InterviewRobert van Putten

‘Door onze obsessie met controle verliezen we andere waarden uit het oog’

Robert van PuttenBeeld Koen Verheijden

Politici, durf de controle los te laten, zegt filosoof en bestuurskundige Robert van Putten, die vorige week promoveerde op het begrip maakbaarheid. Zijn onderzoek werd plotseling bijzonder relevant in het licht van de coronacrisis.

Er wordt in deze coronacrisis gehamerd op strikte leefregels: het aantal besmettingen moet beheersbaar blijven. Tegelijk staan die regels op gespannen voet met onze vrijheden: om te protesteren, ons vrij te bewegen, en op vakantie te gaan. Vorige week promoveerde Robert van Putten – via Zoom – op het ideaal van beheersing en maakbaarheid in het openbaar bestuur.

Het is eigen aan de mens om te willen dat het leven maakbaar en beheersbaar is, zegt Van Putten. “Je zou het een oerverlangen van de mens kunnen noemen. Beheersing geeft zekerheid en veiligheid. En dat is ook iets goeds, het heeft ons veel opgeleverd. Nederland behoort in ranglijsten tot een van de beste landen ter wereld, in allerlei opzichten.”

Praktische problemen

Toch kleven er allerlei problemen aan de nadruk op maakbaarheid en beheersing, betoogt Van Putten. Ten eerste zijn er praktische problemen. De wereld is niet beheerst en geordend, die kun je niet naar je hand zetten. “Maar die problemen zijn geen aanleiding gebleken om het maakbaarheidsdenken de rug toe te keren. Tijdens een persconferentie over het coronabeleid hoor je de premier bijvoorbeeld ruiterlijk toegeven: we moeten met 50 procent kennis 100 procent van de beslissingen nemen. Nou, denk je, dat klinkt goed. Maar vervolgens gaan ze wel op de maakbaarheidstoer door.”

Van Putten heeft bestuurskunde en filosofie gestudeerd, maar tijdens zijn opleiding was er bijna geen aandacht voor maakbaarheid. Het werd gezien als een ouderwets begrip, iets dat typisch hoorde bij de jaren ’60 en ’70. Toen werd de verzorgingsstaat in het beleid als ideaal gezien, zaken als uitkeringen en publieke gezondheidszorg werden uitgebreid. “Dat liep de spuigaten uit, en het werd ook onbetaalbaar. In de jaren ’80 en ’90 kwam er een omwenteling, er werd op de hoge sociale uitgaven bezuinigd. Dat werd gezien als het einde van de maakbaarheid.”

Robert van Putten

Robert van Putten (1987) studeerde bestuurskunde en filosofie, en werkt als onderzoeker bij het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie en tevens als onderzoeker bij de Christelijke Hogeschool Ede. Zijn proefschrift, ‘De ban van beheersing’, is als boek uitgegeven bij Boom.

In 2013 kreeg hij een boek van Paul Frissen in handen, ‘De fatale staat’. “Dat boek betoogt dat de bestuurlijke praktijk maakbaarheid nog steeds heel belangrijk vindt.” Het sloeg in als een bom bij Van Putten. Hij realiseerde zich dat het huidige neoliberale beleid maakbaarheid misschien niet expliciet omarmt, maar stilzwijgend toch nog van beheersing en veiligheid uitgaat.

Om dat te begrijpen ontleedt hij het begrip ‘maakbaarheid’. “Het is een gelaagd begrip. Maakbaarheid is een ideaal, dat draait om beheersbaarheid: het uitbannen van leed en tragiek, en het realiseren van geluk. Maar maakbaarheid gaat ook gepaard met een bepaalde kijk op de samenleving.” Als je het ideaal van beheersbaarheid wil bereiken, zegt Van Putten, moet je dat ideaal ook kunnen benaderen. Bestuurders zien de samenleving daarom als machine die je kunt besturen.

“Dat mechanistische beeld is cruciaal bij het handelen in de coronacrisis. De samenleving wordt nu gezien als een object dat je kunt beheersen. De grenzen worden gesloten, het openbare leven staat stil. We zetten als het ware de machine stop zodat het virus niet binnenkomt. Nu met de heropening zetten we de schuifjes weer langzaam open, net zoals we verschillende sectoren een voor een weer openzetten.”

Ogen op de data

Het beeld van de regering die op het dashboard kijkt vindt Van Putten erg treffend voor dit mechanistische wereldbeeld. “Je hebt je ogen op de data, de gegevens en statistieken.” De bestuurder ziet zichzelf als een ingenieur die met de ogen op de snelheidsmeters en waarschuwingslampjes aan het roer staat. Want voor beheersing heb je overzicht nodig, en heldere regels die gehandhaafd worden, zegt Van Putten.

Naast de praktische problemen, die niet tot een denkomslag leiden bij bestuurders, zijn er ook normatieve problemen verbonden aan het maakbaarheidsideaal. Problemen dus, die te maken hebben met onze normen en waarden, wat we belangrijk vinden. “Je kunt je voorstellen dat er een schaal is met aan de ene kant volledige vrijheid en aan de andere kant totale beheersing. Bestuurders proberen altijd een balans te vinden tussen die twee.”

Er was voor de coronacrisis al een hang naar de beheersingskant, maar door de coronacrisis is dat nog eens versterkt, zegt Van Putten. En mensen verzetten zich daartegen. “Dat hoor je ook terug in de kritiek op de corona-aanpak. De strenge regels voor verpleeghuizen, bijvoorbeeld, doen iets met ons gevoel van menszijn”, zegt Van Putten. We vinden de strikte beheersing moeilijk te rijmen met menselijke waardigheid. En je zag het ook bij de protesten tegen racisme van afgelopen weken, zegt hij. “De demonstranten moeten gedacht hebben: de grens is bereikt. Dan maar de regels overtreden of marchanderen aan de 1,5 meter afstand. Het signaal dat ze afgeven is boeiend: we moeten een balans vinden tussen de verschillende waarden.”

Controle loslaten

Tegelijkertijd vragen burgers en beroepsgroepen aan bestuurders om duidelijke regels en maatwerk. De kermisexploitanten op het Malieveld bijvoorbeeld, of de horeca. “Ze delen het vertrouwen in regels en het idee dat we de boel daarmee kunnen beheersen.” En het beleid knelt ook op bepaalde vlakken, zegt Van Putten. De ene horeca-onderneming is de andere niet. “Maar het valt op dat ze juist vragen om meer protocollen. Je kunt ook zeggen: we willen meer ruimte om vanuit ons eigen praktische inzicht onze situatie zelf in te schatten en zelf te handelen. Maar dat heb ik nog niemand horen zeggen.”

De reden dat we het lastig vinden om controle los te laten heeft volgens Van Putten te maken met de deugden die we belangrijk vinden, en wat we van bestuurders verlangen. “We vinden het politieke lafheid als politici zeggen: we kunnen op dit moment nog niets doen. Maar je kunt het ook als deugden zien: van nederigheid, bescheidenheid en gematigdheid. Dat klinkt heel oubollig, maar het zijn voorbeelden van goed handelen.”

Grote denkers, onder wie Aristoteles, Augustinus en Thomas van Aquino, zagen die deugden als belangrijke principes voor het goede leven en een goed bestuur, legt Van Putten uit. “Zij vonden het goed als je je gematigd en terughoudend opstelt.”

“Mijn proefschrift richt zich tot bestuurders, maar het is ook een oproep aan de samenleving als geheel, om opnieuw te leren dat die deugden goede kwaliteiten zijn van een bestuurder. Ik zie uit naar een politieke partij die zulke deugden voorop durft te stellen. Die niet meedoet aan het wedstrijdje wie het eerst met een beleidsvoorstel komt of het eerst bij de microfoon is tijdens het vragenuurtje, maar zich af en toe terughoudend durft op te stellen.”

Lees ook:

Een staatsman in crisistijd. Wat doet dat met het leiderschap van Mark Rutte?

Mark Rutte weet niet wat hij meemaakt. Ineens is hij premier in een ongekende crisis. Wat zegt dit over het leiderschap van Rutte? Wordt hij er een andere leider door, of wacht hem na het virus een ander land? Het wordt in ieder geval loodzwaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden