‘Het is zingevend om je eigen dood te relativeren’

Johannes Klabbers is post-atheïst geestelijk verzorger. ‘Ik vind dat de mens de wereld overheerst, zich telkens opnieuw op de voorgrond dringt.’ Beeld Lars van den Brink

Welk verhaal geeft uw leven zin? In deze reeks vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Johannes Klabbers (60). ‘De zelfmoord van mijn vriend bracht een niet te stoppen gedachtengolf op gang.’

Na een vakantie in Nederland was ik net terug in Australië, toen ik om drie uur ’s nachts een telefoontje kreeg: een goede vriend was dood. 42 jaar, wat kon er gebeurd zijn? Zelfmoord, hij had zichzelf in brand gestoken, het verschrikkelijkste dat je kunt bedenken.

Ik was destijds universitair docent in een klein plaatsje tussen Melbourne en Sydney. Goede baan, mooi huis, zwembad in de tuin. Maar de zelfmoord van mijn vriend bracht een niet te stoppen gedachtengolf op gang. Uiteindelijk nam ik ontslag en meldde mij in Melbourne als vrijwilliger in een ziekenhuis. Ik liep er rond met een trolley om kranten en chocolade te verkopen.

Wit boordje

Ons, vrijwilligers, was het uitdrukkelijk verboden te praten met de patiënten over wat het betekende ziek te zijn. Daar waren wij niet in getraind. “Wie doet dat dan wel?”, vroeg ik. De geestelijk verzorgers, die zonder uitzondering een wit boordje droegen. Allemaal van een of ander geloof. “Maar wie praat er met de ­ongelovigen”, wilde ik weten. “Dat kunnen wij ook”, zeiden de geestelijk verzorgers. “We hoeven het niet over God te hebben!” Als ik op sterven lig, dacht ik, wil ik niet iemand met een wit boordje aan m’n bed. Zo iemand die toch stiekem denkt: als die jongen nou in Jezus Christus zou geloven, zou hij zich beter voelen.

In een oncologisch ziekenhuis ben ik een training gaan volgen om een atheïstische manier van geestelijke verzorging te leren ontdekken. Enkele maanden nadat ik in mijn opleiding begonnen was, ontmoette ik Julia. Ze was een paar jaar jonger dan ik en ongeneeslijk ziek. Longkanker. Ik werd haar geestelijk verzorger. Toen ik voor het eerst op haar kamer kwam, vroeg ze meteen van welke kerk ik was. “Geen”, zei ik, “ik ben atheïst!” “God zij dank”, zei ze, met een halve glimlach. Eigenlijk ben ik een post-atheïst, want ik vind God en ook het idee dat we het nog steeds over zijn/haar eventuele bestaan zouden moeten hebben irrelevant. Maar van die term hebben de meesten nog geen kaas gegeten, daarom ­gebruik ik die bij onbekenden liever niet.

“Niemand begrijpt me hier”, zei Julia. “Wat wil je dan dat ze begrijpen?” “Dat ik dood aan het gaan ben en dat ik dat op de een of andere manier aan mijn dochter van twaalf moet uitleggen.” “Heb je dat geprobeerd?” Dat had ze niet. “Mijn dochter weet natuurlijk wel dat ik ernstig ziek ben want ik lig hier, maar ze denkt dat ik weer beter word.” “Heb je haar gezegd dat het ook mogelijk is dat je niet beter zal worden?” “Nog niet.”

“Doodgaan is helemaal niet zo ingewikkeld, het is vooral kut voor de nabestaanden”, zei wijlen Denker des Vaderlands, René Gude, eens. Hij had gelijk. Maar het is wel ingewikkeld met die nabestaanden te praten over doodgaan, en afscheid van hen te nemen als je weet dat je dood gaat. Daarom wordt het vaak slecht gedaan. En met kinderen soms helemaal niet. Te moeilijk. We doen liever alsof onze neus bloedt.

Julia ging snel achteruit. Op een dag zei ze: “Daisy vraagt nooit meer hoe het met me gaat. Wil ze het wel weten!? Ze kan zelf toch ook wel zien dat het niet goed gaat. ’t Is net of ze kwaad op me is!”

Julia begon te huilen. Ik legde mijn hand op haar dunne arm. “Misschien is ze boos op je omdat je doodgaat. En haar achterlaat.”

Ik zweeg een tijdje. Toen zei ik: “Als je er niet met je dochter over kan praten, zou je een brief kunnen schrijven die ze pas mag openmaken als ze, zeg, achttien, is?”

Ze pulkte een piepklein zakdoekje uit de mouw van haar vest. Ze knikte. “Dat is een goed idee.”

In een brief, vertelde ik haar, kun je tegen je dochter praten als een volwassene. “Je kunt vertellen hoe erg je het vindt haar achter te moeten laten.”

Ik ben drie maanden bijna iedere dag bij ­Julia geweest om met haar te praten over het leven en doodgaan. En over veel andere dingen. Over haar moeilijke relatie met haar eigen moeder. Over hoe het mogelijk was dat Tom, haar man, zoveel van haar hield? En ook over kunst en film.

De brief is geschreven. Nu is Daisy achttien.

Zandkorrel

Ik ben teruggegaan naar Nederland, om aan de Vrije Universiteit een master spiritual care te volgen. Die opleiding heb ik inmiddels afgerond, ik werk nu als onafhankelijk geestelijk verzorger en therapeut. Veel beter dan in Australië kun je in Nederland atheïstisch geestelijk verzorger zijn; we noemen dat meestal ­humanistisch raadsman, maar dan moet je wel eerst een opleiding in het humanisme volgen.

Bij het humanisme draait het erg om de mens. Ik vind dat de mens de wereld overheerst, zich telkens opnieuw op de voorgrond dringt. Ik maak daar geen fans mee, als ik zoiets zou zeggen tegen iemand die op het punt staat te overlijden. In zo’n situatie begin ik het belang van de mens niet te relativeren, maar het belang van de wereld en het universum te benadrukken. Van de zee, van een zandkorrel, het oerwoud, de vogels, de insecten, de sterren. Zo kunnen we onze eigen dood relativeren. In een postatheïstisch, posthumanistisch tijdperk vind ik dat zingevend.

I Am Here: Stories from a Cancer Ward; verkrijgbaar bij bol.com. www.johannesk.com

Heeft u ook een zingevingsverhaal te vertellen en wilt u dat delen? Mail dan naar: zingeving@trouw.nl.

Lees ook: 

In de verhalenreeks Zin in het alledaagse vertellen Trouw-lezers hoe ze zin geven aan hun bestaan. Heeft u ook zo’n verhaal te vertellen en wilt u dat delen? Mail dan naar zingeving@trouw.nl. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden