Het bestaan van God proberen te bewijzen, is dat niet ouderwets?

Jeroen de Ridder. Beeld Jean-Pierre Jans

Zijn godsbewijzen ouderwets? Nee, zegt Jeroen de Ridder. Want wie niet gelooft op grond van een religieuze ervaring, moet het hebben van redeneren.

Als tiener merkte Jeroen de Ridder al dat geloof en filosofie kunnen schuren. “Tijdens mijn catechisatie zei de dominee soms: “Dat kun je niet weten”, of: “Dat moet je gewoon geloven, einde discussie.” Dat is heel frustrerend als je filosofisch ingesteld bent, zoals ik. We hebben er net een half uur over gepraat en dan zouden we nu al klaar zijn met discussiëren!? Kom nou!”

Voor De Ridder was het daarom een logische stap om zich bezig te houden met christelijke filosofie. “Ik ben protestants opgevoed. Als je dan filosofie gaat studeren, denk je automatisch: hoe gaan die twee samen?”

Is het begrip ‘christelijke filosofie’ niet tegenstrijdig? Het christendom gaat uit van het geloof, terwijl filosofen zich beroepen op de rede. Toch zijn er in de loop van de tijd veel filosofen geweest die zich bezighielden met geloof en christendom, waarbij ze zich bijvoorbeeld richtten op godsbewijzen. Ook De Ridder, onlangs benoemd tot bijzonder hoogleraar christelijke filosofie in Groningen, heeft zich daarin verdiept.

Het bestaan van God bewijzen deden ze al in de middeleeuwen. Is dat niet een beetje ouderwets?

(Lacht) “Dat klinkt inderdaad zo. Maar het is echt niet zo dat godsdienstfilosofie zich alleen maar bezig houdt met godsbewijzen. Een moderne kwestie waar godsdienstfilosofen zich mee ­bezighouden, is bijvoorbeeld de vraag naar de aard van geloofskennis. Christelijk geloof heeft te maken met praktijken: naar de kerk gaan, een kaarsje branden, bidden, enzovoorts. Kun je zulke praktijken ook zien als kennis?”

En godsbewijzen dan?

“Filosofen zijn de laatste decennia ­opnieuw aan de slag gegaan met het analyseren van argumenten voor het bestaan van God en ze hebben nieuwe versies van de oude godsbewijzen ontwikkeld. Maar er zijn niet veel filosofen die zich ermee bezig houden, zeker niet in het seculiere Nederland.”

Hebben godsbewijzen u in uw geloof gesterkt?

“Ja, een beetje wel. Stel dat iemand voor eens en altijd zou laten zien dat geen enkele van die godsbewijzen deugt, val ik dan van mijn geloof? Het zou me wel aan het wankelen brengen, denk ik.

“Het kan natuurlijk zo zijn dat sommige gelovigen zich door een religieuze ervaring bekeren. Maar dat is niet iets wat ik persoonlijk heb meegemaakt, dus ik moet het dan doen met redeneren en filosoferen.”

Heeft u wel eens getwijfeld aan uw ­geloof in God?

“Ja, natuurlijk. Al vanaf mijn tienertijd twijfel ik af en toe. Soms kijk je om je heen en denk je: dit ken ik allemaal, ik snap het, ik zie het. Maar ja, ik geloof dat daarachter of daarboven iets anders is wat ook eeuwig bestaat. Dat is zo ­anders dan het hier en nu. Geloof kan heel bevreemdend zijn.

“Ik twijfel ook omdat ik merk dat mensen makkelijk achter rare ideeën aan gaan lopen. Wie weet wat er tweeduizend jaar geleden gebeurd is met mensen die achter religieuze ideeën aan zijn gaan lopen. Als het eenmaal een gevestigd idee is, kan het door de geschiedenis heen blijven bestaan. Het lijkt een serieuze mogelijkheid dat het allemaal begonnen is als misverstand.”

Godsbewijzen worden traditiegetrouw meer geassocieerd met het katholieke geloof. Protestanten vinden dat het ­geloof wortelt in Gods openbaring, niet in de rede. Kijken medeprotestanten u scheef aan omdat u zich bezighoudt met godsbewijzen?

“Nee, de reacties zijn heel positief. Er zijn heel veel soorten protestanten. De calvinistische traditie, die in Nederland dominant is, legt de nadruk op de ­invloed van zonden, en dat mensen van zichzelf slechte dingen doen. Dat zou dan ook hun verstand hebben aangetast, waardoor je niet zomaar kunt vertrouwen op je verstand. Dus, wordt er soms gezegd, de mogelijkheden om Gods bestaan te bewijzen zijn beperkt.”

Hoe kijkt u daar zelf tegenaan?

“Nu wordt het misschien zwaar religieus, maar omdat ik gelovig ben, mag dat misschien. Eén idee uit het christelijk geloof is dat de mens naar het beeld van God geschapen is. Juist de intellectuele mogelijkheden die een mens heeft, de denkvrijheid, zie ik als iets wat óók het beeld van God is.

“Ik heb daarvoor geen goddelijke ­inspiratie nodig. Dat zou immers ook wel heel pretentieus klinken, nietwaar? Maar ik denk wel dat je bij het filosoferen bepaalde mogelijkheden benut die je gegeven zijn door God.”

Sommige filosofen zijn sceptisch over christelijke filosofie. Die zou onwetenschappelijk zijn, omdat je vooringenomen bent als je vanuit een christelijk standpunt filosofeert. Wat vindt u?

“Ja, ik denk dat ik tot op zekere hoogte niet helemaal objectief kan zijn. Ik zal misschien ontvankelijker zijn voor ­argumenten vóór het bestaan van God dan tegen. Maar dat geldt voor iedereen. Wetenschap is ook een collectieve onderneming. Je kunt die vooroordelen neutraliseren door met mensen uit verschillende hoeken te discussiëren. Door met elkaar die argumenten te bekijken en er kritiek op te leveren, streef je naar gezamenlijke objectiviteit die je in je eentje moeilijk kunt realiseren.”

Drie Godsbewijzen

Anselmus van Canterbury (ca. 1033-1109)

Anselmus was de eerste die logica gebruikte om Gods bestaan aan te tonen. Hij ging niet uit van zintuiglijk bewijs, maar gebruikte een analyse van definities om aannemelijk te maken dat God zou bestaan. Anselmus definieerde God als het meest volmaakte wezen dat je kunt bedenken. Vervolgens, zo redeneerde hij, is het beter om werkelijk te bestaan dan alleen als idee te bestaan, dus iets wat niet echt bestaat kan nooit volmaakt zijn. Een niet-bestaande God is dus minder volmaakt dan een ­bestaande God. Dus moet God bestaan.

Gottfried W. Leibniz (1646-1716)

Leibniz, een echte alleskunner, gaf een ‘kosmologisch’ godsbewijs, wat betekent dat hij elementen uit de werkelijkheid (kosmos) ­gebruikt om het bestaan van God aannemelijk te maken. Alles in de kosmos moet een oorzaak hebben. Iets kan niet uit niets ontstaan. En zo’n oorzaak moet zélf ook weer een oorzaak hebben, ­enzovoorts. Er moet dus een ­eerste oorzaak zijn die verklaart waarom er iets is en niet niets. Maar gebeurtenissen in de kosmos zijn niet noodzakelijk: ze hadden ook niet kunnen gebeuren. Daarom moet de eerste oorzaak een noodzakelijk iets zijn: God.

Alvin Plantinga (geb. 1932)

De Amerikaan Plantinga heeft het godsbewijs van Anselmus vernieuwd met behulp van het ­‘mogelijke-wereldenmodel’. Een mogelijke wereld is een wereld die wel kan bestaan, maar anders is dan de onze: een planeet waar nooit leven is ontstaan of een ­wereld waarin de auto van de buren een andere kleur heeft. Het is mogelijk dat God bestaat. Dus zijn er mogelijke werelden waarin God bestaat. Maar God is een ‘maximaal volmaakt’ wezen, dus als God niet op alle mogelijke werelden zou bestaan, zou hij niet maximaal volmaakt zijn. Dus God bestaat op alle mogelijke werelden, oftewel: God bestaat.

Lees ook: Christen moet godsgeloof bewijzen en niet de atheïst
Het verschijnen van het boek ‘God bewijzen’ van Rik Peels en (inmiddels Theoloog des Vaderlands) Stefan Paas zorgde een aantal jaren geleden voor een flinke opleving in het debat over het bestaan en het bewijzen van God.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden