt om een modulatie. Ze drukken vooral het denken en geloven van oudere mensen uit. Ze drukken het levensgevoel met een zekere vertraging uit. De rouwadvertenties zijn minder geseculariseerd dan de rest van de krant. Dezelfde vertraging, maar dan met een tegengestelde uitkomst, zien we in de negentiende eeuw. De Standaard, het dagblad van Abraham Kuyper, biedt bij een steekproef van honderd advertenties in 1880 een ‘expliciet christelijk percentage’ van 56 procent. Een kleine twintig jaar later (1899) is dat opgelopen tot 78. Zelfs Kuyper had de tijd nodig om zijn geloofsgenoten christelijke omgangsvormen bij te brengen.

Opmerkelijk is dat die ontwikkeling zich na de oorlog herhaalt bij Trouw. In de jaren vijftig en zestig ligt het percentage van rouwadvertenties die naar God en geloof verwijzen volgens mijn steekproeven net onder de 70 procent, terwijl het in de jaren tachtig en negentig oploopt tot boven de 80 procent. Tegen de secularisatie in. Dit soort conventies komt langzaam en verdwijnt even traag.

Ook in de opmaak is sinds de eerste rouwadvertentie van 1793 wel wat veranderd. In een moderne rouwadvertentie staat vaak een tekst of spreuk bovenaan. In Trouw, ND en RD is dat meestal een bijbel- of liedtekst. Voor de oorlog vinden we dergelijke teksten ook wel, maar dan doorgaans halverwege, na het noemen van de naam van de overledene. Vaak ook verwerkt in het levensbericht: ‘…zij behoorde bij hen van wie geschreven staat: Zalig zijn de doden die in den Heere sterven’ (De Standaard 1 nov 1899, uit Openbaring 14:13). Of: ‘Haar leven was Christus, haar sterven gewin’ (Trouw 20 jan. 1950, uit Filippenzen 1:21).

Wie moderne rouwadvertenties daar naast legt, wordt getroffen door een zekere afstand tussen de geciteerde tekst en de overledene. De bijbeltekst komt letterlijk los van de persoon te staan. We passen niet meer zo gauw Paulus’ woorden op onszelf of op de ander toe (‘Haar leven was Christus, haar sterven gewin’), maar laten de lezer de relatie tussen tekst en persoon zelf bepalen. Dat kan samenhangen met een postmoderne hermeneutiek, waar de duiding überhaupt meer aan de lezer wordt overgelaten. Het kan ook te maken hebben met een zekere bevangenheid van de opstellers van de aankondiging: Ben ik wel zo gelovig? Was zij wel zo vroom? De ‘volle Verzekerdheid des Geloofs’ (al dan niet met hoofdletters) die nog in Trouw van de jaren vijftig te vinden is, of de taalkundig gemoderniseerde ‘zekerheid van het geloof’ van de jaren tachtig komen we nu niet vaak meer in deze krant tegen.

God handelt steeds minder

Als we de geciteerde bijbel- en liedteksten buiten beschouwing laten, is God in de recente rouwadvertenties van Trouw doorgaans geen handelend subject meer. Ook niet bij mensen die blijkens het bericht in de christelijke traditie staan. In 1985 heet het in deze krant nog regelmatig: ‘…heeft de Here tot zich genomen’. Of: Hij heeft ‘bij Zich Thuisgehaald…’. Nu vinden we vaker iets over de weg die de overledene gaat. Naar God, naar de groene weiden, naar Huis. Geen toevallige verschuiving. Want in het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad zien we nog steeds formuleringen waarin God de handelende persoon is. ‘God heeft tot zich genomen…’ of ‘De Heere heeft uit ons midden weggenomen…’

De traditionele uitdrukking ‘Het behaagde de Here van ons weg te nemen…’ ben ik in mijn beperkte onderzoek van genoemde dagbladen alleen nog in het RD een enkele keer tegengekomen. Daar is veel discussie over geweest. Een rouwadvertentie is toegepaste filosofie of theologie. Kun je zeggen dat het God behaagt een mens weg te nemen? Misschien wel een oud afgeleefd mens, maar een kind van zes of een moeder van dertig? Ook in de behoudende sector van de kerk blijkt men op dit punt voorzichtiger te zijn geworden.

Zulke uitdrukkingen raken het godsbeeld. In de negentiende-eeuwse advertenties is God de Almachtige, de Vrijmachtige of de Albestuurder. Of de ‘aanbiddelijke Voorzienigheid’. De mens was geroepen om in het ‘aanbiddelijk bestel der opperste Wijsheid stil te berusten’ >> zegt een bericht van 1811 uit de Oprechte Haarlemse Courant. De negentiende-eeuwer stond beschroomd tegenover ‘den Vrijmagtigen God, die geen rekenschap geeft van zyne daaden’, zoals het in die tijd vaak wordt gezegd. Dan past het slechts om ‘Gode te zwijgen’. Berusting is een woord met een lange adem in overlijdensberichten. De mondige mens van de Verlichting was al wel verschenen in het werk van de Franse encyclopedisten en bij latere vrijdenkers als Multatuli, maar numeriek stelt dat in negentiende eeuw nog niet veel voor. Het zou tot in de late negentiende en vooral de twintigste eeuw duren eer deze beseffen doorsijpelen naar het grondvlak van de samenleving.

Zit er in God een beetje ietsisme?

Opvallend is ook dat in de recente rouw­advertenties in Trouw ‘Heer’ of ‘Here’ als aanduiding van de Allerhoogste, behalve in geciteerde teksten vrijwel niet meer voorkomt. Men spreekt over ‘God’. Kan daar een vleugje ietsisme in zitten? Is ‘God’ algemener dan ‘Heer’, minder specifiek de christelijke God, de God van de Bijbel? In het ND komen beide aanduidingen voor, in het RD is het vrijwel steeds ‘Heere’, of in kapitaal HEERE.

En nog zo’n schijnbare futiliteit. Wie achttiende- en negentiende-eeuwse overlijdensadvertenties bekijkt, ziet veel hoofdletters. Dat geldt voor de meeste teksten uit die tijd. Natuurlijk als het over God gaat: Hij nam tot Zich Zijn… Maar ook Vader, Moeder, Behuwd-Zuster, Ouderhart en Brieven van Rouwbeklag worden allemaal met hoofd­letters geschreven. Ze zijn verdwenen, eerst die van vader en moeder, daarna ook de God aanduidende voornaamwoorden. Het zal er wel mee te maken hebben dat we het Grote Verhaal wantrouwen. Hoewel, het Nederlands Bijbelgenootschap komt in de revisie van de NBV terug op haar beslissing om de naar God verwijzende woordjes klein te schrijven. Het is ook de vraag wat we overhouden als we alles klein maken.

De favoriete rouwteksten 

Wat zijn de favoriete bijbel- of liedteksten? De theoloog Anne van der Meiden verwijst in 1980 naar een recent onderzoek uit die tijd dat de volgende top drie biedt: 1. De Heer is mijn Herder (Psalm 23); 2. Ik ben de opstanding en het leven (Johannes 11); 3. Mijn genade is u genoeg (2 Korintiërs 12).

Psalm 23 is trouwens een laatkomer. Ik kom de tekst pas tegen in het Nieuwsblad van het Noorden van 15 mei 1914. Daar laat de familie van Doeke Buffinga weten: ‘Op ’t laatst van zijn leven jubelde hij steeds: De Heer is mijn Herder’. Recent onderzoek van Offerte, een bureau dat consumenten en bedrijven koppelt, bevestigt dat Psalm 23 nog steeds de grote favoriet is in rouwadvertenties. Maar ik moet zeggen dat ik deze tekst in mijn steekproeven niet bovengemiddeld ben tegen­gekomen.

Zo’n onderzoek op de vierkante millimeter van de rouwadvertenties levert ook aardige bijvangsten op. Waarom wordt de Allerhoogste in de eerste jaargangen van De Standaard, in de zeventiger jaren van de negentiende eeuw, meestal aangeduid met ‘de Heer’? En waarom gaat dat rond 1880 schuiven ten gunste van ‘de Heere’?

Enig speuren brengt de oplossing. In 1880 had ds. A.W. Bronsveld een Statenbijbeluitgave verzorgd waarin gekozen was voor ‘de Heer’. Abraham Kuyper protesteerde, want dat was niet eerbiedig. Met typisch Kuyperiaanse retoriek betoogde hij dat hij ook geen brief zou schrijven aan Vrouw Bronsveld, maar aan Vrouwe Bronsveld. Wat zien we vervolgens in de rouwadvertenties in De Standaard? In 1881 wint ‘Heer’ het nog nipt van ‘Heere’ en in 1890 is ‘de Heere’ de gangbare aanduiding voor God geworden. Het zou later zelfs tot een sjibbolet van de ware orthodoxie uitgroeien. Het machtswoord van Abraham de Geweldige veranderde ook de rouwadvertenties.

Stuur de rekening maar

De rouwadvertentie in de kranten bestaat ruim tweehonderd jaar. Heeft ze nog toekomst of zal ook deze berichtgeving digitaal gaan? Het lijkt me dat de overlijdensberichten voorlopig niet uit de kranten zullen verdwijnen. Het kost de familie wat. Maar dat zou wel eens de kracht ervan kunnen zijn. Digitale berichten zijn te goedkoop. Het is net als met de kist: voor moeder is niks te veel en niks te duur. Stuurt u de rekening maar. 

Lees ook

De plaatsing van rouwadvertenties in een krant ligt gevoelig.  

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden