De staat vankatholiek Nederland

De katholieke kerk wil nabij zijn, en dat kan niet meer

Zondagse hoogmis in de Sint Christoffelkathedraal met pastoor van Attekum.  
De weinige bezoekers zijn veelal op leeftijd. Beeld Otto Snoek
Zondagse hoogmis in de Sint Christoffelkathedraal met pastoor van Attekum. De weinige bezoekers zijn veelal op leeftijd.Beeld Otto Snoek

De grote kracht van de rooms-katholieke kerk in Nederland is lange tijd haar nabijheid geweest. De kerk was overal, zeker onder de grote rivieren, in elk dorp, in elke wijk. Maar met de ontkerkelijking van de voorbije decennia is die kracht tegelijkertijd de zwakte van de kerk gebleken. Het is een molensteen geworden.

Nico de Fijter

Onderzoek door deze krant laat zien dat de Nederlandse parochies er financieel slecht voor staan: bijna acht op de tien schreven vorig jaar rode cijfers. De gezamenlijke verliezen van de 640 parochies telden op tot 15 miljoen. De kerk is in een negatieve spiraal beland die niet lijkt te stoppen. Hoe is dat zo gekomen?

Daarvoor is eerst een blik op de geschiedenis nodig. Die grote nabijheid van de katholieke kerk vindt haar aanvang in de jaren rond 1850. Bijna drie eeuwen lang waren de katholieken in wat nu Nederland heet stelselmatig achtergesteld, en aanvankelijk ook vervolgd. Eind achttiende eeuw werd de scheiding van kerk en staat afgekondigd en de grondwet van 1848 nam ook de laatste beperkingen voor de katholieken weg. En nog weer iets later, in 1853, besloot de toenmalige paus dat er weer bisdommen zouden komen in Nederland. Een nieuwe tijd brak aan.

Het Rijke Roomse Leven

Het was het begin van wat later het Rijke Roomse Leven zou worden genoemd. Een periode van grote katholieke bloei: er kwam katholiek onderwijs, katholiek verenigingsleven, een katholieke pers, een katholieke middenstand. Met in het middelpunt van dat alles: de kerk. En de pastoor.

De kerken zaten vol. Trouwen in de kerk, je kinderen laten dopen, een kerkelijke uitvaart: het was tot eind jaren zestig van de vorige eeuw voor veel katholieken volstrekt vanzelfsprekend.

In het Nederlandse katholieke leven stond en staat de eucharistie centraal. En om die gezamenlijk te vieren heb je een kerkgebouw nodig en een priester. Maar als er steeds minder gelovigen zijn, en dus minder inkomsten, hoe betaal je dan die priester, en hoe onderhoud je je kerkgebouw? Hoe kan die kerk dan nog die centrale plek in het gemeenschapsleven innemen?

Het antwoord op die vraag is steeds vaker: dat lukt niet meer. De ontkerkelijking, die haar aanvang kende in de jaren zestig, heeft de katholieke kerk in ons land – die altijd vooral een volkskerk geweest is – hard getroffen. Op papier zijn er weliswaar nog steeds 3,7 miljoen katholieken. Maar slechts zo’n 150.000 van hen gaan nog regelmatig naar de kerk.

Geen parochianen = geen geld

Als er geen actieve parochianen meer zijn, komt er geen geld meer binnen. En zonder geld geen priester en geen kerkgebouw. Sinds de eeuwwisseling zijn er honderden parochies gefuseerd, en evenzoveel kerkgebouwen verkocht. Begin deze eeuw waren er nog ruim 1500 parochies en bijna 1800 kerkgebouwen. Nu: 640 parochies en ruim 1300 gebouwen. De schaalvergroting die zich op allerlei plekken in de maatschappij heeft voltrokken, is niet aan de kerk voorbij gegaan.

Daarbij is de kerk wel altijd vast blijven houden aan het priesterkerkmodel: de kerk-met-priester-en-eucharistie die nog altijd het hart van het kerkelijk leven vormen. Ruimte voor andere en vernieuwende vormen is er daardoor eigenlijk niet. En door de kerkleiding worden liturgische experimenten rond de eucharistie bepaald niet gestimuleerd. Dat is een groot verschil met bijvoorbeeld de Protestantse Kerk in Nederland: die heeft ook te lijden onder voortgaande ontkerkelijking, maar is tegelijkertijd bezig om op honderden plekken in het land allerlei nieuwe vormen van kerkzijn uit te proberen.

Betrokken blijven

Door de grote krimp van de katholieke kerk in Nederland kost het overgebleven parochianen steeds meer moeite om betrokken te blijven. Niet zelden moeten ze één, twee, drie dorpen verderop wezen om een viering bij te wonen, met steeds minder mensen. Niet zelden haken ze om die reden af. Met nog weer minder inkomsten tot gevolg. De volkskerk in het hart van elk dorp en elke wijk, waar sommige katholieken soms nog met weemoed aan terugdenken: die is weg, en die komt nooit meer terug.

Zijn er dan helemaal geen lichtpuntjes meer? Wel degelijk. Daarvoor moet de blik vooral op de steden worden gericht: daar zijn parochies met nieuw elan en nieuwe vitaliteit te vinden. Oorzaak: de komst van migranten. En steeds vaker gaat er in de Nederlandse parochies een buitenlandse priester voor. Nederland is nu echt een missieland geworden.

Lees ook:

Lees hier al onze verhalen over de staat van de katholieke kerk in Nederland

De komende maanden brengt Trouw de staat van de katholieke kerk in Nederland in beeld. Naast onderzoek naar de financiën van de parochies bezoeken we katholieken in alle delen van het land.

Van Drenthe tot Zuid-Limburg: zo ziet de zondagsmis eruit op vier plekken in het land

De katholieke kerk in Nederland heeft nog altijd zo’n 3,7 miljoen leden, maar slechts een minderheid is actief. Hoe ziet hun kerkelijk leven eruit en hoe denken ze over de toekomst? In een serie verhalen doet Trouw onderzoek. Deel 1: de zondagsviering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden