EssayVerleden

Excuses voor slavernij en Holocaust. Kan dat?

Rutte maakt excuses aan Joodse nabestaanden, Amsterdam wil excuses maken voor de slavernij. Kan dat? Of kunnen alleen daders om excuses vragen? Filosoof Paul van Tongeren bepleit te erkennen dat we deel uitmaken van gemeenschappen, of we willen of niet. 

Afgelopen zomer eiste de Amsterdamse gemeenteraad met een tweederde meerderheid dat de gemeente excuses zou aanbieden voor haar slavernijverleden, op 1 juli – Keti Koti, de Surinaamse feestdag ter herdenking van de afschaffing van de slavernij. Intussen laat de gemeente wetenschappelijk onderzoek doen naar de exacte rol van Amsterdam in de slavenhandel, want ‘als je excuses maakt, moet je wel weten waarvoor precies’.

Deze excuses zouden verder gaan dan wat minister Ollongren van binnenlandse zaken afgelopen jaar over de Nederlandse rol in de geschiedenis van de slavernij heeft gezegd. Het kabinet had ‘diepe spijt en berouw’, waarmee Ollongren iets verder ging dan een van haar voorgangers (Roger van Boxtel) die in 2001 sprak van ‘diepe spijt, neigend naar berouw’.

Debat

Over deze Amsterdamse excuses is een debat ontstaan. Voorstanders willen erkenning van, of in het reine komen met de geschiedenis van uitbuiting en slavernij. Tegenstanders wijzen erop dat de voorwaarden voor excuses ontbreken: de slachtoffers zijn er niet meer en hun nazaten zijn geen slachtoffers; de dader was een andere dan de instantie die nu de excuses gaat aanbieden; excuses kunnen ongewenste juridische en financiële effecten hebben, zoals bijvoorbeeld Forum voor Democratie vreest.

Er zijn meer van zulke casussen: de excuses die premier Rutte aanbood voor de wijze waarop de Nederlandse overheid in bezettingstijd had gehandeld; de excuses, en compensatieregeling, van de NS voor het transporteren van Joden, Sinti en Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog naar de naziconcentratiekampen; de vraag om excuses te maken voor de behandeling van de ‘moffenmeiden’ na de oorlog; de discussies over excuses voor de politionele acties en het koloniale verleden van Nederland, enzovoort.

Simplistisch

Hoewel elk geval anders is, vertonen de debatten erover grote overeenkomsten. Ze lijden dikwijls aan het euvel dat ze zich in een sim­plistisch vóór of tegen vastzetten. ‘Argumenten’ dienen slechts om het eigen standpunt te rechtvaardigen en de ander te bestoken. Daardoor overtuigt de ene partij zelden de andere.

Toch zijn zulke debatten nuttig, omdat ze de mening van wie het (nog) niet weet kunnen vormen, zodat zich langzamerhand een kwantitatieve verhouding van vóór- en tegenstanders aftekent. De kwaliteit van die kwantiteit hangt voor een belangrijk deel af van de mate waarin dat ‘nog-niet-weten’ zich kan hand­haven tussen de elkaar bestrijdende partijen: kunnen we onderscheiden tussen ­demagogie en argumentatie, is er een alternatieve weg te vinden tussen een simplistisch vóór of tegen?

Daar is de filosofie van nut, door vragen te stellen in een veld met enkel standpunten. Zeker: wie vragen stelt moet bereid zijn naar antwoorden te zoeken, maar niet meteen op de vraag of je vóór of tegen moet zijn, maar op die onderliggende vragen. Laten we dus eerst een paar vragen stellen. Kunnen alleen daders excuses aan slachtoffers maken? Wat betekent het als excuses tot stand komen op basis van ­debat, wetenschappelijk onderzoek en politieke besluitvorming? Worden ze beperkt door mogelijke juridische effecten? Wat zijn excuses eigenlijk?

Rechtvaardig

Tegenwoordig gebruiken we ‘excuseren’ of ‘verontschuldigen’ op een vreemde manier. Letterlijk betekent het immers: ‘van schuld uitsluiten’ of ‘vrijspreken’ en zo ‘rechtvaardigen’. Daarom kun je excuses eigenlijk niet ‘aanbieden’, althans niet als je nergens schuldig aan bent. Integendeel: je vraagt om verontschuldiging. Wie vraagt om verontschuldiging, heeft – al of niet vermeend – schuld aan iets, en vraagt aan degene aan wie hij iets verschuldigd is, om daarvan te worden vrijgesproken. Als hij die verontschuldiging aangeboden krijgt, kan dat alleen maar zijn van degene jegens wie hij de schuld had.

In het huidige taalgebruik betekent ‘excuses aanbieden’ dat de aanbieder schuld erkent, zij het dat zijn ver-ont-schuldiging vooruitloopt op een vrijspraak daarvan.

Deze ambiguïteit klinkt door in de Amsterdamse casus. In het politieke jargon bleken excuses de overtreffende trap in een reeks die begint met spijt en berouw. Dat betekent waarschijnlijk dat het bij politieke excuses gaat om een term die juridisch zou kunnen verplichten tot compensatie. Spijt en berouw gaan dan ‘slechts’ over het zachte, morele aspect, terwijl excuses harde consequenties kunnen hebben die je in de portemonnee voelt.

Morele verantwoordelijkheid wordt tot juridische aansprakelijkheid. Maar als daardoor die excuses pas tot stand komen na grondig onderzoek en afweging van belangen en soms zelfs gemotiveerd worden door de verwachting dat ze niet tot financiële claims zullen leiden, of geweigerd omdat ze daar wel toe leiden, blijkt de erkenning van de schuld beperkt of geminimaliseerd te worden: men erkent de schuld slechts op voorwaarde dat zij niet of niet te veel geïnd zal worden.

Wie zijn de schuldige en schuldenaar?

Onder deze dubbelzinnigheid ligt een groter probleem. De gemeenteraad eist excuses, de burgemeester zal ze misschien uitspreken, namens de stad Amsterdam. Verontschuldiging veronderstelt schuld. Maar wie zijn hier schuldige en schuldenaar? Waar ergens ligt de schuld, en wat voor schuld, in het weefsel van officiële instanties en functionarissen, collectieven en individuen, zowel uit vroeger tijd als heden?

De vraag brengt ons op het spoor van een merkwaardige gespletenheid in onze moderne conditie. Enerzijds herkennen we de roep om erkenning van het kwaad dat destijds is geschied, anderzijds hebben we moeite om dat kwaad te verbinden met ons eigen handelen. In de loop van de tijd zijn de zwarte zijden van ‘onze nationale helden’ zichtbaarder geworden. Soms veranderde een standbeeld van een teken van trots in een suggestie van schaamte. Voor- én tegenstanders van het verwijderen van standbeelden of straatnamen getuigen daarmee van een collectief gevoel, hetzij van trots, hetzij van schaamte.

Dit terwijl het moderne individualisme zich tegen dat gevoel verzet: hoezo zou ik me schuldig moeten voelen voor wat vroegere Nederlanders deden? Hoezo kan ik verantwoordelijk worden gemaakt voor wat anderen deden, je kunt me toch alleen aanspreken op wat ik zelf heb gedaan? Collectieve verantwoordelijkheid kan toch slechts bestaan als de som van alle individuele verantwoordelijkheden?

Ideologie

Deze gespletenheid legt bloot dat de ideologie van waaruit we over onszelf spreken niet de wijze dekt waarop onze ervaring zich toont in gevoelens van trots of schuld of schaamte. We ervaren onszelf veel meer als onderdeel van een gemeenschap en een geschiedenis dan we over onszelf denken en praten; we spreken de taal van het individualisme, maar die past niet bij de verbondenheid met anderen en eerderen die we ervaren.

Er zijn grofweg twee manieren om die verdeeldheid op te heffen. De meest voorkomende wantrouwt de ervaring uit naam van de ideologie: collectieve schuld die niet de verzameling is van de schuld die alle leden hebben, is dan een achterhaald idee, een symptoom van een voorbije cultuur, – een tragische vloek, de ongerechtigheid der vaderen bezocht aan de kinderen.

Maar zouden we niet juist die ideologie moeten wantrouwen, op grond van onze ervaring? We zouden kunnen erkennen dat we onszelf onvermijdelijk ervaren als leden van een gemeenschap waarvoor we niet gekozen hebben, maar waar we altijd al binnen staan.

Verwant

Ik ben nu eenmaal een Nederlander; en zelfs als ik mijn nationaliteit opgeef voor een andere, blijf ik voor altijd iemand die ooit een Nederlander was. Wie in het buitenland is en plotseling Nederlands hoort, kan schrikken of blij zijn, maar hij ervaart zich onvermijdelijk als verwant. Wat ik lees over de geschiedenis van het land waarin ik werd geboren, raakt mij anders dan wat ik over andere landen lees. Wat er gebeurt of gebeurd is in afdelingen van de organisatie waarbinnen ik werk interesseert mij anders dan wat elders plaatsvindt.

De ideologie die elk lidmaatschap van een gemeenschap opvat als niet meer dan een tijdelijk engagement dat altijd weer verbroken kan worden, maakt van het individu iets abstracts. Wat betekent dat voor onze verantwoordelijkheid voor, onze schuld aan de slavernij van destijds? Ik vermoed dat we voor een antwoord op die vraag een ander begrip van verantwoordelijkheid nodig hebben, niet in de plaats van het gangbare activistische en individualistische begrip, maar daarnaast.

Natuurlijk zijn we aanspreekbaar op de dingen die we zelf doen of hebben gedaan. Maar daarnaast geldt dat we kunnen erkennen dat we deel zijn van grotere gehelen, gemeenschappen waarvan de geschiedenis ons raakt en waarbinnen het handelen van anderen ook ons aangaat. Dan moeten we zeggen dat degene die zich niet laat raken door wat andere mensen deden, mensen met wie hij door een geschiedenis of anderszins is verbonden, een belangrijke morele gevoeligheid mist. Dan is degene die zich niet laat aanspreken door wat elders of eerder in zijn gemeenschap, familie, organisatie gebeurde of gedaan werd, iemand die weigert te antwoorden op een aanspraak die wel degelijk gedaan wordt. Zo iemand miskent daarmee zijn verantwoordelijkheid.

Opgave

Inderdaad betreft het hier een ander soort verantwoordelijkheid en een ander soort schuld. De geschiedenis valt niet ongedaan te maken, zomin als het handelen van anderen niet door mij veranderd kan worden. Ik kan ook de schuld die daaruit ontstaat niet aflossen of anderszins uitboeten.

Bij de slavenhandelaren in onze goudgedoopte eeuw gaat het inderdaad om een schuld waaraan we niets kunnen doen. We hebben niet kunnen vermijden dat die ontstond evenmin als we haar kunnen inlossen of afkopen. Maar dat neemt niet weg dat zij bestaat. Op dit punt bestaat onze morele opgave er (slechts) in dat te erkennen. En dat blijkt moeilijk genoeg.

Als dit klopt, dan missen de meeste discussies over excuses het eigenlijke probleem. Het gaat niet om al die overwegingen over implicaties en consequenties van mogelijke excuses, het gaat niet om de vraag of de slachtoffers van dat vroegere handelen nog wel of niet meer in leven zijn, of ze wel of niet vertegenwoordigd kunnen worden door hun nazaten; het gaat evenmin om de vraag of en in welke mate wijzelf betrokken waren bij of iets zouden hebben kunnen veranderen aan het gewraakte handelen. Het gaat zelfs niet om ver-ont-schuldiging.

Het gaat om de vraag of we durven erkennen dat we niet enkel behoren tot het tijdperk waarin we leven, dat we niet enkel zijn wat we zelf over onszelf kunnen bepalen. Als het debat tot dat inzicht zou leiden, hebben we meer geleerd dan een antwoord op de vraag of we ergens voor of tegen zouden moeten zijn.

Aanvulling

Tot slot. Dit begrip van een eerder collectieve dan individualistische, en eerder passieve dan actieve verantwoordelijkheid, vervangt ons gangbare begrip van verantwoordelijkheid niet. Het is er een aanvulling op.

Maar ook als we ons wel door dat gangbare begrip laten leiden, moet toch snel de hypocrisie van de discussie over excuses zichtbaar worden. Als we werkelijk alleen verantwoordelijk zouden zijn voor wat we zelf doen of nalaten, waarom doen we dan niet iets aan degenen die nu verdreven, vervolgd, gemarteld, tot slaaf gemaakt of gedood worden, mede door wat wij (niet) doen? Waarom überhaupt discussiëren over onze verantwoordelijkheid jegens de slaven van toen, terwijl we de vluchtelingen van nu buitensluiten?

Voor wie daarop reageert met de bekende ­tegenwerpingen (de risico’s, het aanzuigend effect, de Dublinakkoorden, het Schengenverdrag, onze verzorgingsstaat, de noodzaak van grenzen), heeft de geschiedenis nóg een les. Ze toont hoezeer die argumenten lijken op die van de vroegere slavenhouders. Ook zij rechtvaardigden zo hun handelwijze, ook zij verontschuldigden zich, excuseerden…

Paul van Tongeren (1950) is emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek. Hij maakt deel uit van het filosofisch elftal van Trouw.

Lees ook:

Vijftig miljoen kinderen op de vlucht: zo blijf je betrokken, zonder je machteloos te voelen

Vijftig miljoen kinderen zijn op de vlucht. Hoe reageer je op zulke getallen? Hoe zorg je dat je betrokken blijft, zonder voortdurend gebukt te gaan onder de ellende die erachter schuilgaat? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden