Essay

Hier ligt Poot, hij is dood

Beeld Hollandse Hoogte / EyeEm Mobile GmbH

Wat we op onze zerken zetten, verraadt wie we - willen - zijn. Door twintig eeuwen westerse geschiedenis heen verandert dat steeds, ziet grafschriftenkenner Sam Janse.

Het lijkt een merkwaardige hobby, het sparen van grafschriften, maar gezien de vele bloemlezingen, houden velen zich ermee bezig. Niet alleen hobbyisten, maar ook wetenschappers. Zij bestuderen zowel wat in steen gebeiteld staat als wat op papier geschreven is over de doden. Want beide soorten grafpoëzie zeggen iets over de doden en nog meer over de levenden. Een samenleving laat zich kennen in haar grafschriften. Ze geeft haar ideeën en idealen prijs aan steen en papier. Er wordt veel gelogen, maar ook in de manier waarop we liegen, verraden we hoe we in het leven staan.

Als we de lijn van onze westerse cultuur terug volgen komen we, enigszins voorspelbaar, in Rome en Athene uit. De bijdrage van Israël valt op dit punt tegen. In de Bijbel vinden we weinig grafmonumenten, al heeft Davids zoon Absalom een gedenksteen opgericht voor zichzelf, omdat hij geen zoon had. Het motief keert tot in onze tijd terug: vergeet me niet, laat me niet definitief verdwijnen.

Hellas en Rome 

Zo ligt het ook in Hellas en Rome. Eeuwige roem is natuurlijk het hoogste, maar voor wie is dat weggelegd? Voor de strijder die zijn leven voor het vaderland geeft. Voor de topsporter die bij de Olympische Spelen de krans krijgt uitgereikt. Maar voor de meesten is het genoeg om niet door de kleine kring van nabestaanden en bekenden vergeten te worden. Om deze kring te vergroten worden voorbijgangers op grafzerken vaak opgeroepen om even stil te staan en de dood en de doden te gedenken: Sta viator…, ‘Blijf even staan, wandelaar…’ De levenden willen na hun dood nog contact met de levenden.

Wat is er verder op grafzerken uit de Oudheid te vinden? Vaak het memento mori, gedenk te sterven, soms aangevuld met een spreuk in de geest van het carpe diem: geniet van het leven zolang het nog kan. Vergankelijkheid en sterfelijkheid zijn steeds terugkerende thema’s met als schrale troost dat allen delen in dit lot. Opmerkelijk is de zin: ‘Wie de goden beminnen, sterven vroeg’. Ik heb een ouderling nog wel eens rond het overlijden van een kind een variant hierop horen uitspreken. En de oude klacht dat de goeden sterven en de slechten blijven leven, is ook van alle tijden.

Troost van het hiernamaals

En dan is er nog de troost van het hiernamaals. Die wordt niet door iedereen in de Oudheid ervaren. Er zijn ook grafschriften waarin de onsterfelijkheid ronduit wordt ontkend. Maar voor velen moet er toch iets meer zijn na de dood. Er is verschil tussen een lichaam en een lijk en dat verschil wordt gemaakt door de ziel. Die is heengegaan. Waarheen? Naar Zeus, naar het huis van Zeus, naar de mythologische zanger Orpheus en de filosoof Plato, figuren die al lang in de eeuwige heerlijkheid zijn. Naar de Elyseese velden ook.

De spotvogel Lucianus uit de tweede eeuw n. Chr. gelooft er het zijne van. Hij laat een reiziger naar deze velden gaan en de groten van de Oudheid ontmoeten: Homerus natuurlijk, Socrates, nog meer beroemdheden, maar Plato niet. Nee, zegt Lucianus vilein, die woont in de staat waarover hij een boek had geschreven. Lucianus refereert hiermee aan Plato’s boek over de ideale staatsvorm: De republiek.

Dat mensen na hun dood sterren worden is ook niet in onze tijd verzonnen, maar heeft papieren uit de Oudheid. Mensen kunnen ook goden worden, waarbij we moeten bedenken dat men in deze tijd iemand met bovenmenselijke trekken al gauw een god noemt. Het bleef natuurlijk wel een bevordering tot heerlijkheid.

Woorden en symbolen

Als het christendom zich meldt in de samenlevingen van de Oudheid, is dat op de grafstenen terug te vinden. Met woorden en met symbolen. Het chi-rho-teken, de duif, de vis verwijzen alle naar Jezus, de Heer, die is opgestaan uit de dood en de gelovigen vanaf de overkant bemoedigt. Soms zijn ook de oude goden nog aanwezig. Op een derde-eeuwse grafsteen staan de goden van de onderwereld vermeld met eronder het naar Christus verwijzende ichthus-teken: de vis. Oude en nieuwe werelden schuiven in elkaar.

Dat gebeurde ook nog op een andere manier. Het christendom bracht uit de Bijbel de idee van de lichamelijke opstanding mee. Dat was toch een ander concept dan dat van de onsterfelijkheid van de ziel. Christelijke theologen hadden er heel wat perkament voor nodig om die verbinding te leggen en het is een puzzel waar veel christenen nog niet helemaal uit zijn: oma is in de hemel, maar oma wacht ook op de dag dat de Heer terugkomt en haar uit de dood zal opwekken.

Een wissel omgezet

Er wordt met de komst van het christendom wel een wissel omgezet. Volgens Amerikaan Karl Guthke, die zijn leven aan de grafsteen heeft gewijd, is een grafteken uit de christelijke Middeleeuwen eenvoudig: geen uitweiding over de verdienste van de gestorvene - dat past niet bij de deemoed - wel verwijzingen naar de beloofde toekomst en een oproep om voor het zieleheil van de overledene te bidden, want ook een gelovige is niet zomaar in de hemel. Dat gebed valt op protestantse stenen weg, maar de blikrichting is nog steeds naar voren gericht. Dat verandert pas, zegt Guthke, met het humanisme en de Renaissance, als de klassieke stenen worden herontdekt. Dan wordt de blik retrospectief, gericht op het verleden van de overledene, op zijn daden en zijn deugden. Dat gebeurt natuurlijk niet ineens en niet zonder protest van kerk en geloof.

De onsterfelijkheid in de hemel maakte plaats voor die op aarde. De vaak ronkende grafschriften brachten de dichter Wordsworth tot de vraag waar toch al die slechte mensen begraven lagen. Van dezelfde strekking is de opmerking dat velen die bij de opstanding hun eigen grafschrift lezen, wel moeten denken dat ze in het verkeerde graf zijn bijgezet.

Rauw realisme 

Allemaal positief is het trouwens niet, wat we op grafstenen vinden. Soms komt ons een rauw realisme tegemoet. Welke liefhebbende echtgenoot zet op een grafsteen dat hij die eens was sweet to my Repose nu geworden is a stink under my Nose? Dat alles natuurlijk tot waarschuwing van de voorbijganger in de geest van het hodie mihi, cras tibi: heden ik, morgen gij.

En wie zou nu nog op een grafsteen een verhaal als dat van Alice Burraway (gestorven in Norfolk anno 1729) durven zetten: ze kreeg van haar vader een zoon, met wie ze later trouwde, zij het ook in het geheim? Dat is tweevoudige incest.

En wat te denken van het komische grafschrift, een genre dat in onze tijd tot grote bloei is gekomen. Op papier nog meer dan op steen.

Angelsaksische traditie 

Het is vooral een Angelsaksische traditie. Al in 1605 geeft de historicus William Camden een boek met wetenswaardigheden uit over ‘Britaine’, met onder meer merry and laughing Epitaphes. Naamgrappen zijn hier favoriet. Zo meldt het grafschrift van een zekere Knott, wiens naam in het Engels klinkt als not: Knott born, Knott christened en nog een heleboel meer Knott, om te besluiten met And here he lies, And yet was Knott. Een zekere Wood, overleden in 1837, krijgt een woordspel met het materiaal van de kist mee:

Here lies one Wood
Enclosed in wood
One Wood
Within another.
The outer wood
Is very good:
We cannot praise
The other.

Is het komische grafschriftgenre werkelijk niet vóór de zeventiende eeuw te vinden? Dat zou opmerkelijk zijn.

Uit de Oudheid is inderdaad vrijwel niets overgeleverd wat in deze categorie valt. Uit de late Middeleeuwen (veertiende eeuw) ken ik een grafschrift dat in onze tijd wel humoristisch gevonden zal worden. Het is van een zekere Aalke Pott. De eerste regel leidt haar in: ‘Hier ruhet Aalke Pott’ en vervolgens is ze zelf aan het woord in een archaïsch Duits:

Bewahr my, leve Herre Gott,
Als ik dy wulle bewahren,
Wenn du werst Aalke Pott,
Und ik de leve Gott.

Internationaal bekend

Met andere woorden: zorgt U voor mij, lieve God, net zo goed als ik voor U zou zorgen als U Aalke Pott was en ik de lieve God. Het grafschrift was internationaal bekend, zolang de namen maar op ‘God’ rijmen, past het allemaal. Grafschriften bewijzen hoezeer Europa een culturele eenheid was en is.

Is dit humor? Dat is voor eenentwintigste-eeuwers moeilijk te bepalen. Het zou ook een vertrouwelijke omgang met het heilige en de Heilige kunnen zijn, zoals we dat bij katholieken ook nu nog wel tegenkomen. Echt blasfemisch zal het niet geweest zijn, want anders hadden de overheden het wel verboden.

De funeraire poëzie met komische strekking krijgt pas echt kansen in het quasi-grafdicht. Logisch, want de pen kent grotere vrijheid dan de beitel. Met het uitdelen van een plaagstoot of een trap na.

Komisch in zijn nietszeggendheid 

Het bekendste Nederlandse grafdicht is alleen maar komisch in zijn nietszeggendheid: ‘Hier leyt Poot, hij is doot’ - het slaat op de achttiende-eeuwse dichter Hubert Kornelisz. Poot. Kritischer is de tekst voor de zeventiende-eeuwse dichter Jan Zoet. Deze kleurrijke Amsterdammer was een felle criticus van kerk en overheid. Hij sloot zich op latere leeftijd aan bij de Dopers, hing de leer van het Duizendjarig Rijk aan en geloofde dat hij onsterfelijk was. Het venijn dat hij royaal in zijn dichtwerk gemengd had, kreeg hij even rijkelijk terug in een ‘grafschrift’, dat hem postuum met zijn onrust en zijn sterven confronteerde:

Hier rust (indien hij rust) Jan Zoet, die in zijn leeven
Dorst zeggen, dat de doodt,
Aan hem, in eeuwigheid, de doodsteek niet kon geeven,
Maar staadig voor hem vlood,…

Uit de vorige eeuw dateert een tekstje voor Klaas Schilder. De vrijgemaakt-gereformeerde hoogleraar had een boek van 350 bladzijden geschreven over de hemel. Dat vonden zijn studenten er blijkbaar toch een paar te veel en ze dichtten:

Hier ligt professor Schilder
Heel rustig in zijn kist,
Hij mocht niet naar de hemel
Omdat hij alles wist.

Gerrit Komrij was met zijn zelfspot anderen voor en maakte voor zichzelf al een grafdicht: ‘Hier ligt Gerrit Komrij, ik denk dat ik omrij.’

De Engelsen zijn ook op het wapen van het papieren grafschrift meester. Als je toch niet adequaat kunt weergeven wat de dood is, kun je er maar het beste wat onderkoeld over spreken:

The grave’s a fine and private place,
but none do there, I think, embrace.
(Een mooie plek het graf, rustig ook, alleen niemand die je omhelst, waarschijnlijk.)

Soms heeft een grafschrift niets met een persoon van doen, maar wil het een grap maken. Zo schreef De Schoolmeester (alias Gerrit van de Linde):

Die mij hier uithelpt, ’t zij door geweld of list,
Krijgt f 2,50 vrij geld, benevens het hout van de kist.

Alleen maar geestig

Het zou alleen maar geestig zijn, als er niet een antisemitisch luchtje aan zat. Boven het gedichtje staat: ‘Grafschrift op genereusen jood’.

Maar soms wil het grafdicht alleen maar een inzicht doorgeven: ‘Hier ligt boer Jansen met zijn knechts. Ze hadden gelijk, ze kwamen van rechts’. Het gaat niet om een bepaalde Jansen, en zijn knechts staan er maar voor het rijm bij, maar de dichter wil zeggen dat het niet altijd loont om je gelijk halen.

Het grafschrift is losgezongen van het graf. Het is een manier geworden om iemand mee te typeren, te plagen, te bekritiseren. Of om er een bon mot mee te maken. In de Engelstalige wereld krijgt de geïnterviewde aan het eind nog wel eens de vraag welk grafschrift bij hem of haar past - quintessential poetry, de meest gecomprimeerde zinnen over iemands leven. Of toch weer als grote grap. Hollywoodsterren schijnen op party’s wel eens als spel grafschriften te hebben verzonnen. Een van hen kreeg mee: ‘Eindelijk slaapt ze alleen’.

Zo wild niet

Op het kerkhof zelf gaat het er zo wild niet aan toe. Volgens sommigen is de moderne begraafplaats zelfs wat saai, en inderdaad is er in de negentiende eeuw veel van het individuele en afwijkende verboden.

In het Victoriaanse Engeland beklaagden publicisten zich over ongepaste, komische inschriften op het kerkhof, terwijl dat toch een plaats is van ernst en bezinning op het sterfelijke leven en de eeuwigheid.

Geen wonder

Geen wonder dat grafschriften en grafdichten dan hun toevlucht nemen tot het papier. We zien tot op de dag van vandaag een hausse van boeken en boekjes, de meeste populair, met (zogenaamd) grappige grafschriften.

Misschien is deze scheiding van papier en steen zo gek nog niet. Voor entertainment hoeven we niet meer op het kerkhof te zijn. Er is natuurlijk een fijnzinnige humor die ook op de steen wel past. Aan Godfried Bomans wordt het volgende ‘grafschrift’ toegeschreven: ‘Hier ligt een opgewekt mens’. Die spreuk zou de steen van velen kunnen sieren. Hij had zelfs op de grafsteen van Jezus Christus kunnen staan, zij het ook in de verleden tijd. 

Beeld Sam Janse

Sam Janse (1949) is bijbelwetenschapper.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden