Boekrecensie Filosofie

Giorgio Agamben doet origineel verslag van zijn klim naar de hoogste denkberg

Idee van het proza
Giorgio Agamben 
Vertaald door Ineke van der Burg; 
Uitgeverij Boom; 128 blz. € 22,50
★★★★★

De schrijver

Filosoof Giorgio Agamben (Rome, 1942), voormalig leerling van Martin Heidegger en ook sterk beïnvloed door Walter Benjamin, brak in 1995 internationaal door met het boek ‘Homo sacer’. De hieronder besproken essaybundel stamt uit 1985.

Opzet van dit boek

‘Idee van het proza’ bestaat uit 33 korte opstellen over het idee ‘idee’. In elk van deze essays wordt een idee doordacht, iets waarvan we met enige zekerheid denken te weten wat het inhoudt: waarheid, liefde, politiek, dood, communisme. Al lezend brokkelen deze zekerheden af.

Weinig boeken zullen zich zo tegen samenvatting verzetten als ‘Idee van het proza’. Hoe kan de mens zich de vraag naar het beginsel van het denken stellen, verwondert Agamben zich in de proloog, hoe kan de mens het onzegbare zeggen? ‘Het ontoereikende vatten van het beginsel maakt het tot muzische grens, tot inspiratie’, schrijft hij.

Al denkend beroept Agamben zich op onder anderen Plato, ­Dante, Heidegger, Kafka en Paul Celan. Eén van Agambens vragen: ‘Aan welke roeping is de dichter trouw?’

Opvallende passage

Zijn antwoord: ‘De trouw aan wat niet tot thema gemaakt, maar ook niet zomaar verzwegen kan worden, is een soort heilig verraad, waarin de herinnering, zich plots als een wervelwind draaiend, het sneeuwfront van de vergetelheid ontwaart. Dit gebaar, deze omgekeerde omarming van herinnering en vergeten, die in haar midden de identiteit van het niet-herinnerde en het onvergetelijke intact laat, is de roeping.’

Reden om dit boek niet te lezen

De voorgaande passage is een uitstekende lakmoesproef om te testen of de lezer bereid is om Agamben te volgen of niet. De dichter-filosoof vergt veel van zichzelf, maar ook van zijn lezers. ‘Idee van het proza’ beslaat amper 150 pagina’s en de essays zijn zelden langer dan drie pagina’s, maar een toegankelijk boek is het allerminst.

Het kan bijna niet anders dan dat een vertaling van een 34 jaar oud boek ook wat gedateerde kanten heeft. Agambens kritiek op de hypocrisie van de ‘huidige tijd’, die zijn wens om ‘geen historisch tijdperk meer te willen zijn’ verbergt achter quasi-progressieve termen als ‘postmodernisme’, wakkert inmiddels bijna nostalgische gevoelens aan.

Reden om dit boek wel te lezen

Agamben heeft op de hoogste denkberg vertoefd en verslag gedaan van zijn klim. Elk van zijn 33 essays blinkt uit in originaliteit. In deze raadselachtige, soms frustrerende bundel rafelt Agamben het denken zodanig uit elkaar dat hij achter elk uitgekauwd antwoord een soort kinderlijk verlangen blootlegt: het is nodig om dieper te graven. Toch blijft de grote prijs – de waarheid – buiten bereik: filosofie is nooit een uitgemaakte zaak, elk idee is een hypothese.

Nee, gemakkelijk is het niet. Denk je dat Agamben een auto gaat beschrijven, dan blijkt hij het aan het eind van zijn essay juist over de chauffeur te hebben – en vice versa.

In zijn essay over proza bespreekt Agamben bijvoorbeeld de stijlfiguur van het enjambement, de lege ruimte tussen de delen van een onderbroken versregel die typerend is voor de poëzie. Alsof je de contouren van een idee (proza) pas kunt ontwaren als je een onderscheidend idee (poëzie) beschrijft – verondersteld onderscheidend dan, want die scheiding tussen poëzie en proza is natuurlijk net zo goed een idee. Poëzie en proza scheppen elkaar, zoals oorlog en vrede elkaar ook scheppen, of vergetelheid en herinnering.

Vaak geldt: hoe korter het essay, hoe schoner. Ontroerend is Agambens opstel over geluk, slechts een paar alinea’s lang, waarin hij het karakter van een mens omschrijft als een ‘hoeder van een niet-genoten leven’: ‘(…) op het moment dat de dood aan het karakter ontrukt wat het hardnekkig verborgen hield, houdt hij slechts een masker in handen. Op dat moment verdwijnt het karakter: het gezicht van de dode vertoont geen spoor meer van dat wat niet geleefd is, de diepe groeven van het karakter zijn glad getrokken. Zo wordt de draak gestoken met de dood: hij heeft ogen noch handen voor de schat van het karakter. Deze schat – dat wat nooit geweest is – bergt de idee van het geluk. Zij is het goede dat de mensheid uit handen van het karakter ontvangt.’

Lees ook: 

Heidegger en de politiek: een combinatie die vraagt om problemen

Grote denkers openen ons de ogen, maar wat zien zij zelf over het hoofd? Filosoof Ivana Ivkovic over de blinde vlekken van Martin Heidegger.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden