Interview

Genieten van donder en bliksem: luxe of hoogmoed?

Beeld EPA

Sinds mensenheugenis werd onweer gezien als een straf van God. Tot in 1752 de bliksemafleider werd uitgevonden. Historicus Jan Wim Buisman onderzocht de ongekende culturele opwinding die daarop volgde. 

Vanuit laaghangende wolken klinkt gerommel, dat aanzwelt tot woedende paukenslagen. Een flits verlicht het hele land. Dan scheurt de ­hemel knetterend open en ontlaadt het hemelvuur zich op een torenspits of op een eenzame wandelaar.

Weinig natuurfenomenen maken zoveel indruk als het onweer. Geen wonder dat donder en bliksem eeuwenlang zijn beschouwd als een manifestatie van goddelijke krachten. Zeus en Wodan werden al afgebeeld als bliksemwerpers. Tot de Verlichting leek geen christen te betwijfelen dat God zich juist in donder en bliksem direct richtte tot de mens. “De donder wás de stem van God, die in de donderpreek van de dominee slechts na-echode”, vertelt Jan Wim Buisman (1954), universitair docent geschiedenis van het christendom. “Dat idee werd heel letterlijk genomen. Stond het ook niet in psalm 29? ‘’t Schepsel beeft en staat verwonderd, als de God der ere dondert.’ Vrome mensen zwegen als het onweerde, want God hoor je niet in de rede te vallen.”

Maar met de introductie van de bliksemafleider was het met die eenstemmigheid gedaan, vertelt Buisman in zijn nieuwe boek ‘Onweer’. Dat onderwerp is een kolfje naar de hand van de Leidse historicus, die voor zijn dissertatie al naging hoe het idee van een straffende God in Nederland terrein verloor. Daarvoor onderzocht hij reacties op diverse achttiende-eeuwse rampen, zoals de aardbeving in Lissabon in 1755 en de Amsterdamse schouwburgbrand van 1772. Maar de doorlopende ramp van blikseminslagen verdiende een boek apart. 

Ook decennia nadat de Amerikaan Benjamin Franklin (1706-1790) de ontdekking in 1752 had gedaan, zorgde de uitvinding voor grote cultureel-religieuze opwinding. Immers, door de bliksem via een simpele ijzeren draad te geleiden naar de grond, waar die geen kwaad kon, bewees de Amerikaan dat hemelvuur een elektrisch karakter had en dus níet een onontkoombaar instrument was van God. Daarmee had Franklin God zijn strafinstrument afgenomen. Als je het onweer kon beheersen, wat was er dan nog meer mogelijk? De verhouding tussen God, mens en natuur diende grondig doordacht worden.

Als ik het goed begrijp, werd de bliksemafleider hét symbool voor de Verlichting. Eeuwenlang waren we bang gemaakt voor de toorn van God, maar dat was niet meer nodig. De rede zegevierde op het bijgeloof. Wat een opluchting!

“Zo werd het voorgesteld door verlichte geesten als Immanuel Kant. Maar een simpel succesverhaal was de introductie zeker niet. Bliksemafleiders waren soms knullig geïnstalleerd. Er gebeurden veel ongelukken, en dat doet zo’n uitvinding natuurlijk geen goed. Wetenschappers betwijfelden bovendien of zo’n dunne draad wel zo enorm veel elektrische lading kon afvoeren.

“Verder dacht men nog in chemische modellen, men snapte elektriciteit nog niet echt. Bliksem werd gezien als ontploffing van zwaveldampen in de lucht, zodat een Franse geleerde voorstelde een bliksemafleider te installeren die punten had naar boven én naar beneden, want zwaveldampen stegen op uit de aarde – dat wil zeggen uit de hel. Ook het onweer was volgens een oude opvatting te wijten aan demonen, en wel aan die in de atmosfeer. Dat idee ging terug op een woord van de apostel Paulus: ‘Wij hebben te strijden tegen de geesten in de lucht’.”

Zo wetenschappelijk was het dus allemaal niet.

“Je ziet vooral dat eeuwenoude opvattingen gaandeweg gerationaliseerd worden. De theorie dat je zwaveldampen gecontroleerd zou kunnen laten ontploffen, gaat terug op Aristoteles. Een Duitse pastoor schoot met een zilveren pistool op de wolken. In de Alpen had je het Wetterschiessen, daar zette de bevolking kanonnen in om het onweer te bestrijden.”

Geen simpel wetenschappelijk succesverhaal dus, want het was zoeken naar de juiste methode. Maar hoe zat het met de morele weerstand tegen Franklins uitvinding?

“Die is aanzienlijk geweest. Men had lange tijd het idee dat dit menselijke arrogantie was, dat men God zijn strafwerktuig afhandig maakte. Zwitserse boeren dachten dat de bliksemafleider een uitvinding moest zijn van de goddeloze Fransen. De roede van Benjamin Franklin en de roede van God werden als elkaars concurrenten beschouwd.

“Gaandeweg sleet dat fatalistische verzet, maar daar gingen decennia overheen, soms meer dan een eeuw. Dan zie je dat J.J.L. ten Kate, de Nederlandse dominee-dichter, Franklin helemaal verchristelijkte. Hij zei: Het was toch eigenlijk een heel vrome man. Omhoog blikkend zou hij God om hulp gevraagd hebben. ‘God der Natuur! O bekroon mijn verlangen! /Gij die het weet, geen zelfzuchtige wensch./’t Heil van den Mensch,/ Prikkelt mijn streven.’ Daarmee probeerde Ten Kate zijn achterban te winnen voor de introductie van de bliksemafleider. In 1869! Dus het ging héél geleidelijk.”

Christenen moesten ook wel natuurlijk, omdat kerktorens zo vaak getroffen werden door de bliksem.

“Dat gebeurde inderdaad geregeld. De eerste Nederlandse kerktoren die van een bliksemafleider werd voorzien is de Sint-Martinuskerk in Doesburg – dan hebben we het over 1783. In Italië waren er al eerder bepaalde geestelijken die bliksemafleiders op kerktorens installeerden, in Siena en Venetië bijvoorbeeld. Op het moment dat men zag dat het werkte, was men gauw om. Al waren daarvoor wel eerst ongelukken nodig. Je moet je eens voorstellen wat er gebeurde als de bliksem insloeg in een kruitmagazijn. Dat is in Padua gebeurd in 1769 en daar zijn 3000 doden gevallen.”

Praktisch gezien kon de kerk dus niet om Franklins uitvinding heen. Maar in hoeverre pasten theologen hun ideeën aan? De straffende God verloor toch veel gezag.

“De religie van angst raakte in de achttiende eeuw sowieso op haar retour, maar de bliksemafleider droeg daar zeker toe bij. Theologen waren er als de kippen bij om zulke uitvindingen in te passen in hun theologisch systeem. Er ontstond een hele brontotheologie, een theologie van het onweer. Sommigen wezen erop dat God de mens toch kennelijk het verstand had gegeven om het onweer te begrijpen en de schadelijke gevolgen ervan te bestrijden. Invloedrijk was ook de fysicotheologie, waarin de kosmos werd voorgesteld als een harmonieus geheel dat getuigt van het bestaan en de goedheid van de Schepper. Heel optimistisch eigenlijk, al dreigde het willekeurig geweld van onweer, kometen en vulkanen roet in het eten te gooien.

“Maar aan die onverklaarbaar negatieve verschijnselen maakte Franklin juist een einde, want hij liet zien dat de natuur wel degelijk bereken- en beheersbaar was. Als je haar wetten maar gehoorzaamde, in dit geval die van de elektriciteit. Dat was koren op de molen van de nieuwe religie van vreugde.”

Thracische ruiters schieten op de hun dondergod Zalmoxis.

Het kon eigenlijk niet beter. Er vlogen minder gebouwen in brand én God en natuur kregen een vriendelijk gezicht.

“Nou ja, er waren natuurlijk ook mensen die met de bliksemafleider op de loop gingen. Volgens markies De Sade, de schrijver aan wie we de term sadisme te danken hebben, had de bliksemafleider ons van God bevrijd. Hij spande de uitvinding onmiddellijk voor het karretje van zijn libertijnse ideologie. Seksuele lust was voortaan een natuurkracht die zich moest ontladen.

“Dat is een extreem voorbeeld, maar felle voorstanders van de nieuwe uitvinding schaarden zich wel graag in het eenvoudige schema van Immanuel Kant: Verlichting is de bevrijding van bijgeloof. Je bent óf verlicht óf bijgelovig. Daar is helemaal niets tussenin. Terwijl er toch echt genoeg reden was voor scepsis was – en ook voor angst. Onhandig geïnstalleerde bliksemafleiders zorgden vaak voor grote schade. Pas halverwege de negentiende eeuw werd het een kwestie van serieproductie en verdween het verzet ertegen.”

En juist toen bloeide de kunstzinnige belangstelling voor het onweer op. Schilders van de Romantiek waren dol op dreigende wolkenluchten en andere onheilspellende natuurverschijnselen.

“Begin negentiende eeuw werden donder en bliksem echt een hype in de kunst. De Nederlandse dichter Tollens gebruikte onweer in 1808 als symbool voor het bulderen van Maarten Tromps kanonnen. ‘De donder rolt met forsch geklater/En rolt langs dek en boorden heen.’ En Beethoven imiteert in ­‘Wellingtons Sieg’ maar liefst 188 ­kanonschoten. Er zijn mensen die dat als pure bombast kwalificeren. Maar men kán van dat gedonder alleen zo ­genieten, er zelfs in zwelgen, omdat de onberekenbare natuur hier in principe geen kwaad meer kan doen.

“Men genoot trouwens niet alleen van onweer, maar ook van vulkanen. Een Duitse vorst liet een miniatuur-vulkaan bouwen om een prettig soort huivering op te roepen. Delightful ­horror noemde de conservatieve filosoof Edmund Burke dat. 

“Het is een constante in de geschiedenis: als je zelf op een veilig plateau zit, kun je genieten van een vulkaan, een schipbreuk, een blikseminslag. Zo veilig voelen we ons nog steeds, want we zien grootse natuur vooral als iets waarin je je kunt ontspannen. Dat genieten van woeste natuurverschijnselen duidt op een luxepositie, misschien ook wel op een zekere hoogmoed. Slachtoffers van de overstroming in Mozambique denken er vast heel anders over.”

Jan Wim Buisman, ‘Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis 1752-1830’, uitgeverij VanTilt, 344 blz., € 29,50.

Lees ook:

Onweer krijgt hulp uit de ruimte

Het dondert en bliksemt dagelijks in de atmosfeer, maar hoe die bliksem kan ontstaan, is nog steeds een raadsel

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden