Dit zijn niet mijn woorden

Zakelijke taal dringt in alle sferen door. Peter Henk Steenhuis ontdekt hoe dat het onderwijs en de zorg fnuikt.

Stress, concurrentie, prestatiemaatschappij? De studente van ROC Friese Poort haalde haar schouders op: ‘Ik heb hier geen mening over.’
‘Waarom niet?’, vroeg ik.
‘Omdat ik er niets van weet.’ ‘Waarom niet?’
‘Dit zijn gewoon niet mijn woorden.’
Even stond ik met mijn mond vol tanden.Of het onderwerp haar dan niet interesseerde. Niet echt.
Studente: ‘Ik moet gewoon zorgen dat ik niet gestrest raak. Want dan kan ik niet meer werken.’

Afgelopen jaren heb ik onderzocht hoe onze taal een rol speelt bij de manier waarop wij ons leven zin geven. Volgens voormalig Denker des Vaderlands René Gude gebruiken we taal in vier sferen. Zo kletsen we met vrienden en familie in de privésfeer. Met woorden doen we zaken op ons werk, dat is de private sfeer. We overleggen of belijden onze overtuigingen in openbare ruimtes – de publieke sfeer. En in de politieke sfeer debatteren we. Naar Gude’s idee had de zakelijke, private taal territoriumdrift gekregen, drong zich langzaam maar zeker binnen in de publieke, de politieke en de privésfeer. Die opmars heeft negatieve gevolgen voor ons dagelijkse leven in de andere sferen.

Is het BV Nederland of Samenleving?

Probeer het maar eens, even na te denken over ons land, en analyseer wat er in je hoofd gebeurt als je daarbij denkt aan het woord BV Nederland in plaats van het woord samen­leving. Toen aan het begin van de coronacrisis RIVM-baas Jaap van Dissel zei: “Als je alles op slot gooit, stopt de BV Nederland”, kreeg hij onmiddellijk kritiek: Nederland is toch geen bedrijf, en het gaat nu toch om zieke mensen en niet om een verdienmodel? Daar staat tegenover wat prinses Irene van Lippe-Biesterfeld onlangs in Trouw zei: “Het woord samen-leving is een prachtig woord.”

Wat voor BV Nederland en samenleving geldt, gaat ook op voor woorden als flexibel, vrijheid, vitaal, impact, stress, werkdruk, eigen regie, crisis, roeping, drijfveer, concurrentie, patiënt en cliënt, en honderden andere woorden die de laatste decennia een neoliberale betekenis hebben gekregen.

De consequenties hiervan onderzocht ik tijdens experimenten. Een daarvan was met studenten en docenten van ROC Friese Poort. Voor ik begon probeerde ik de deelnemers het belang van deze exercitie uit te leggen. Het spreekt namelijk niet vanzelf dat een dag >>

kletsen over woordjes zinnig kan zijn. Ik verwees naar de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, die opriep: ‘Durf te denken’. Kant had net zo goed kunnen zeggen: durf te formuleren, want denken gaat in woorden.

Er gebeurde die dag bij ROC Friese Poort allerlei moois, waarbij het opviel wat een prachtige gesprekken je met jonge mensen kunt voeren voor wie taal vaak abstract is en lastig. Toch ging ik licht ontevreden naar huis, met het beeld van die ene onverschillige studente voor ogen. Waarom interesseert iets als stress haar niet?

Ze staat elke dag om twee uur op

Een paar weken later moest ik opnieuw aan haar denken. In Groningen gaf ik een training over zingeving en werk. We voerden een gesprek over wat ik ‘de digitale leiband’ ben gaan noemen: hoe vast zitten we aan de digitale middelen die ons omringen, en wat doet dat met onze zin in werk?

Op een gegeven moment nam een vrouw van begin 20 het woord. Zij had een mbo-opleiding afgerond en was naar eigen zeggen van­wege chronisch personeelstekort te jong op een leidinggevende functie terechtgekomen. Ze voelde zich eigenlijk niet bevoegd voor de functie die ze moest uitoefenen.

De jonge vrouw worstelde vooral met haar professionaliteit en de druk van digitale middelen. Ze sliep slecht, lag uren te piekeren over de mensen die ze moest aansturen. Na wat omtrekkende bewegingen zei ze: “Elke nacht sta ik om twee uur op om mijn email te checken.”

Het werd even stil in de zaal, er klonk het begin van gelach dat snel verstomde. Wat moesten we hierop zeggen? “Omdat ik dan toch niet meer kan slapen”, vervolgde ze, “kan ik er net zo goed uitgaan. Soms zie ik dan ’s nachts al wie zich ziek gemeld heeft, en kan ik maatregelen nemen, waardoor ik ’s ochtends wat langer kan uitslapen. Hoop ik dan.”

Of zij hier al eens over gesproken had met haar leidinggevende? Nee. Met collega’s? Nee. Of zij het idee had dat haar slapeloosheid met prestatiedruk en stress te maken had? Ze haalde haar schouders op. Of ze wel besefte dat haar batterij zo vrij snel leegliep? Of ze niet bang was of dit op den duur haar duurzame inzetbaarheid zou schaden? Weer die schouders. Toen zag ik de mbo-leerling uit Emmeloord voor me: dit zijn niet haar woorden, dit is niet haar taal, hier kan zij niets over zeggen.

De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld, zei de twintigste-eeuwse Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein.

Trouwfilosofieredacteur en publicist Peter Henk Steenhuis (1969) schreef onder meer ‘Andere Achterhuizen’ en ‘Door het beeld door het woord’. 

Wat de jonge studente van het ROC Friese Poort en de jonge vrouw in Groningen duidelijk maakten, was dat woorden als stress, concurrentie, selectie, prestatiedruk en duurzame inzetbaarheid de grenzen van haar taal overschreden. En dan niet de grenzen van het Nederlands, maar de grenzen van de taal die zij in het dagelijks leven gebruikt. Dit was de zakelijke taal van de private sfeer die haar privésfeer was binnen­gedrongen, en waar zij geen antwoord op wist te geven. Want het waren niet haar woorden.

Tijdens een lezing op een grote onderwijsconferentie in Den Haag noemde ik de voorbeelden van de studente in Emmeloord en de jonge vrouw met slapeloosheid uit Groningen. Ik vroeg de driehonderd aanwezige onderwijs­managers wie met zijn studenten over dit soort begrippen praat. Wat betekent het voor een aanstaand verpleegster of zij met bewoners van een verpleegtehuis van doen heeft of met patiënten of met cliënten? Denken studenten erover na hoe zij met de prestatiedruk omgaan?

Niemand stak zijn vinger op.

Volgende vraag: wie vindt dat zijn studenten hierin getraind zouden moeten worden? Schoorvoetend gingen alle vingers de lucht in.

Onze taal is stukken blauwer geworden

Willen we bijdragen aan de Bildung, de vorming van een volgende generatie, dan zullen we ook moeten spreken over ons taalgebruik. Want middelbare scholen, mbo’s, hbo’s en universiteiten leiden weliswaar op voor een samen­leving die er nog niet is, we weten wel dat woorden de bouwstenen vormen van het verstand. En die bouwstenen zijn afgelopen decennia van kleur verschoten, ze zijn een stuk ‘blauwer’, zakelijker, privater geworden.

Moeten we bij het horen van dit soort termen dan ingrijpen, als een heuse taalpolitie? Als een schoolmeester wijzen naar het rendementsdenken, dat ons heeft opgezadeld met een koloniserende private sector? Dat lijkt me zinloos.

De laatste tijd hoor je politici voorzichtig afscheid nemen van het neoliberalisme. Zeker nu met de coronacrisis klinkt er openlijk kritiek op de privatisering in de zorg. Past de beloning van de vitale beroepen bij de waardering die ze toekomt?

De vakkenvullers, de zorg, ze krijgen op dit moment veel complimenten. Maar compliment betekende in de zeventiende eeuw ‘beleefde of vormelijke lofspraak, vleiende beleefdheid’. Is dat de waardering waarop de vitale beroepen nu wachten?

Het marktdenken, of het rendementsdenken of het neoliberalisme is geen politieke leus geweest die met een verkiezinkje of twee door een ander vervangen kan worden. Daarvoor heeft dit gedachtengoed veel te veel impact gehad op onze hele samenleving, is doorgedrongen tot de haarvaten van onze cultuur: onze woorden, waardoor het nauwelijks merkbaar maar constant invloed heeft op ons denken, ons doen, en op onze solidariteit.

Veel meer zin heeft het ons bewust te worden van het feit dat de vier verschillende sferen waarin wij taal gebruiken, sterk door elkaar zijn gaan lopen, en dat daarbij de private, de werksfeer haar invloed fiks heeft uitgebreid. Maar als we ons hiervan bewust worden, kunnen we ons tot de tanden wapenen – met andere woorden.

Woorden zijn niet abstract, ze blijken hard en concreet. Schelden doet geen pijn, zeiden we vroeger op het schoolplein. Er is geen pedagoog meer te vinden die dat nog durft te beamen. Woorden zijn daden; in het Hebreeuws betekent het woord ‘dabar’ niet voor niets woord en daad tegelijk.

Wie mensen mondig weet te maken, maakt ze zelfbewust, geeft ze een mentaal paspoort waarmee ze op reis kunnen door de verschillende sferen van onze BV Nederland – of van onze samenleving. <<

Dit essay is een voorpublicatie uit ‘Taalkracht. Andere woorden, andere werelden’ (red. Sanne Bloemink, Christien Brinkgre­ve en Eric Koenen). ISVW; 176 blz. € 17,50

Lees ook

 Onze taal verandert en daarmee ook de betekenis die we geven aan bepaalde termen, zoals professional. Denker des Vaderlands René ten Bos: ‘Gezag is geen cadeautje’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden