InterviewHenk Jochemsen

Gentechnologie is een zegen en een vloek. ‘Wat als ouders een designbaby willen?’

Beeld Hollandse Hoogte / Richard Brock

Gentechnologie is veelbelovend, maar minstens zo riskant, stelt filosoof en medisch-ethicus Henk Jochemsen. Hij is medeauteur van Morgen wordt alles beter en wil de prenatale diagnostiek sterk inperken.

Hij wordt morgen 69. Henk Jochemsen is emeritus hoog­leraar, maar heeft het nog steeds druk. Als christelijk gereformeerd ouderling in Bennekom – rond corona valt er in de kerk veel te regelen. Bovendien is hij nu onderzoekshoogleraar op de Kampense Lindeboomleerstoel voor christelijke medische ethiek.

Met zijn collega Maarten Verkerk, hoogleraar christelijke filosofie en ChristenUnie-senator, schreef hij Morgen wordt alles beter. Dat boek over gentechnologie moest er komen, zegt Jochemsen, omdat de ontwikkelingen in die sector snel voortschrijden. Het ‘wetenschappelijke wereldbeeld’, het knutselen aan DNA en de mogelijkheden van ­prenatale diagnostiek raken iets bij Jochemsen.

Wat staat er op het spel?

“Het heilige. Het besef dat je bezig bent met wat de rationele analyse overstijgt.” Hij ziet dat heilige in de coronacrisis oplichten. “Dat de samenleving kiest voor éérst de kwetsbare mensen, dat vind ik mooi. Dat zijn christelijke wortels die nog breed gedeeld worden. Heilig is ook: als er maar niks met mijn kind gebeurt.”

Tot zover het positieve deel. Want in Morgen wordt alles beter gaat Jochemsen niet alleen in op de vooruitgang die modern genetisch onderzoek mogelijk maakt, morgen kon alles ook wel eens veel slechter worden. “We moeten niet de werkelijkheid willen beheersen, en zeker niet het eigene van de mens. Dat krijg je wetenschappelijk niet in de greep. Wat ik ook zie: dat het menselijke lichaam een instrument aan het worden is van het ‘ik’. Dat is de ethische conclusie van het boek.”

Laten we bij het begin beginnen. Waarom voegt u een titel toe aan de bibliotheek die al is volgeschreven over gentechnologie?

“De laatste jaren, en het laatste jaar zijn er veel ontwikkelingen geweest die dat rechtvaardigen. Met de CRISPR-Cas-techniek kun je nu vrij eenvoudig en goedkoop ingrijpen in de genetische code. En de prenatale diagnostiek is overal doorgedrongen. Het is tijd om hier vragen over te stellen met een levensbeschouwelijke invalshoek.”

Wat is uw moeite met het herstellen van een defect gen?

“Gentechnologie kan tot nieuwe medische behandelingen leiden. Dat is vooruitgang. Maar het grijpt wel in in de mens, dus voorzichtigheid is geboden, zeker als je – bij kiembaangentherapie – een erfelijke verandering aanbrengt die ook het volgende geslacht meegaat. En ik kom in verzet als ik zie dat de menselijke waardigheid in het geding komt. Mag je een ernstig lichamelijk of mentaal defect herstellen? Wat doen we als vader en moeder een intelligent kind willen, een designbaby? Wat doet dat met het zelfbeeld van dat kind, later? En met de maatschappij?”

Uitgangspunt voor Jochemsen in deze analyses is het mensbeeld van Herman Dooyeweerd, grondlegger van de reformatorische wijsbegeerte. We zijn niet alleen een chemisch wezen, maar we zijn ook onze hogere functies. En die vormen een integraal geheel. Daarom valt een mens niet samen met zijn DNA, en knutselen aan stukjes daaruit is geen kleinigheid, maar raakt de hele mens.

Dat een mens zichzelf probeert te verbeteren, z’n talenten te ontwikkelen, moreel of artistiek vooruit wil komen, of wat aan zichzelf restaureert als een functie hapert, daar heeft Jochemsen geen moeite mee. “Maar we zien nu dat er technische verbeteringen worden ingeplugd, dat de mens verbeterd wordt, sneller, competitiever, dat is zorgelijk. Het gewone leven wordt niet meer geaccepteerd, ik proef een verachting van het gegeven bestaan.”

Jochemsen citeert de Amerikaanse ethicus Michael Sandel, die waarschuwde voor een ‘jacht naar perfectie’, waardoor mensen elkaars concurrent worden. Jochemsen: “Als je je nageslacht genetisch wilt sturen, dan wordt je kind een instrument van jouw doelen. Sandel zegt: ouders gaan hun kinderen als project beschouwen. Ik zie een selectietendens in de hele samenleving: maak jezelf waar, haal het beste uit jezelf, jij bent de auteur van jouw succes - maar dus ook van je mislukking. Dat is meedogenloos.”

U gaat uitgebreid in op de prenatale screening, de niet-invasieve prenatale test (NIPT) waarmee erfelijke afwijkingen zijn vast te stellen. U stelt daar, schrijft u, kritische vragen bij, maar als ik doorblader lees ik ook het antwoord: u bent voor een volledige bescherming van het ongeboren leven. En dat wringt met die test.

“Een echo is prima, ter begeleiding van een zwangerschap. Zo is ook de vruchtwaterpunctie ontwikkeld. Maar wat we nu hebben, is iets anders. De NIPT is gericht op de mogelijkheid van selectie en dus van abortus. Anders doe je zo’n test niet.”

Henk Jochemsen is filosoof en medisch-ethicus.

Die test hoort al bij het standaardpakket voor zwangeren. In 2018 ondergingen 73000 vrouwen haar, bijna de helft van alle zwangeren.

“Ja, en wanneer blijkt dat je baby het syndroom van down heeft – en wie zegt er van tevoren: ik zou wel een downkindje willen? – dan is de vooronderstelling: levensbeëindiging, want zulke kinderen kunnen beter niet geboren worden. Denemarken en IJsland zijn al zo goed als downloos.”

Wat doet dat met een maatschappij?

“Kinderen met down hebben een eigen rol in de samenleving en in het gezin, soms een lastige, dat weet ik. Maar het idee is: een mens die gehandicapt is, kan er beter niet zijn. Dat is niet wat de begeleider bij de NIPT zegt, niet hardop tenminste, maar het is de cultuur waarbinnen je als jonge ouders die test laat doen.

“Die tests worden binnen de medische wereld geïnstitutionaliseerd aangeboden, met de onderliggende moraal: het is oké als je je kindje, mocht daar wat mee zijn, laat aborteren. Ik vind dat problematisch. Het creëert een klimaat waarin we elkaar niet meer onvoorwaardelijk accepteren als mens. We willen een inclusieve wereld, maar hén sluiten we uit. Dat is gevaarlijk.”

Zouden we van de NIPT af moeten?

“Dat moeten we wel proberen, ja. Eerst maar eens terugdringen. Het zou al mooi zijn als het wat minder vanzelfsprekend werd. In het huidige culturele klimaat is het dat voor ouders vaak niet. Ik vraag me af of je ouders wel voor die keus mag plaatsen. We hebben die keus te veel geprivatiseerd. Tegenwoordig is het de verantwoordelijkheid van de vrouw om de vrucht te laten controleren – nou, dat is onzin. De samenleving is medeverantwoordelijk voor de kinderen die geboren worden. En de overheid zou de prenatale diagnostiek moeten beperken.”

In Morgen wordt alles beter komen geregeld filosofische inzichten langs, vooral van Dooyeweerd. Daarnaast verwijzen Jochemsen en zijn medeauteurs graag naar ‘de theologie’, in enkelvoud, als een eigen stem in het debat over gentechnologie. Terwijl daar toch veel stemmen te horen zijn: rabbijn Evers verdedigt het klonen van mensen; protestantse theologen hebben een grote rol gespeeld bij de aanvaarding van euthanasie en abortus; moslims vinden abortus in de eerste maanden toegestaan.

Als er zoveel stemmen bestaan, waarom heft u het dan over ‘de theologie’?

“Ik kan me voorstellen dat dat verwarrend werkt. Met ‘theologie‘ kun je inderdaad nog veel kanten op. Maar ik bedoel orthodox gereformeerd.”

Die woorden ontbreken in het hele boek, maar sluiten wel aan bij prof. G.A. Lindeboom, de naamgever van de leerstoel die Jochemsen bekleedt. Dat was een steil-gereformeerde arts die godslastering bestreed, homoseksualiteit een zeer besmettelijke ‘perversie’ noemde en abortus en ­euthanasie afwees. Al die slagen zijn vanuit Lindebooms perspectief ­gezien inmiddels verloren.

U werkt in zijn voetspoor. Is uw werk niet één lange verliesoefening?

“Dat gevoel heb ik wel eens, ja. Maar dat is gelukkig toch te eenzijdig.”

Toen Lindeboom in 1986 stierf, had hij volgens zijn biograaf al vele jaren geen enkele invloed meer op het gangbare medisch-ethische debat.

“Lindeboom was een man die het gesprek niet aanging, maar vertelde hoe het zat. Maar als ik kijk naar wat we wél hebben bereikt, dan is dat niet niks. We hebben bijvoorbeeld, terwijl minister Borst euthanasie wettelijk regelde, veel aandacht gekregen voor palliatieve zorg die in Nederland onderontwikkeld was.

“Toen het embryo-onderzoek in Nederland begon, wilden onderzoekers alle vrijheid om embryo’s te creëren. Daar waren we tegen en dat heeft geholpen. Natuurlijk bestaat de kans dat die vrijheid er alsnog komt. Maar dan hebben we dat toch weten op te schorten. Zo gaat dat.”

De titel van het boek klinkt welgemoed: Morgen wordt alles beter. De slotzin, een citaat van de schrijfster van Frankenstein, is daarentegen somber. “Wie op de stoel van God gaat zitten, zal rekening moeten houden met Zijn vloek.”

Dat is een echte uitsmijter. Als bijdrage aan een gesprek over gen­technologie is het laatste woord godsvloek. Dat is een knuppel op je kop.

“Dat kan ik me voorstellen. Het is geen voorspelling, maar een waarschuwing. Laten we niet naïef zijn: niet alle voortgang is vooruitgang. Blijf af van het heilige, is mijn boodschap, anders word je ongelukkig. Het boek is aanzet tot gesprek.”

Lees ook:

Sleutelen aan embryo’s? De wetenschap peinst er niet over. Maar voor hoe lang nog?

Een jaar na de affaire rond de Chinese geneticus He Jiankui rust er nog steeds een moratorium op het versleutelen van embryo’s. Terwijl wetenschap en maatschappij discussiëren, staat een miljardenindustrie in de startblokken.

Rusland zet alles op alles: binnen zeven jaar wil het land wereldleider gentechnologie zijn

Rusland wil dit decennium nog wereldleider zijn op het gebied van genetische technologie. Om die ambitie te halen, worden alle zeilen bijgezet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden