InterviewJabik Veenbaas en Willem Visser

Het goede doen? Kijk naar jezelf met de blik van een buitenstaander

Beeld Fadi Nadrous

Wat zet ons aan tot deugdzaam gedrag? Die vraag staat centraal in het net vertaalde standaardwerk ‘De theorie over morele gevoelens’ van de Schotse verlichtingsfilosoof Adam Smith. Aan de hand van hun favoriete passages beantwoorden inleider Jabik Veenbaas en vertaler Willem Visser deze vraag.

Mooiste passage Jabik Veenbaas:

“Het is geen liefde voor onze naaste, het is ook geen liefde voor de mensheid, die ons in veel gevallen aanzet tot de beoefening van deze goddelijke deugden. In zulke gevallen is meestal een sterkere liefde, een krachtiger gemoedsbeweging aan de orde, en wel de liefde voor wat rechtschapen en edel is; voor de grandeur, waardigheid en superioriteit van ons eigen karakter.” (225-226)

Mooiste passage Willem Visser:

“Als we onszelf zouden zien in het licht waarin anderen ons zien, of waarin ze ons zouden zien als ze alles over ons wisten, zou een hervorming ten goede in het algemeen onvermijdelijk zijn. We zouden de aanblik anders niet kunnen verduren.” (259)

Laten we ons voorstellen dat het grote Chinese rijk met al zijn talloze inwoners plotseling is verzwolgen door een aardbeving’, schrijft de achttiende-eeuwse filosoof Adam Smith in zijn onlangs opnieuw vertaalde meesterwerk ‘De theorie over morele gevoelens’. Hoe zouden wij daarop reageren? Dat hangt er een beetje van af, maar, zegt Smith, als we ‘van humaniteit vervulde Europeanen’ zijn en zelf geen Chinezen kennen, zullen we misschien een tijdje onze ‘bedroefdheid uiten over het ongeluk van dit geteisterde volk’ maar opmerkelijk genoeg richten we ons na korte tijd weer op onze eigen zaken, alsof er nooit een ramp had plaatsgevonden in China. Smith: ‘Het nietigste ongeval dat hemzelf overkomt, baart reëlere zorgen. Mocht hij weten dat hij morgen zijn pink verliest, dan zou hij vannacht niet slapen.’

“Ik vind dit buitengewoon eerlijk”, zegt de inleider van de nieuwe vertaling van het boek, dichter en ­filosoof Jabik Veenbaas. “Smith heeft naar de dagelijkse praktijk ­gekeken en gezien hoe wij op gebeurtenissen reageren. Dit typeert hem als empiricus: zoals Newton de natuurwetten had samengebracht in een kosmologie, zo streeft Smith ­ernaar een volledige wetenschap van de mens te schrijven. Hij veroordeelt het gedrag van de mens ook niet, stelt niet dat we meer medelijden moeten hebben met de Chinezen, hij kijkt en zegt: zo heb ik het waargenomen.”

Hoe kan het dan dat we ondanks deze aandacht voor het eigen leed soms tóch edelmoedig handelen en het eigenbelang opofferen? Die vraag vormt het uitgangspunt van de theorie van Smith, die ‘de menselijke zedelijkheid laat wortelen in het gevoel’, zoals Veenbaas in de inleiding schrijft. “Op de vraag waarom mensen edelmoedig handelen”, zegt Veenbaas, “zou een christen uit de achttiende eeuw onmiddellijk spreken over naastenliefde en de wens om Gods wil te doen. Smith niet.

De Schotse filosoof Adam Smith (1723-1790) is vooral bekend geworden als de econoom die de grondslag legde voor de moderne liberale economie. Door zijn magnum opus, The Wealth of Nations(1776), zou hij de vader genoemd kunnen worden van het gewetenloze kapitalisme met zijn nadruk op het eigenbelang. 

Minder bekend is ‘De theorie over morele gevoelens’ (1759), nu opnieuw vertaald door Willem Visser. In dit boek beschrijft hij hoe de mens kan uitgroeien tot een sterk, zelfstandig moreel wezen.

“In mijn favoriete passage gaat het dan ook niet over de naastenliefde die ons beweegt tot het doen van moreel hoogstaande daden, maar over een sterkere kracht. De morele gevoelens die wij in ons hebben ontwikkeld zijn helemaal afkomstig van onze sociale omgeving, die wij ons hebben eigen gemaakt, geïnternaliseerd.”

Om duidelijk te maken hoe dat proces van internaliseren werkt, ­gebruikt Adam Smith onze preoccupatie met schoonheid en lelijkheid. De eerste ideeën ontwikkelen we daarover door naar anderen te kijken. Vrij snel beseffen we dat anderen ook zo naar ons kijken. We zijn tevreden als ons uiterlijk anderen bevalt, maar als ze kritiek hebben, proberen we te achterhalen waar die vandaan komt.

“Door voor een spiegel te gaan staan”, zegt Willem Visser, de vertaler van ‘De theorie over morele ­gevoelens’, “proberen we onszelf zoveel mogelijk met de ogen van anderen te bekijken. Zijn we met onszelf tevreden, dan kunnen we kritiek van anderen redelijk accepteren. Verwerpen we onszelf, dan raakt de afkeuring ons des te harder. Zo gaat het ook met onze morele oordelen: eerst beoordelen we ‘onbeschroomd’ het karakter van anderen, dan ontdekken we dat anderen exact hetzelfde bij ons doen.”

Wat dan? Verdienen we hun afkeuring of hun lof?

Visser: “Het verschil tussen ‘lof’ en ‘lovenswaardigheid’ ligt in de ogen van een zogenaamde onpartijdige toeschouwer. Als ik geprezen word, moet ik bij mezelf nagaan of ik de lof inderdaad verdiend heb. Als dat niet zo is, heb ik iets uit te leggen. Als het wel zo is, ben ik prijzenswaardig. De beoordelaar is een denkbeeldige ­instantie die met een min of meer objectieve blik naar me kijkt. Die ­instantie stelt me in staat te streven naar lovenswaardigheid – of die lof me ook inderdaad wordt toebedeeld, is van secundair belang.”

Hoe moeten we dat doen, nagaan of we de lof verdiend hebben?

Visser: “Door onze eigen gemoedsaandoeningen en gedrag te onderzoeken, en door te overwegen hoe die moeten overkomen op anderen, en door te overwegen hoe ze op ons zouden overkomen als we in hun schoenen zouden staan. We stellen ons voor de toeschouwers te zijn van ons eigen gedrag en proberen te bedenken welk effect dat in dit licht op ons zou hebben. Dit is de enige spiegel die ons, tot op zekere hoogte, in staat stelt om met de ogen van anderen de gepastheid van ons eigen ­gedrag nauwkeurig te bekijken.”

Zo komt Visser ook bij zijn favoriete passage. “Smith meent dat er geen andere middelen bestaan om morele regels aan de weet te komen dan wat die zogenoemde onpartijdige toeschouwer ons influistert. Hij gaat hiermee niet alleen in tegen het idee dat de mens Gods wil doet, maar ook tegen een idee van een van zijn leermeesters, de Schotse filosoof Francis Hutcheson, die sprak over een moreel zintuig, als een zelfstandig vermogen dat de mens zou hebben.

“Smith ontkent het bestaan van zo’n zintuig. Hij gaat uit van een ­instinctieve afkeer van wandaden en onregelmatigheden, die in de loop van de tijd de morele regels van het individu worden. We hebben alleen een instinct om dingen af te keuren en goed te keuren. En de onpartijdige toeschouwer beslist welke beslissing we nemen.”

Waarom is zo’n onpartijdige toeschouwer ook voor ons nog van belang? Veenbaas en Visser, die samen de belangrijkste werken van de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant vertaalden, benadrukken dat Smith met dit boek een heel minimalistische ethiek heeft ontworpen. Veenbaas: “Deze onpartijdige toeschouwer is veel minder abstract dan de ethiek van Kant. We kunnen het begrip veel gemakkelijker verbinden met onze ervaring.”

In de ogen van die toeschouwer willen wij ons volgens Veenbaas ­positief onderscheiden. “Wanneer we de aanbevelingen van die toeschouwer opvolgen, kunnen we trots zijn op onszelf. Smith heeft dan ook veel kritiek op zijn tijdgenoot, de filosoof en wiskundige Blaise Pascal, die de mens ziet als een met schuld beladen verschoppeling, alleen te redden door God. De ethiek van Smith is een pleidooi voor menselijke waardigheid.

Jabik Veenbaas en Willem Visser vormen een onafscheidelijk vertaalduo. Veenbaas vertaalde behalve filosofisch werk ook veel literair werk, bijvoorbeeld gedichten van de klassieke Friese dichter Obe Postma. Willem Visser is behalve vertaler ook filosoof. Op zijn naam staat onder meer de veelgeprezen vertaling van ‘Fenomenologie van de geest’ van Georg Wilhelm Friedrich. Veenbaas en Visser kregen samen in 2010 de Filter-vertaalprijs voor hun vertaling van ‘Kritiek van het oordeelsvermogen’ van Immanuel Kant. Willem Visser vertaalde ‘De theorie over morele gevoelens’, Jabik Veenbaas schreef er de inleiding bij.

“In onze postchristelijke tijd zijn we nog steeds op zoek naar ethiek die houvast biedt. Smith levert hier in de achttiende eeuw al de aanzet toe. Vanuit het zelfrespect en respect voor anderen kun je naar een seculiere, waardige en volledige ­moraal komen, dat is het knappe van zijn werk. Smith is in alle opzichten een humanistisch denkende filosoof.”

Door de introductie van de onbevooroordeelde toeschouwer is Smiths filosofie sterk verbonden met onze sociale omgeving. Veenbaas: “Dat maakt ook begrijpelijk waarom mensen die een beroerde opvoeding hebben gehad en nauwelijks goede voorbeelden hebben gekend, vaak zelf ook in de fout gaan. Ze hebben een slecht zelfbeeld, en hebben geen onpartijdige toeschouwer kunnen ontwikkelen die hen op het goede wijst. Ons strafrecht kent daar talloze voorbeelden van.”

Visser: “Dat de wereld nog steeds niet naar de verdommenis is, is te danken aan de omstandigheid dat goede mensen zonder op een beloning te kunnen rekenen goede dingen doen, en die dingen doen ze alleen maar omdat ze goed zijn. Of, in de terminologie van Adam Smith, omdat ‘een onbevooroordeelde toeschouwer’ ze zou goedkeuren.

“Het oogmerk van Smiths boek is te laten zien hoe ‘het goede doen’ werkt. Als het besef daarvan is doorgedrongen, als je in die zin ‘verlicht’ bent, om dat woord maar te gebruiken, kun je geen kwaad doen zonder te weten dat dit onwenselijk is. Zo makkelijk is het. Verlichting op z’n Schots.”

Lees ook:

Wil je écht gelukkig worden? Filosoof Steven Nadler heeft de oplossing: denk als Spinoza

Het denken van de grote zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza biedt een uitstekende gids voor het goede leven, betoogt filosoof Steven Nadler.‘Spinoza geeft een heel overtuigend beeld van de werking van onze geest.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden