Interview

Denker des Vaderlands René ten Bos: Wij sterven uit maar het laat ons koud

René ten Bos, Denker des Vaderlands Beeld Corbino

De mens is aan het uitsterven, maar het lijkt ons niet te deren. Hoe komt dat, vraagt afzwaaiend Denker des Vaderlands René ten Bos zich af in zijn nieuwste boek.

René ten Bos neemt binnenkort afscheid als Denker des Vaderlands. Dat doet hij met een klaroenstoot: mens en dier sterven uit, maar vreemd genoeg lijkt dat uitsterven ons nauwelijks te raken. In zijn nieuwe boek ‘Extinctie’ – dat 21 maart verschijnt – noemt Ten Bos het uitsterven van diersoorten een van de urgentste problemen van onze tijd. Maar er is ­weinig filosofische reflectie over. Dat maakt Ten Bos nu goed: “Uiteindelijk is er geen enkele andere soort die zich afvraagt wat uitsterven is. Wij alleen zitten met die vraag opgescheept.”

De vraag komt voor Ten Bos niet uit de lucht vallen. Extinctie zou je een vervolg kunnen noemen op ‘Dwalen in het antropoceen’, waarin Ten Bos liet zien hoe catastrofaal de invloed van de mens op de aarde is. Wij zijn de oorzaak van het stijgen van de zeespiegel, van de klimaatopwarming en ook van het uitsterven van soorten. ‘Wat iedereen moet begrijpen’, schrijft Ten Bos in Extinctie, ‘is in feite dit: niet alleen de extinctie van soorten, iets wat altijd verbonden wordt met het idee van biodiversiteit, maar ook de extinctie van onze eigen soort dient op de agenda te worden gezet.’

Op wiens agenda?

“De agenda van iedereen natuurlijk! Iedereen moet zich bezighouden met het uitsterven van dieren en het uitsterven van de mens.”

Is uitsterven geen natuurlijk fenomeen? We zijn de dinosaurussen ook kwijtgeraakt.

“Klopt, maar bij wat men vaak natuurlijke extinctie noemt, speelde de mens nog geen rol, misschien omdat onze soort er nog niet was, of omdat we nog niet zo’n invasieve impact hadden. Eigenlijk is natuurlijke extinctie geen goede term. Wetenschappers spreken liever over achtergrondextinctie, background extinction. Die huidige extinctie gaat nu volgens sommigen 45.000 keer zo hard als bij gewone achtergrond­extinctie. Extinctie dringt zich dus vanuit de achtergrond op. Eén ding is duidelijk: door dat versnelde uitsterven dreigen hele leefsystemen ernstig verstoord te raken. We balanceren qua extinctie van diersoorten niet langer op een drempel, maar we zijn die drempel al lang en breed voorbij. Je kunt dat zelf ook waarnemen. Als je vroeger op een zomeravond een eind met de auto had gereden, had je een bloedbad op de voorruit. Nu is je ruit nog nagenoeg schoon. Je kunt dagelijks lezen dat de zeeën zijn veranderd in kale woestijnen. Mijn vader wees mij nog op de klapekster en de ortolaan. Mijn kinderen hebben die vogels nog nooit gezien.”

Toch lijkt ons dat, zoals u ook schrijft, niet echt te deren.

“Ik citeer in mijn boek de Australische extinctiebioloog Thom van Dooren. Hij stelt de belangrijkste vraag: ‘Wat betekent het, in deze tijd waarin het verlies ongelooflijk is, dat er zo weinig publieke (…) rouw is over extincties? Waarom verlaten de laatste expressies van zoveel soorten de wereld zonder dat iemand het opmerkt of erover rouwt?’ Vooral zijn opmerking over ‘de laatste expressies van zoveel soorten’ vind ik veelzeggend. We begrijpen de expressies van die dieren niet. Daardoor is hun uitsterven een ervaring die niet toegankelijk te maken is. En wat niet toegankelijk is, geloven we niet echt. Dat verklaart ook waarom wetenschappers zo vaak ongeloofwaardig worden genoemd: feiten en nog meer feiten – ze raken ons niet echt.”

Hoe moeten we dan reageren?

“Met de vraag hoe wetenschappers en filosofen reageren, houd ik me bezig in het tweede deel van het boek. Jij gebruikt nu het woordje moeten. Juist moeten lijkt wetenschappers in verwarring te brengen. Sinds de Engelse filosoof David Hume (1711-1776, red.) ons maande de sfeer van het descriptieve –‘het is’ – strikt te scheiden van de sfeer van het prescriptieve – ‘het zou moeten zijn’– zijn wetenschappers als de dood om morele uitspraken te doen. Maar het lijkt alsof wetenschappers bij extinctie worden gedwongen morele overwegingen in hun werk mee te ­nemen.”

Wat voor morele uitspraken doen ze dan?

“Er wordt op nogal alarmistische manier over gesproken. Er zijn wetenschappers die het doemsdag-argument gebruiken, dat ervan uitgaat dat wij geen vroege, maar juist late mensen zouden kunnen zijn. Dit argument is begin jaren tachtig geïntroduceerd door de Australische astrofysicus Brandon Carter. Hij heeft berekeningen losgelaten op de vraag hoe waarschijnlijk het is dat de mensheid binnen afzienbare tijd uitsterft.”

En?

“Het gaat mij niet om de uitkomsten van die waarschijnlijkheidsberekeningen. Ik probeer me in dit boek als filosoof te verhouden tot dit soort wetenschappelijk doemdenken. Wat betekent het bijvoorbeeld als we zo gaan denken in termen van ‘late mensen’?”

En?

“Dat betekent veel. Bij alle discussies over duurzaamheid draait het telkens om onze ethische plichten tegenover toekomstige generaties en over de problemen die wij aan hen nalaten. Die hele redenatie veronderstelt wel dat er toekomstige generaties zullen zijn. Maar als je de doemsdag-wetenschappers mag geloven, is dat maar zeer de vraag. In de filosofie heeft dat geleid tot verschillende, veelal pessimistische ­reacties. De antinatalistische stroming is er een van. De belangrijkste reden dat er zoveel dieren uitsterven, is dat er te veel mensen zijn. Dus stellen de antinatalisten dat het goed is wanneer er niet meer zoveel mensen worden geboren. Op basis van een ongelooflijke hoeveelheid feiten over het leed van de mensheid, komt de Zuid-Afrikaanse filosoof David Benatar tot de conclusie dat een prettig leven uitermate zeldzaam is: ‘Sommigen weten zeker dat hun baby niet tot de gelukkigen zal behoren. Niemand weet daarentegen zeker dat hun baby tot de zogenaamde weinige gelukkigen zal behoren.’ Wie de cijfers die Benatar aandraagt tot zich laat doordingen, kan eigenlijk alleen maar concluderen dat niet-zijn een prettig alternatief is voor ons gedoemde zijn. ”

Lijkt me politiek wel lastig uitvoerbaar.

“Ik zeg ook niet dat ik het met dit soort denkers eens ben. Het is één ding te zeggen dat overpopulatie de oorzaak is van het uitsterven van soorten, het is een ander ding om mensen te verbieden zich voort te planten. Maar er verschijnen boeken met titels als ‘Better not to Have Been. The Harm of Coming into Existence’. Dat interesseert me. Een andere stroming combineert dit antinatalistische idee met het perspectief dat het misschien beter is als de mensheid langzaam uitdooft. Gezien alle ecologische catastrofes die wij aanrichten, stelt de Voluntary Human Extinction Movement (VHEM) van de Amerikaanse onderwijzer en milieuactivist Les Knight dat het beter zou zijn de stekker eruit te trekken. Dus bij wijze van nobele geste zeggen we: ‘Door ons sterven de dieren uit – nu maken we plaats!’”

Dit lijkt me politiek nog lastiger ­uitvoerbaar.

“De VHEM stelt geen radicale maatregelen voor. Hun motto: ‘Leef lang en sterf uit!!’”

U lijkt er met plezier over te vertellen.

“Ja. Ik sympathiseer meer met de pessimist dan met de optimist. Ik laat me in mijn boek ook wel meeslepen door het pessimisme. Ten eerste omdat het een soort actie is tegenover het optimisme, dat maar blijft stellen dat al onze problemen uiteindelijk vrij eenvoudig technisch oplosbaar zijn. Maar ten tweede sympathiseer ik ook met pessimisten omdat ik bij hen toch altijd het vermoeden heb dat ze niet helemaal serieus kunnen menen wat ze zeggen. Tegenover één relatief prettig leven staan miljoenen ellendige levens – dat lijkt zo’n bizarre stelling dat je het vermoeden hebt dat op de achtergrond humor wel een rol moet spelen. Er is iets in mensenhaat en pessimisme waar ik vrolijk van word. Neem het boek ‘Das Untier’ van de Duitse filosoof en schrijver Ulrich Horstmann. Voor hem is de mens een ondier, dat niet meer is te redden. Ik kan daar echt om lachen: van het humanistische idee dat wij, mensen toch wel een fijne soort zijn, blijft nu echt niets meer over. De mens is een grote fout in de geschiedenis.”

Maar kunt u het zich werkelijk voorstellen dat wij, ondieren, uiteindelijk uit die geschiedenis verdwijnen en ­uitsterven?

“Nee. Dat is niet voorstelbaar. De Duitse filosoof Immanuel Kant schreef al in ‘Das Ende der Dinge’ dat het einde van de wereld niet zomaar een stupide fantasie is, maar een vraag die ook redelijke mensen kunnen stellen. De vraag naar het einde te willen beantwoorden, was volgens Kant onmogelijk. De rede kan zich van het einde van de dingen namelijk helemaal geen voorstelling maken. Dat einde is volgens Kant niet in de menselijke ervaring gegeven. We kunnen ons het uitsterven van de mens niet voorstellen, daarom laat het ons uiteindelijk koud.”

Extinctie
René ten Bos
uitgeverij Boom
€ 22,50

Lees ook: 

Ik kom uit een wereld die zich verraden voelt door de elite

Twee jaar geleden werd René ten Bos Denker des Vaderlands. Voor een arbeiderskind als hij lag het niet voor de hand dat hij filosoof zou worden. ‘Ergens speelt bij mij wel dat ik verrader ben van de arbeidersklasse', vertelde hij toen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden